De penseelkever (Trichius zonatus) is een algemeen in Nederland voorkomend insect. De Trichius fasciatus is veel schaarser aanwezig. Die wordt regelmatig gezien in Limburg en ook wel op de zandgronden van Drenthe en de Achterhoek, maar is elders zeldzaam. Bij de Trichius zonatus zijn de zwarte banden dwars over de schilden alle onderbroken. Bij de T. fasciatus is de eerste band doorlopend en de laatste meestal ook. De kleur van de schilden is meer oranje-achtig, maar er zijn bij beide soorten variaties en detailverschillen die de zekere naamsbepaling bemoeilijken.
Door de beharing hebben deze kevers iets weg van een hommel. Het zijn goede vliegers. Deze juweeltjes van de natuur zijn een genot om naar te kijken. Let bij deze foto eens op de relatief lange poten met haken en dubbele sporen. Zo hebben ze veel grip op de bloemen. De volwassen kevers foerageren in juni-juli graag op allerlei kruidachtige bloemen. Door de beharing zijn het goede stuifmeel-overdragers. De larven groeien op in oud rottend hout aan de bomen. Ze zijn bij mij in de tuin redelijk talrijk, soms met twee exemplaren op één bloem en ook wel parend.
Dat kevers ook nog zeer kostbaar kunnen zijn wist ik niet, totdat ik in augustus 2002 op Internet las dat in Japan het houden van kevers een complete rage is geworden. Er werd een plaatje getoond van een vliegend hert, Lucanus cervus (foto: onbekend, Internet). Deze kever zou verhandeld zijn voor $ 180.000. De prijs was zo hoog vanwege de uitzonderlijk grote afmetingen van het dier van ruim 8 cm, wat volgens mijn insectengids overigens geen abnormale grootte is voor deze soort. Wat ook het waarheidsgehalte van het bericht mag zijn, het lijkt me geen goede ontwikkeling. De soort kan door de handel ernstig worden bedreigd, want nateelt in gevangenschap is meestal onmogelijk. De larve van deze soort leeft in eikenhout en heeft een ontwikkelingstijd die zeer lang kan duren: wel 5 tot 8 jaar!
Bij deze soort hoornmestkevers hebben de mannetjes 1 lange en 2 korte hoorns op het kopschild. Het is de Onthophagus coenobita. Ze leggen de eieren graag in mest, maar die is in mijn tuin en in de omgeving daarvan niet veel aanwezig. Het dier was dus waarschijnlijk wat verdwaald op zoek naar een vrouwtje. Dat het een mannetje is, is te zien aan de hoorns op het kopschild. De voorpoten zijn wat vervormd tot graafklauwen. De dekschilden hebben een koperachtige glans die op de foto niet goed te zien is.
Mestkevers behoren tot de bladsprietkevers, waartoe bijvoorbeeld ook de penseelkever, de meikever, de neushoornkever en de Valgussoorten behoren. De sprieten zijn fijn vertakt, zodat ze zeer goed geuren kunnen waarnemen.
Het genus Aphodius betreft kleinere bladsprietkevers die ook in mest leven. In Nederland komen 44 soorten voor. Deze Aphodius sticticus is 5,5 mm lang. Het dier zat op 10 mei 2010 bij mij binnenshuis op een raam en is waarschijnlijk op kleding mee naar binnen gekomen.
Een week later vond ik een andere soort van dit genus drijvend in de regenmeter in de tuin. Het betrof een Aphodius pusillus. Het beestje leefde nog en na droging en wat foto's kon het weer vertrekken. Deze was iets kleiner dan de vorige: 4,6 mm. Hier zijn van deze soort nog wat extra foto's: foto 2, foto 3, foto 4.
Via de heer Frank Köhler die een indrukwekkende Duitse site heeft over kevers (koleopterologie.de), zijn beide soorten voor mij op naam gebracht.
Ook de rozenkever (Phyllopertha horticola) behoort tot de bladsprietkevers. Deze wordt ook wel Johanneskever genoemd. Bij deze kever is de spriet aan het eind in 3 blaadjes vertakt als een soort vorkje. De larves van deze soort eten wortels van grassen. Zulke keverlarven zijn de zogenaamde engerlingen. De volwassen kevers zitten op allerlei bomen en struiken, waaronder ook vruchtbomen, waarop ze knoppen en blad vreten. Opvallend aan deze kevers is de beharing die ook op de rugschilden zit. Het voorste deel van het dier heeft een metalig groenblauwe glans. De voorpoten hebben graafkammen, want de vrouwtjes leggen de eieren tot wel 20 cm diep in de grond.
Op diverse planten in mijn tuin zie ik regelmatig deze kever. Het is een mannetje van de Valgus hemipterus. De vrouwtjes hebben een verlengd puntig achterlijf dat dient om eitjes te kunnen leggen op diepere plaatsen. De larven leven dikwijls in vermolmd hout van meidoorns. Deze keversoort overwintert in een zogenaamde poppenwieg. Dat is een soort hangmatje aan een plant waarin de larve verandert in een pop. De kevers zijn 7 à 9 mm lang.
Kortschildkevers (Staphylinidae) zijn voor de determinatie een lastige familie. Er zijn wel enkele bekende verschijningen, zoals de stinkende kortschild (Ocypus olens). Die valt op, omdat het dier vrij groot is. Er zijn echter zeer veel kleinere soorten, die overigens niet allemaal slechts zwart gekleurd zijn. Vele hebben ook oranje of rood op het lijf. In Nederland zijn er bijna 1000 soorten verdeeld over vele tientallen geslachten. Het is de insectenfamilie waarmee wijlen notaris Batten uit Middelburg zich zijn hele leven zeer intensief heeft beziggehouden in zijn vrije tijd. Hij heeft indertijd ook diverse nieuwe soorten voor Nederland gevonden. Dat is niet zo verbazingwekkend als je ziet hoe omvangrijk die familie is. De meeste leven verborgen onder stenen, plantaardig materiaal en eten ongewervelden, zoals slakken e.d.
Je zou denken dat ze kleine vleugels hebben onder die korte schilden, maar de schijn bedriegt. De vleugels zitten daaronder keurig opgevouwen en kunnen ver worden uitgespreid om ermee te vliegen.
Dit is de Philonthus cognatus, voor mij gedetermineerd door dr. Th. Heijerman. Het is een dier van ongeveer 10 mm lengte. Het geslacht Phylonthus omvat in onze omgeving 55 soorten. Deze soort is merendeels zwart, de voortarsen hebben lichtgele haren en de onderkant van het eerste antennesegment is geelbruin. Het halsschild heeft een metaalachtige gouden glans. Hier is het dier nog eens te zien in de typische verdedigingshouding met het achterlijf ver omhoog gericht.
Met een foto op millimeterpapier is een insect als het een normale houding heeft, goed na te meten. Deze kortschildkever Coprophilus striatulus is ruim 6,7 mm lang. Zoals de meeste soorten zijn het predatoren van kleine ongewervelden. Dit exemplaar zat opeens op mijn kleding toen ik bij een kolonie solitaire bijen zat te kijken. Het dier was er kennelijk op gevlogen. Dit is een wat natuurlijker plaatje van het insect.
Van deze soort vond ik 2 exemplaren binnenshuis in april 2010, waarschijnlijk op kleding mee naar binnen gekomen. Het beestje heeft een mooie scrabble-naam gekregen: langvleugelmoskortschildkever (Lesteva longoelytrata). De wetenschappelijke naam 'longo elytrata' slaat overigens niet op de vleugels maar op de dekschilden. Beide exemparen waren vrouwtjes van resp. 4,7 en 5,3 mm lengte. Groot zijn ze dus niet. Ze leven graag op modderige plekken, vochtige plaatsen met veel organisch afval en tussen mos. Daar vinden ze kennelijk hun voedsel. Gezien het stuifmeel op de eerste kever had deze recent gefoerageerd op bloemen. Hier zijn nog wat meer foto's van deze kever: foto 2,
foto 3, foto 4.
Er zijn zeer veel kleinere soorten kortschildkevers. In mijn bijenkasten leven in de winter kleine kortschildkevers, die vermoedelijk predatoren zijn van dwergschimmelkevers en andere insecten die ook op de bodems leven. Vooral op dichte bodems die een iets vochtiger klimaat hebben, zijn ze te vinden. Het is een kevertje van 2,2, tot 2,6 mm lengte. Dr Oscar Vorst heeft ze voor mij gedetermineerd: Proteinus ovalis. Ik fotografeer veel gevangen insecten eerst op millimeterpapier om de juiste maat te kunnen berekenen, zoals hier. Ze kunnen uitstekend vliegen en je staat verbaasd als je ziet hoe groot de vleugels zijn, die vanonder de korte schilden tevoorschijn komen, zie deze foto. Ze kunnen ze ook weer razend snel opvouwen.
Een andere kleine kortschildkeversoort (2,4 mm) is Anotylus nitidulus. Ze schijnen op licht af te vliegen en deze zat op de binnenkant van een raam naast de buitendeur. Het beestje liep op de vensterbank en is per ongeluk binnengekomen. Het kevertje is gedetermineerd door dr Oscar Vorst. Ze zijn in het zuiden van Nederland talrijker dan noordelijker. Hier zijn nog enkele extra foto's: foto 2, foto 3.
In de tweede helft van juli zit mijn tuin vol met soldaatjes. Deze tot de zogenaamde weekschildkevers behorende insecten zie je op allerlei kruidachtige bloemen, bijvoorbeeld ook op echte kamille. Dikwijls tref je parende kevers aan. Het mannetje is iets kleiner dan het vrouwtje en de paring duurt erg lang (urenlang). Het vrouwtje gaat in de tussentijd gewoon door met foerageren en het mannetje rijdt op haar rug mee. Op het plaatje is de kleine rode weekschild (Rhagonycha fulva) te zien. Deze soort is zeer algemeen. Je komt ze ook veel tegen op schermbloemen zoals op peterselie bij mij in de tuin. Van dit stel is hier nog een andere foto.
Al jarenlang staan er op mijn erf ook planten van de brede wespenorchis (Epipactis heleborine) en daar zag ik wespen, honingbijen, aardhommels, enkele zweefvliegen, maar ook dit soldaatje op foerageren. Later zag ik het dier met polliniën op het halsschild op de planten lopen. Het beestje deed dus goed werk voor de bevruchting. Hier is er nog een foto van.
Er zijn ook nog het zwart soldaatje, zwartpootsoldaatje, donker soldaatje en het geel soldaatje, die alle ongeveer dezelfde vorm hebben. De larven leven voornamelijk op de bodem, waar ze leven van dierlijk materiaal. Het zijn dus carnivoren.
Diverse soldaatjes (Cantharis sp.) zijn meestal vanaf de laatste weken van de maand mei in mijn tuin te zien op engelwortel. Volgens de literatuur zijn soldaatjes jagers op andere kleine ongewervelde dieren. Op engelwortel zitten altijd wel luizen, doch de kevers lijken ook stuifmeel of nectar van de bloemen te eten. Hier zit een kever (Cantharis pellucida; det. Frank Köhler) op het bloemscherm van de engelwortel om te foerageren.
Tot de weekschildkevers behoren ook de vuurkevers. Het insect op deze foto is de roodkopvuurkever (Pyrochroa serraticornis). De larves van deze soort leven onder de schors van bomen en vreten andere insecten. Er zijn nog meer soorten vuurkevers, waaronder de zwartkopvuurkever, die ook de opvallend getande antennen heeft. Hier is nog een andere foto van de roodkopvuurkever.
Naast de 'gewone' weekschildkevers zijn er ook nog basterdweekschildkevers. Ze lijken op de gewone, maar vormen een aparte familie: Malachiidae. Deze Anthocomus coccineus is maar klein, maar heel fraai van kleur. Deze kevers kun je foeragerend aantreffen op bijvoorbeeld composieten. Dit exemplaar zat op de bloem van kamille om stuifmeel te eten. De mannetjes hebben in het achterlijf klieren die een sekslokstof afscheiden om vrouwtjes aan te trekken. De larven van deze kevers leven in vermolmd hout en eten daar dierlijk voedsel in de vorm van insectenlarven, die daar ook aanwezig zijn.
Er zijn veel verschillende soorten lieveheersbeestjes, in Nederland en België meer dan 60 soorten. De kleuren en aantallen stippen zijn sterk verschillend. Andere soorten dan die van dit plaatje hebben bijvoorbeeld 7, 10, 13, 14, 22 of 24 stippen. Het citroenlieveheersbeestje (Thea 22-punctata) heeft 22 stippen. De 5 stippen op het halsschild zijn nog extra. Er is ook een soort met maar 2 stippen en heet dan ook tweestippelig lieveheersbeestje (Adalia bipunctata). Eerder dacht ik dat die van deze foto er een exemplaar van was. Een expert die mijn foto zag en een beschrijving kreeg, gaf aan dat het hier gaat om het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis). Die is nog slechts vanaf begin 2003 in Nederland gevonden; in België al een paar jaar eerder. Mijn vondst was dus een vroege waarneming.
In de USA zou deze soort zo talrijk zijn geworden, dat het een heuse plaag is. Deze kever heeft een lengte van ongeveer 6 à 8 mm en is dus vrij groot voor dit soort insecten. De kleur is zeer variabel en ook het aantal stippen kan verschillen. De meest gangbare vorm is een oranjekleurige met 19 zwarte vlekken.
Hier zijn nog enkele kleurvariaties van de Harmonia axyridis: een kruisingsexemplaar van de vorm conspicua en een 19-stippige van de vorm succinea. Hier zijn nog 2 foto's van deze kleurvariëteit: foto 1, foto 2. Een dergelijk exemplaar is hier op zoek naar luizen op de zaadbollen van grote engelwortel. Hetzelfde dier hier vanaf de zijkant gezien. Ze maken er zelf ook een rommeltje van want hier paren 2 kevers van verschillende kleurvormen. Je kunt raden welk lelijk nageslacht het zal opleveren. Ze zitten overigens wel goed, zo tussen hun voedsel: bladluizen. Ook de melige pruimenluis is een geliefd voedsel van de larven. Tot slot nog een foto van een gestarte verpopping en een larve die daar ook wel aan toe is. De eitjes leggen lieveheersbeestjes in clusters van vele tientallen bij elkaar.
Inmiddels is deze soort in Nederland binnen enkele jaren zeer talrijk geworden en is het beslist geen aanwinst voor onze fauna.
Bij mijn zoektocht in de tuin naar andere exemplaren van H. axyridis let ik op de grootte, het deukje in de dekschilden en de glimmendheid. Dit exemplaar leek eraan te voldoen, maar de deuk zit op de verkeerde plaats en ook de vorm is niet correct. Het dier had op beide schilden eenzelfde deuk, misschien door een beschadiging, maar het kon toch goed vliegen. Het betreft de 7-stip (Coccinella septempunctata). Na de winter zag ik een mooi gaaf exemplaar van de 7-stip, dat met veel andere in de tuin aanwezig was en ik zag ze ook parend. Een ander parend stel is hier te zien.
De larve van een lieveheersbeestje heeft ook al stippen en vlekken. De larven verpoppen op planten. Ze kunnen erg verschillend zijn per soort en ook het stadium is van belang voor het uiterlijk. Die op de foto hiernaast is het laatste stadium van de larve van het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje, vlak voordat deze zal gaan verpoppen. Hier is de larve van de 7-stip te zien. Dit is een pop van een lieveheersbeestje op de viltige bladeren van ezelsoor. Na de verpopping worden ze volwassen insect (imago). Kevers hebben een volledige metamorfose, dus inclusief een popstadium. Dat kan zeer kort tot zeer lang duren. Er zijn keversoorten waarbij de gehele ontwikkelingstijd 8 jaar kan duren. Bij lieveheersbeestjes duurt het popstadium slechts enkele weken en soms nog minder.
Een algemene soort is het tweestippelig lieveheersbeestje (Adalia bipunctata), waarvan hier de standaard kleurvorm wordt getoond. Ze zijn wat veranderlijk in kleur en kunnen ook net andersom getekend zijn: zwart met rode stippen. Verwarrend is het als er dan op ieder schild 2 rode vlekken zijn, waardoor er in totaal 4 zijn. De zwarte variant is meer te zien in het oosten en zuiden van Nederland.
Hier zijn nog enkele andere foto's van dit kevertje (ook vliegend): foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6.
Er zijn veel soorten lieveheersbeestjes en de meeste zijn herkenbaar aan een vast aantal stippen. Dat is echter niet bij allemaal het geval, bijvoorbeeld het langwerpige ruigtelieveheersbeestje (Hippodamia variegata) is variabel in aantal stippen en ook in de tekening op halsschild en kop. Bij dit parend stel is het halsschild van mannetje en vrouwtje ook iets verschillend. Hier is nog een andere foto van deze kever te zien.
Het is een verademing om in de tuin eens wat anders tegen te komen dan Harmonia axyridis. Die dieren overspoelen de gehele tuin. Waar maar een luis te vinden is, de Aziaat is er ook. Dat is jammer, want mooi zijn ze niet en de lelijke mixen van ondersoorten maken het er niet beter op.
Spaarzaam kom ik andere soorten tegen, waaronder dit roomvleklieverheersbeestje (Calvia quatuordecimguttata), dat 14 stippen op de elytra heeft. Het pronotum heeft er ook nog 2, maar die tellen niet mee. Ze leven van bladluizen, larven van bladhaantjes, bladvlooien en dat soort klein spul, dierlijk voedsel dus. Hier is er nog een plaatje van.
Deze meeste van deze kevertjes en de larven eten bladluizen. Een larve schijnt er zo'n 600 nodig te hebben om volgroeid te raken. Ze gebruiken dus dierlijk voedsel. Eén van de uitzonderingen is het meeldauwlieveheersbeestje (Halyzia sedecimguttata), dat meeldauwschimmels eet. Het beestje heeft 16 stippen, is oranje gekleurd en de randen van de schilden zijn doorzichtig.
Ook het Citroenlieveheersbeestje leeft van meeldauwschimmels, waarvan de larve ook lichtgeel gekleurd is.
Kijk op de mooie site van Kees van der Krieke voor meer lieveheersbeestjes.
Het veertienstippelig lieveheersbeestje (Propylea quatuordecimpunctata) heeft niet steeds duidelijk 14 stippen. De vlekken zijn dikwijls hoekig-langwerpig en wat vergroeid. Bij
dit exemplaar zijn maar 12 stippen te onderscheiden. De zwarte tekening op het halsschild is kenmerkend voor de soort. Het is een algemene soort die overal te vinden is. Hier zijn ze parend te zien. De larven eten bijna uitsluitend bladluizen.
Kwekers van lelies zien ze niet graag, deze leliehaantjes (Liliocerus lilii). Ze leggen hun eitjes op allerlei lelie-achtigen zoals diverse grote tuinlelies, keizerskroon, kievitsbloem e.d. Ze worden daarom meestal krachtig bestreden, omdat ze ware plagen kunnen zijn door de enorme schade aan de planten. Soms staat er alleen nog een stengel van een eerder complete plant. Het zijn overigens zeer fraaie dieren met hun rode borststuk en schilden. De onderkant is zwart. Op
deze foto zijn er 2 te zien, maar een paring werd het niet: slechts een snelle passeerbeweging over de ander heen. Ook hier zijn er 2 te zien en dat leek er meer op. De eitjes hebben dezelfde fel rode kleur als de insecten zelf.
Ook de larven zijn interessant vanwege hun bijzonder camouflagegedrag. Ze bedekken zichzelf met hun uitwerpselen om minder zichtbaar te zijn. Ze zijn daarmee vast ook minder smakelijk voor een predator.
Op mijn erf staan enkele hagen. waarin elzen staan. Zodra in het voorjaar de blaadjes aan de bomen zitten is er meestal een invasie van elzenhaantjes (Agelastica alni). Het zijn kevertjes van ongeveer 6 à 7 mm lengte met een blauw-zwarte kleur met purperen weerschijn. Op de foto is de fijne punctuur van de schilden goed zichtbaar. De vrouwtjes zijn iets groter dan de mannetjes. De elzen worden sterk aangetast als er veel kevers en larven zijn. Opmerkelijk is dat de volwassen kevers aan de bovenkant van het blad knagen, terwijl de larven aan de onderkant hun best doen. Er blijft soms niet veel meer over dan kale takken of takken met bladsteeltjes en enkele nerfrestanten. De kevers zijn zeer algemeen.
Een soort die wel wat op het Elzenhaantje lijkt qua kleur en vorm is de muntbladhaan Chrysolina coerulans, die echter veel blauwer is. Die kever, ook behorend tot de bladhaantjes, is echter een stuk groter (8-9 mm) en heeft ook een relatief breder halsschild. Ik zie deze kever ieder jaar in mijn tuin op hertsmunt. In april-mei paren ze en worden de eitjes gelegd, meestal aan de onderkant van een topblad van een stengel. De verse eitjes zijn donkerbruin; na een week zijn ze meer oranje met een donkere kern. Nog een week later komen de larfjes uit. Als de larven ongeveer 2 weken oud zijn hebben ze - na een paar vervellingen - een lengte van ongeveer 5 mm. Dit is er een oudere larve van, ongeveer zo groot als de volwassen kever, die binnenkort zal verpoppen.
Dit kleine (5 mm) bladhaantje Oulema melanopus (Ned.: grasgoudhaantje) is in de nazomer in mijn tuin zeer talrijk, maar ik zie er geen enkele schade van. Ze leven op grassen (ook granen). Het is een mooi gekleurd kevertje door het contrast van zwart en rood. Ze foerageren dikwijls op schermbloemen zoals peterselie, dille of venkel. De soortnaam van deze kever is niet geheel zeker, want er is een dubbelganger (O. duftschmidi) die er sterk op lijkt. Dit exemplaar liep in januari 2009 binnenshuis op een bloempot, die in de zomer in de tuin had gestaan. Dr. Th. Heijerman determineerde deze voor mij en het bleek een vrouwtje Oulema duftschmidi te zijn. Hier is nog een foto van hetzelfde exemplaar, maar dan van bovenaf gezien.
Een iets kleinere soortgenoot die dezefde vorm heeft maar andere kleuren is deze Oulema gallaeciana, die slechts 1 kleur heeft, namelijk metallic groenblauw. Ze hebben een mooie punctering op de elytra.
Dit bladhaantje heeft zich gespecialiseerd op Sneeuwbal (de heester wel te verstaan). Het heet daarom sneeuwbalhaantje (Pyrrhalta viburni). Ik heb zo'n heester in de tuin. Het is al een oud exemplaar (minstens 60 jaar). Hij geeft ieder jaar bloemen, maar het blad ziet er na verloop van tijd niet meer uit en er gaat ook wel eens een tak dood. De larven van deze kever zijn de boosdoeners. Ach, ik laat ze maar, want de heester kan er kennelijk tegen. Het zijn bladhaantjes van ongeveer 6 mm lengte en wel indrukwekkend als je ze in close-up bekijkt.
Wat dit aspergehaantje (Crioceris asparagi) in 2007 mijn tuin te zoeken had weet ik niet, want ik had er toen geen asperges staan, maar misschien stonden er toch wat in de buurt. Het is een schitterend gekleurd diertje van circa 7 mm. Ze zijn enigszins variabel in tekening. Meestal zijn er drie witte vlekken op de schildzijkanten te zien. Hier zijn er twee in elkaar gevloeid, zodat er op de schilden van de kever een zwart kruis te zien is. De larven en de volwassen kevers vreten aan het blad van asperges en kunnen wat schade geven.
Veel keversoorten zijn aan bepaalde waardplanten gebonden. Bij bladhaantjes is het dikwijls beperkt tot 1 soort. Een bladhaantje, dat op teunisbloem leeft, kan enorme sprongen maken. Men heeft het om die reden teunisbloemaardvlo genoemd. Eerder dacht ik dat het Altica oleracea zou zijn, maar er zijn nog meer soorten aardvlo-kevers die op Teunisbloem leven. De naam van deze aardvlo was dus niet zeker, totdat ik parende kevers zag en dus kon beschikken over mannetjes, want die zijn voor een zekere determinatie nodig. De sprongen die ze maken zijn gemakkelijk 20 cm. Het kevertje is gemiddeld zo'n 4 mm groot en springt dus meer dan 50 keer zijn eigen lichaamslengte ver. De mannetjes zijn iets kleiner dan de vrouwtjes.
Deze Teunisbloemaardvlo is al present op het moment dat de plant nog slechts een wortelrozet is na de winter. Deze foto van imago's is gemaakt op 19 maart 2011 op de waardplant, dus vroeg in het jaar. Er zaten er meer dan 50 bij elkaar. Later worden deze kevers en hun larven gegeten door de prachtige nimfen en imago's van de wants Zicrona caerulea, zie verder bij de wantsen. Het blad van de waardplant wordt door de aanwezigheid van de kevers vrij sterk beschadigd, maar de bloemstengel laten ze met rust.
Deze kevers hebben dikke achterdijen die ze in staat stellen die enorme sprongen te maken. Met het fotograferen moet je wat geluk hebben, want ze springen vlug weg bij verstoring van de plek waar ze zitten. Hier zijn nog enkele foto's van 2010 van dit kleine kevertje: foto 3, foto 4, foto 5.
Enkele kleinere soorten aardvlooien zitten graag op Look-zonder-look. Die planten laat ik speciaal hier en daar in mijn tuin staan, omdat er zeer veel soorten insecten op afkomen: veel kevers, maar bijvoorbeeld ook het Oranjetipje (vlinder). Deze kevers kunnen enorme sprongen maken, tot wel 30 cm om aan predatie te ontkomen. Het maakt ook het fotograferen niet gemakkelijker. De kevertjes waren talrijk en voor determinatie heb ik er een stuk of 10 gevangen. Het bleken 2 soorten te zijn, die dr. Oscar Vorst voor mij op soortnaam bracht. Het verschil zit bijv. in de kleur van de poten en de tekening op de dekschilden. Ze zijn gemiddeld ongeveer 2,5 mm lang, sommige wat kleiner, andere wat groter.
De ene soort betrof Phyllotreta ochripes, waarvan hier nog wat extra foto's: foto 2, foto 3, foto 4.
De andere soort (met donkere poten) is Phyllotreta undulata, waarvan hier enkele foto's: foto 1, foto 2.
Nieuwe inzichten geven wetenschappers dikwijls aanleiding om namen van soorten te wijzigen of groepen anders in te delen. De Apionidae (Spitsmuisjes) behoren niet tot de familie Curculionidae (Echte snuitkevers), maar zijn een aparte familie van de Coleoptera. De Spitsmuisjes zien er wel snuitkeverachtig uit.
Dit mooie kleine kevertje heeft een gouden glans op de dekschilden en is daar dan ook naar genoemd: Apion aeneum. Ik vond het op brandnetel, maar het diertje legt de eitjes op Malvaceën (Kaasjeskruidachtigen), waarop de larven zich voeden.
Tot de familie van de spitsmuisjes behoort ook een alleraardigst zwart kevertje (2,2 mm) met oranje-achtige poten. Dat is de Protapion fulvipes. Dit exemplaar vond ik op verse planten van Look-zonder-look. Daarop komen zeer veel verschillende soorten kevers en andere insecten voor.
Op Malvaceën in mijn tuin komt de Oxystoma cerdo (Apionidae) voor en wel op stokrozen, waarop ze vrij talrijk kunnen zijn. Ze zijn maar klein (ruim 2 mm), maar schitterend om te zien. Bij die geringe grootte is een beeldvullende foto maken wat lastiger, maar dat geldt voor meer soorten. Hier is deze kever opvliegend te zien, waarbij opmerkelijk is hoe groot de uitgespreide vleugels zijn die eerder opgevouwen verborgen waren onder de dekschilden (elytra).
Andere soorten zijn op de stokrozen wat talrijker, bijv. Aspidapion radiolus en die kan je dikwijls ook parend aantreffen. Hier is nog een foto van een ander stelletje op de stengel van een stokroos.
Deze Wegdistelspitsmuis (Ceratapion onopordi) behoort ook tot de Apionidae. Het is een mooi klein kevertje dat diverse distelsoorten als waardplant heeft. Het is genoemd naar de Wegdistel (Onopordon acanthium), waarop het ook voorkomt. Opvallend bij deze kever is het vrij grof gepuncteerde halsschild.
De kaasjeskruidachtigen zijn zeer in trek bij diverse soorten insecten. Ook deze Malvapion malvae (Apionidae) leeft op die planten. Het is een klein kevertje (2 mm), dat de enige soort is van het geslacht Malvapion in Nederland. Verwarring met andere soorten is dus niet zo gauw aan de orde. Hoewel ze aantrekkelijk gekleurd zijn, vallen ze toch niet erg op. Dat komt natuurlijk ook door de geringe grootte. Ik zag ze bij mij in de tuin ook op Muskuskaasjeskruid.
Dit prachtige kevertje (2 mm) is helaas nogal schadelijk. Het is de zeer algemene aardbeibloesemkever (Anthonomus rubi), die wel wat lijkt op de vorige soorten, maar de snuit is duidelijk langer en slanker. Ze behoren tot de 'echte' snuitkevers. Deze kevers leven vooral op aarbeiplanten en bramen. De aarbeiplanten kunnen er flink van te lijden hebben. De top van de snuit, waarmee sappen gezogen worden, is rood gekleurd. Daar heeft het beestje waarschijnlijk de naam (rubi) aan te danken. Aan de top van de schenen hebben ze plukjes gele haren, die op deze foto goed zichtbaar zijn.
Een snuitkever die ook op fruitbomen leeft is de appelbloesemkever (Athonomus pomorum). Deze kever heeft één generatie per jaar en dat is logisch want ze zijn voor de voortplanting gebonden aan appelbloesem. Ze overwinteren als imago in spleten, achter schors e.d. In het voorjaar worden ze actief. Ze paren en de vrouwtjes leggen hun eitjes in bloemknoppen. Ze hebben een legbuisje om in de knop te geraken. Het larfje dat daaruit komt blijft in de bloemknop en vreet de stamper, stuifmeeldraden en de rest van de binnenkant op. De bloem ontwikkelt zich wel verder, maar gaat niet open en wordt uiteindelijk bruin. De fruitelers noemen dit 'kappertjes'. De bloem kan uiteraard geen vrucht voortbrengen. Het larfje verpopt daarin en is tevens beschermd voor bespuitingen want het bloempje blijft dicht. De ontwikkeling van ei tot imago duurt ongeveer 60 dagen. Als volwassen kever zuigen de dieren ook sappen uit bladstelen en andere meer weke delen van de appelboom. In het voorjaar zuigen de kevers sappen uit de eerste bladaanzetten om op krachten te komen en zo herhaalt zich de cyclus. In april 2011 verzamelde ik veel kappertjes van appelbloesem. In mei kwamen er vele tientallen kevers uit tevoorschijn. De mannetjes zijn te herkennen aan de iets kortere en dikkere snuit, waarop de antennens iets meer naar de voorkant zijn geplaatst. De snuit van mannetjs is merendeels dof; die van vrouwtjes meer glimmend. Hier zijn daarvan wat foto's.:
foto 4, foto 5, foto 6, foto 7, foto 8.
De gewone luzernekever (Hypera postica) schijnt hier en daar een plaag te zijn. Het geslacht Hypera behoort tot de familie van de Echte snuitkevers (Curculionidae). Het genus Hypera omvat in Nederland 16 soorten. In Amerika is het dier ooit terechtgekomen vanuit Zuid-Europa en daar zouden ze erg schadelijk zijn. In Zeeland wordt veel luzerne geteeld om te worden gedroogd en verwerkt tot veevoeder. Ik heb nooit gezien of gehoord dat het hier een erg schadelijk insect is. Je ziet ze ook nauwelijks, maar dat komt misschien ook door de grootte (5 mm) en de redelijke schutkleur. De donkere middenbaan op halsschild en elytra is meestal wat dieper van kleur dan op deze foto. Wat het dier in mijn tuin te zoeken had weet ik niet. Het was al oktober en dan zijn de meeste erwtensoorten die wellicht ook geschikt voedsel kunnen zijn, al merendeels verdord. Dat zijn bijvoorbeeld peultjes, capucijners en Lathyrus. Misschien nemen ze ook de lagere klaversoorten voor lief. Zie voor meer informatie over deze kever bijvoorbeeld deze website.
Als de waardplant een lastige naam heeft is het niet zo handig om een daarbij behorend kevertje er naar te noemen. Deze Ceutorhynchus alliariae (2 mm) zou in het Nederlands Look-zonder-look-snuitkever moeten heten, maar een Ned. naam hebben ze niet. Het zijn insecten die tot het geslacht van de boorsnuitkevers horen. Ze leven op Look-zonder-look (Alliaria officinalis) en zuigen met de snuit sappen uit de stengels van deze planten. Look-zonder-look heb ik in mijn tuin speciaal gezaaid voor het Oranjetipje (vlinder) en die die zag ik er ook diverse keren op. De plant is dus ook aantrekkelijk voor veel andere insectensoorten. Je zou denken dat de snuitkevers de zuigsnuit niet verder in de stengel steken dan tot de plek waar de antennen beginnen. Die zitten bij deze snuitkever ongeveer halverwege de snuit. Bij het zuigen wordt echter de gehele snuit in de stengel gestoken inclusief het eerste segment van de antenne tot aan de 'knik'. Dat is hier te zien: foto 1, foto 2.
Op Look-zonder-look komen nog meer van dergelijke kevers voor, allemaal klein (2 mm) en ze lijken ook veel op elkaar. De Ceutorhynchus hirtulus heeft een meer metaalblauwe glans.
Bij de snuitkevers is de kop verlengd met een snuit-achtig deel. Dat deel kan zeer lang zijn, bijvoorbeeld bij de hazelnootboorder, waarbij de snuit bijna even lang is als het lichaam. Die gebruikt dat insect om mee te boren in de vruchten en er daarna een ei in te leggen. De voelsprieten zitten aan deze snuit vast, maar kunnen zowel aan het begin of einde van de snuit zitten, dan wel ergens er tussenin, afhankelijk van de soort.
Deze snuitkever (Larinus planus) zie ik ieder jaar in enkele exemplaren in mijn tuin op groot hoefblad, gewone klis, maar ook op andere planten. Het diertje is ongeveer 7 à 8 mm lang.
Deze lapsnuittor was in de provincie Zeeland voor 2006 nog niet waargenomen. Het is de vrij grote Otiorhynchus aurifer (det. door dr. Theodoor Heijerman). Deze soorten kevers worden als schadelijk gezien omdat zowel de larven als de volwassen kevers vitale delen van bepaalde planten opvreten. Een soortgenoot van deze snuitkever, de Gegroefde lapsnuittor (Otiorhynchus sulcatus), is in mijn omgeving zeer talrijk, gezien de grote hoeveelheden, die de Knoopwesp Cerceris arenaria weet te vangen voor haar broed, zie deze foto van de nestingang van de wesp. Kijk verder op de wespen-pagina. Deze kevers zijn dikwijls te vinden op uitgegroeide ligusterheesters. Ze worden ook wel taxuskevers genoemd. Kennelijk worden ze daarop ook waargenomen, maar ik zag ze er nooit op. Deze kevers planten zich ongeslachtelijk voort (parthenogenese). Ze hebben dus geen mannetjes nodig.
De Otiorhynchus aurifer lijkt veel op O. sulcatus, maar heeft een minder grof gepuncteerd halsschild en geen tanden onderaan de dijen
Hier zijn nog enkele foto's van O. sulcatus: foto 4, foto 5
Van de Phyllobius-soorten is dit wel een van de meest harige. De grondkleur van de schilden van deze Phyllobius betulinus is bijna zwart maar ze zijn bedekt met iriserend goudkleurige schubben en veel haar. Het geeft een prachtig effect. Gezien de naam zullen ze wel een sterke voorkeur hebben voor berken, maar die staan er in mijn directe omgeving niet veel: slechts enkele bij buren. Ze nemen kennelijk ook andere boomsoorten voor lief. Hier is nog een andere foto van deze schitterende snuitkever.
Als je in de tweede helft van mei natuurgebieden bezoekt, is de kans erg groot dat je zeer veel parende kevers ziet van deze soort: Phyllobius pomaceus (Ned.: groene bladsnuitkever). De Nederlandse naam is niet zo duidelijk, want er zijn veel snuitkevers die op blad zitten en groen zijn. Deze soort is zowel geelgroen als blauwgroen, wat bij deze parende exemplaren goed te zien is. De kleurschubben verliezen ze gemakkelijk en dan wordt de donkere kleur van de chitine daaronder zichtbaar. Zowel de imago's als de larven vind je op brandnetel. De larven zitten ook wel op moerasspirea.
Een verwante soort die iets groter (8 mm) is, is de grote bladsnuitkever (Phyllobius calcaratus). Ook deze kever is dikwijls te vinden op Grote brandnetel (Urtica dioica). Het zijn fraaie dieren. De Phyllobius-soorten hebben doorns onder alle dijen en op enkele van de foto's is dat te zien: foto 2, foto 3, foto 4.
Sommige kevers zijn in mijn tuin zeer algemeen aanwezig. Daarvan is deze snuitkever er een van. Ik heb er ook wel binnenshuis gevonden. De kevers hebben een lengte van ongeveer 6 à 7 mm. Het is de Polydrusus sericeus (Ned.: groene struiksnuitkever). Zowel mannetjes als vrouwtjes zijn schitterend iriserend groen gekleurd. De vrouwtjes zijn meestal wat lichter van kleur. Hier zijn beide seksen parend aangetroffen. Er is enig kleurveschil tussen de kevers van dit paartje. Het zijn leuke kevertjes en ik heb geprobeerd er ook wat (bijna) vliegende opnamen van te maken. Opvallend is dat de vleugels bijna 2 x zo lang en breed zijn als de schilden. De vleugels van kevers zitten op een bepaalde manier opgevouwen en worden pas geheel uitgespreid direct voorafgaand aan het vliegen.
Dit zijn de 'Ready for take off'- foto's: foto 3, foto 4.
Deze snuitkever mist de mooie iriserende kleuren van de Phyllobius, Polydrusus en soortgenoten. Dit is de bladrandkever (Sitona lineatus), die leeft op vlinderbloemigen. Deze twee zaten op een blad van tuinboon in mijn moestuin en ze waren niet de enige. De volwassen kevers vreten aan de randen van de bladeren. De larven zitten bij de wortels van de planten. Ze zijn ook bekend van diverse klaversoorten en kunnen voor grotere teelten wat schade geven. Hier is nog een foto van een ander exemplaar, waarvan de bovenkant wat beter te zien is en hier zijn nog wat aanvullende foto's uit 2010: foto 1; foto 2; foto 3.
Een andere bladrandkever die er op lijkt is de Sitona cylindricollis. Deze is echter veel vlekkeriger op de schilden. Het zijn lastige dieren om op naam te brengen en hulp van experts is dan zeer welkom.
De Sitona suturalis heeft weer minder vlekken dan de vorige, maar de strepen lijken veel op die van S. lineatus. Hier zijn nog 2 foto's van deze S. suturalis: foto 2; foto 3.
Een opvallend slanke snuitkever is deze vrij kleine smalle schorssnuitkever (Cossonus linearis), een leuk kevertje (5 mm), dat zich af en toe in mijn tuin laat zien in het voorjaar. Dit exemplaar loopt op de muur van mijn huis. Daarop is dikwijls veel te zien, waarschijnlijk omdat het een Zuid-muur is, die warmte biedt. Hier is nog een foto van een ander exemplaar (juni 2010).
Ook deze veel kleinere (2,5 mm) Rhynchaenus testaceus liet zich op de huismuur zien. Het is een snuitkevertje dat enorme sprongen kan maken, op de wijze van aardvlooien.
Een opmerkelijk kevertje was in april 2007 deze uiensnuitkever (Oprohinus suturalis), die zoals veel insecten op de muur van mijn huis liep. Enkele dagen later zagen we nog een ander exemplaar van deze soort. Ik weet zeker dat het een tweede exemplaar was, want ik heb van beide kevers foto´s en die verschillen in kleine details. Het bijzondere van deze kleine snuitkever (2,5 mm) is, dat deze voor het laatst in Zeeland was waargenomen in 1966. Dat was dus een leuke ontdekking. Hier is nog een foto van deze zeldzame snuitkever, die vroeger een plaag was in de uienteelt, maar nu bijna niet meer gezien wordt. De determinatie geschiedde door dr. Theodoor Heijerman.
De lissnuitkever (Mononychus punctumalbum) wordt ook wel Lisboorder genoemd. Ze zuigen sappen uit de Gele lis (Iris pseudacorus), maar misschien ook wel van gekweekte andere Irissoorten, waarvan er veel zijn met allerlei kleuren. Enige schade heb ik niet kunnen bespeuren. De kever is 4,6 mm lang en opvallend is de witte vlek in het midden van de dekschilden. De soortnaam van de kever is daarvan afgeleid. Het zijn redelijk trage dieren en als je er een wilt pakken laten ze zich vallen en houden ze zich voor 'dood'. Hier zijn nog wat aanvullende foto's van deze fraaie snuitkever:
foto 2; foto 3; foto 4.
De schadelijkheid van bepaalde kevers valt meestal erg mee, omdat veel soorten van cultuurgewassen, zoals uien en bieten, jarenlang zijn bestreden. Je moet dan geluk hebben er een tegen te komen. Deze grote bietensnuitkever (Barynotus obscurus) zat begin mei 2009 in mijn bloementuin. Bieten staan er nauwelijks in mijn tuin, alleen wat rode bieten (kroten) in de moestuin, maar daar zag ik nooit schade. In de bloementuin heb ik zover ik weet geen Beta-soorten, dus wat het dier er deed weet ik niet. In mijn omgeving worden door landbouwers wel regelmatig suikerbieten geteeld en misschien is het dier daarvan afkomstig.
Het is een prachtige grote snuitkever. Dit exemplaar was 11,2 mm lang. Ze bewegen traag en blijven gewoon zitten en dat is voor een insectenfotograaf een verademing, want de meeste soorten willen meestal snel weglopen. Hier zijn nog enkele foto's waarop de kop meer in detail te zien is: foto 2; foto 3; foto 4.
De kleine (2,6 mm) snuitkever Curculio crux heeft een opvallend kruis op de dekschilden. Ze vallen daardoor direct op, ook al zijn ze erg klein. De onderzijde is licht oranje-zalmkleurig. Deze snuitkevers leggen hun eitjes in de gallen op wilgenblad. Deze gallen worden door een galwesp veroorzaakt en de kever maakt er gebruik van door er haar eitje in te deponeren. De larve van de kever eet de inhoud van de gal. De boonvormige gallen zijn dikwijl zeer massaal aanwezig, zo ook op een grote schietwilg (Salix alba) die in een hoek van mijn tuin staat. De naam van deze gal is Wilgenboontje of Rode boongal (galwesp: Pontania proxima).
Op 18 maart 2009 zat deze kleine snuitkever op mijn schuurdeur. Het is de brandnetelboorder (Parethelcus pollinarius) en die zou je eigenlijk wat later verwachten, want op dat tijdstip van het seizoen staan de brandnetels nog nauwelijks boven de grond. Het is een fraai kevertje van 3,5 mm lengte, dat zich niet gemakkelijk laat fotograferen. Zodra je in de buurt komt met de lens houden ze zich voor dood. Dat is kennelijk hun overlevingsstrategie. Ze leven op brandnetel en zuigen daarvan sappen. Hier zijn nog wat aanvullende foto's van deze snuitkever, de foto's 6 en 7 dateren van 2010:
foto 2; foto 3; foto 4; foto 5; foto 6; foto 7.
De kersenpitkever (Furcipus rectirostris) is een snuitkever van ongeveer 4,5 mm die haar eitjes legt op onrijpe kersen. De larfjes die daaruit komen vreten zich naar binnen tot in de dan nog wat weke pit. Dat is hun voedsel. Er is uiteraard maar 1 generatie per jaar, omdat ook de kersen slechts eenmaal vruchten geven. Erg talrijk zijn ze bij mij niet, want ik zag er pas 1 exemplaar van in mei 2010. Mijn kersenboom stond er toen al tientallen jaren. Hier zijn nog enkele extra foto's van deze kever, die opvallende doorns aan de dijen heeft:
foto 2, foto 3, foto 4, foto 5.
Ook deze snuitkever Magdalis cerasi zou op fruitbomen (appels en peren) leven. Ook worden ze wel gevonden op dood eikenhout. In dat hout leven dan de larven. Het is een mooie diepzwarte kever van krap 4 mm lengte. Ze hebben een relatief korte brede snuit. Op de achterzijde van het lichaam is een randje witte beharing te zien van het achterlijf.
In een moerasgedeelte van mijn tuinvijver staat een pol katenstaart. Veel is het niet, maar ruim genoeg voor vele tientallen dwerg-kattenstaartsnuitkevers (Nanophyes marmoratus). Ze zijn erg klein met 2 mm lengte en dan is het zelfs met geavanceerde fotoapparatuur moeilijk om er goede foto's van te maken. Als er erg veel kevers zijn op weinig planten, zoals bij mij, zie je er wel veel schade van en is de bloei minder. Ook veel blad is dan beschadigd.
In het natuurgebied 'de Kaloot' te Borssele onder de rook van de kerncentrale, trof ik deze grote (17 mm) snuitkever Cleonis pigra aan. Het zijn prachtige dieren, die traag bewegen. Voor een fotograaf is dat een voordeel, want ze poseren gemakkelijk. Op de foto zag ik pas thuis dat dit dier het laatste deel van de linker middelpoot mist, maar het leek er geen last van te hebben. Ze komen algemeen voor in de kuststrook van de duinen. Op deze foto is de kever in zijn geheel te zien. Op dezelfde dag zag ik op de Kaloot ook diverse exemplaren van deze geheel zwarte snuitkever Otiorhynchus atroapterus.
In een Belgisch natuurgebied in de omgeving van Turnhout (Be) zag ik deze kevers op een Helmkruidsoort. Daarop leven ze, zoals zeer veel soorten slechts aan een soort plant of plantengroep gebonden zijn. Ze zijn soms afhankelijk van elkaar of het is eenrichtingsverkeer, waarbij de ene soort wel zonder de ander kan bestaan maar andersom niet. Het is de Cionus hortulanus, een kleinere snuitkever van ongeveer 4 mm. Ze hebben een opvallende vlekkentekening op het lijf met 2 grote ronde zwarte vlekken op de binnenrand van de dekschilden, 1 aan de voorkant en 1 aan de achterkant. Cionus is in Nederland een geslacht met 7 soorten, waarvan enkele zeer veel op elkaar lijken.
Van het genus Dorytomus komen enkele soorten voor in mijn tuin. Het zijn gemiddeld iets grotere snuitkevers, zo'n 6-8 mm. Bij de mannetjes van deze soorten is de aanhechting van de antenne op de snuit dikwijls iets meer aan de voorkant. De snuitkever van deze foto heeft een Ned. naam die een goed scrabblewoord is om punten mee te scoren: langsprietpopulierensnuitkever (Dorytomus longimanus). Ze hebben inderdaad vrij lange antennen, maar zo te zien niet echt veel langer dan die van de volgende soort. De wetenschappelijke naam duidt op de lengte van de voorpoten (longimanus; manus is 'hand') en zal hier dus bedoeld zijn voor de vrij lange tarsen en voetjes (het laatste deel van de poot). Op deze foto zijn die lange voorpoten goed te zien. Gezien de stand van de antennen is dit vermoedelijk een mannetje. Deze snuitkevers leven graag op populier, maar nemen ook wilg voor lief.
Deze Dorytomus filirostris heeft zo ver ik weet geen Nederlandse naam. De wetenschappelijke naam wijst mogelijk op het gedrag van dit dier bij gevaar. Dan laten ze zich vallen en houden zich 'voor dood'. Dat kan wel eens de redding zijn misschien, maar weggvliegen lijkt me handiger doch dat is kennelijk moeilijker of kost te veel tijd om te starten. Ook dit exemplaar heeft vrij lange sprieten, die bijna op het eind van de snuit staan ingeplant. Het zal daarom een mannetje zijn, want bij de vrouwtjes staan ze bijna halverwege. Van deze soort leven zowel de larven als imago's op enkele soorten populieren, evenals de vorige kever.
Bij toeval zag ik deze snuitkever op dezelfde dag als die van de vorige. Bovendien lijken ze op elkaar en zijn met ongeveer 8 mm lengte ook even groot. Dr. Th. Heijerman gaf me de juiste namen, waarvoor dank. Deze Dorytomus tremulae leeft ook op diverse populierensoorten, waaronder Populus tremula (Ned.: Ratelpopulier). Daaraan zal deze snuitkever de naam wel te danken hebben.
De gewone populierensnuitkever (Dorytomus tortrix) leeft evenals enkele vorige soorten op populier en wilg. Het is een iets kleinere soort. Ze zijn ongeveer 5 mm lang. Hier zijn nog wat extra foto's van deze snuitkever: foto 2; foto 3; foto 4; foto 5; foto 6.
In 2007 deed ik een bijzondere vondst in mijn tuin. In de keuken liep een kleine groene snuitkever (5-6 mm) op de muur, die ik niet herkende. Ik plaatste een foto ervan op het Waarnemingsforum om de naam te weten te komen.Na enige tijd kreeg ik bericht van dr. Th. Heijerman dat het de cipressnuitkever (Pachyrhinus lethierryi) betrof, een soort van een nieuw genus voor Nederland. De soort was in 2003 voor het eerst ook in Zuid-Engeland waargenomen. Gezien het ruime aantal in mijn omgeving zal de kever zeker ook in 2006 aanwezig zijn geweest, zonder dat het opviel.
Veel soorten insecten verschuiven in Noordelijke richting door de opwarming van het klimaat. Misschien is dat bij deze ook het geval. Toch lijkt de verspreiding via de handel in coniferen ook een reële mogelijkheid. Import uit Zuidelijker streken brengt gemakkelijk ook insecten mee die erop leven. Deze kever leeft in Nederland merendeels op de Leylandi-cipres. Bij nader onderzoek konden in mijn tuin tientallen exemplaren van de struiken worden geklopt. Ook in de wat wijdere omtrek leverde enig onderzoek een grote hoeveelheid kevers op. Zeldzaam zijn ze dus bij mij niet, maar toen nog wel even in de rest van Nederland, maar lang zal het vermoedelijk niet geduurd hebben. Het zal interessant zijn de opmars te volgen.
Deze snuitkever heeft een typische vorm en 2 ondervormen: lostiae en lateralis. In mijn tuin komt de typische vorm en de variëteit lostiae voor. De var. lostiae heeft koperkleurige schubben op de dijen en het halsschild. De var. lateralis heeft ook op de elytra koperkleurige zijkanten en die zal er ook wel zijn, maar ik heb er nog niet gericht naar gezocht. Bij afkloppen van de bomen vielen er ook enkele zeer jonge kevers, die nog in het bezit waren van de zg. valse kaken. Die vallen na korte tijd af.
In 2008 heb ik er niet veel aandacht aan besteed, want ik was druk bezig met andere insecten. Ik heb nog wel deze serie foto's gemaakt van een exemplaar van de var. lostiae, waaronder ook opvliegend, zodat de vleugels en het abdomen onder de schilden zichtbaar zijn:
foto 1;
foto 2;
foto 3;
foto 4.
De bruine aardsnuittor (Barypeithes pellucidus) is opvallend harig. De snuit is maar kort. Deze snuitkevers leven van blad in de lagere regionen van bomen, heesters en planten. Ze zijn polyfaag, dus een sterke voorkeur voor één soort hebben ze niet. Men zag ze in bossen vooral op eik, prunus, esdoorn, iep en astersoorten. Deze zat bij mij in de tuin. Van de genoemde bomen staan er alleen prunus en esdoorn.
Bij mij in de buurt liep op 22 mei 2004 op een weg een knoert van een kever. Die is dus maar even gered en op de foto gezet. Dat viel nog niet mee, want het dier wilde alleen maar weg en had sterke poten met vervaarlijke dubbele sporen. Het was een exemplaar van de grote spinnende watertor (Hydrophilus piceus). Het dier was 47 mm lang als de kop uitgestrekt was. Een zeer grote kever dus voor onze contreien. Ze schijnen minder voor te komen dan vroeger het geval was. De onderkant is eigenlijk het leukst: ze hebben een soort kiel die op een sterke punt uitloopt. Een ander opmerkelijk deel van het uiterlijk is de kop met alle uitsteeksels. De palpen zijn zeer lang en fungeren als een soort extra stel antennen en onder water als snorkels. De eigenlijke antennen zijn kort met een knotsvormig eind. Ze hebben sterke poten en laten zich niet gemakkelijk vasthouden. Door de gladde dekschilden en zijkanten wurmen ze zich gemakkelijk los, gebruik makend van de scherpe sporen aan de poten die een goed houvast bieden. De mannetjes (foto: mei 2009) hebben plaatvormige uitgroeisels aan de voortarsen, die vermoedelijk helpen bij het vasthouden van het vrouwtje bij de paring. De volwassen kevers kunnen goed vliegen, maar meestal doen ze geen poging om op die wijze weg te komen als je ze vasthoudt. Voor de eitjes maakt het vrouwtje een drijvende cocon. Als ze uitkomen gaan de larven direct in het water op zoek naar (dierlijk) voedsel. Dat zal in het begin slechts klein zijn.
De volwassen kevers eten merendeels waterplanten. De larven van deze kevers zijn zeer vraatzuchtig en eten alleen dierlijk voedsel zoals slakken, larven van kikkers, vissen en andere insecten, die ze met de sterke kaken grijpen. De larve van de foto's was aanwezig in mijn tuinvijver. Deze had een lengte van ruim 7 cm, maar was vermoedelijk nog niet geheel uitgegroeid.
De geelgerande waterkever (Dytiscus marginalis), ook wel gewone geelrand genoemd, is algemeen in vijvers, plassen en sloten. Zowel de volwassen kevers als de larven zijn enorm roofzuchtig en ze schromen niet om veel grotere prooien als vissen en kikkers aan te vallen. Daartoe zijn ze uitgerust met sterke kaken. Ze kunnen vrij groot zijn. Het exemplaar van de foto was 35 mm lang, maar veel groter is mogelijk tot maximaal 60 mm. De kaken van de larven zijn hol en daarmee injecteren ze de prooien met een verteringsmiddel, waarna deze worden leeggezogen. Hier is een close-up-foto van de kop te zien, waarbij ook de knobbelachtig verdikte tars van de voorpoot goed is te zien. Die knobbel heeft alleen het mannetje en bevat zuignapjes, die dienst doen bij de paring. De kever heeft daarmee een goed houvast op het gladde halsschild van het vrouwtje. De buitenste kaakdelen zijn tangvormig rond en aan de binnenkant zijn de kaken een soort messen, die op elkaar sluiten. Deze kever zat in het net bij het opschonen van de vijver. Ik heb het dier in mijn hand gehouden voor de close-up en daarna weer teruggezet, want ze horen er nu eenmaal ook bij. Opvallend was dat deze kever een sterke onaangename geur verspreidde. Een bijzonderheid van deze soort is dat het kevers zijn die voor insecten zeer oud kunnen worden, tot maximaal 5 jaar.
Een kever die ook algemeen is in vijvers is de gegroefde haarwaterroofkever (Acilius sulcatus), die een vergelijkbare levenswijze heeft als de Gewone geelrand, maar wel een stuk kleiner is met een lengte van ongeveer 16 mm. Alleen de vrouwtjes hebben groeven in de dekschilden. De mannetjes hebben ook verdikte voortarsen, die een functie hebben bij de paring. Ook hebben zij een mooie tekening op kop en halsschild.
Een nog kleinere waterroofkever (11 mm) die zeer algemeen is in water met modderbodems (zoals tuinvijvers) is Rhantus suturalis met de Nederlandse naam: bepoederde waterroofkever. Deze kever eet allerlei dierlijk voedsel dat in het water voorkomt. Op bepaalde tijden van het jaar bestaat zijn menu hoofdzakelijk uit muggenlarven, want die eten ze graag. Ze zijn dus ook nog nuttig. Waterroofkevers die merendeels onder water leven, hebben luchtbellen nodig voor de zuurstofvoorziening. Af en toe komen ze dus naar boven voor een nieuwe voorraad lucht, die ze opslaan onder de dekschilden.
Een kevertje, dat ik in mijn tuin nooit eerder zag, zat in februaari 2009 aan de binnenkant van het raam van mijn keuken. Hoe het diertje daar kwam weet ik niet, maar misschien via kleding binnegekomen of via licht bij het 's avonds openen van de keukendeur. Het is een algemene waterkever van geringe afmeting. Ze zijn slechts 3 mm lang. Het is de weerschijnkever Helophorus brevipalpis, een fraai diertje met iriserende kleuren en een opvallend breed halsschild (pronontum). Vermoedelijk is het een bewoner van mijn vijver en de begroeide kanten. Deze kevers en hun larven eten dierlijk voedsel in de vorm van gevangen andere kleine insecten en hun larven of aas.
Op een blad van een een kruisdistel in mijn bloementuin liep deze mooie boktor. Het is de kleine wespenbok (Clytus arietis), die zijn naam dankt aan de wespachtige zwartgeel-tekening. Ook de onderkant is zwartgeel gestreept. Het gedrag lijkt wat op dat van een wesp, bijvoorbeeld de manier van lopen. De larven ontwikkelen zich in loofhout. Boktorren vliegen over het algemeen goed en veel, deze dus ook. Ze zijn ook herkenbaar aan de lange poten en antennen. Hier is een frontaal aanzicht van de kop te zien, waarbij de kaken en de tasters zichtbaar zijn. Dit is dezelfde kever in zijn geheel op een takje.
Deze Tetrops praeustus is een kleinere soort boktor. Hij meet ruim 5 mm. Opvallend aan het dier zijn de dicht behaarde schilden. Ook de rest van het lichaam is overigens behaard. Ze leven op diverse bomen en struiken, maar schijnen een zekere voorkeur te hebben voor pruimenbomen.
Dit is een andere boktor, die slechts een geringe afmeting heeft: ongeveer 4 mm zonder de lange behaarde antennen. Het is het getand mantelbaardbokje (Pogonocherus hispidus), dat bij mij in de tuin met enige regelmaat te zien is. Ze leven op allerlei bomen en struiken en kunnen goed vliegen. Opvallend zijn de dekschilden, die uitlopen in scherpe punten. Ook op het lichaam en de dekschilden zitten hier en daar scherpe uitsteeksels, zoals hier is te zien. Door de geringe grootte en de goede schutkleuren vallen ze niet erg op.
Hier is nog het gewone mantelbaardbokje (Pogonocherus hispidulus) te zien.
Een vele malen grotere boktor is de mooie distelbok (Agapanthes villosoviridescens) met zijn zeer lange sprieten. Deze heet naar de waardplant voor de larven. De kever maakt echter ook wel gebruik van andere kruiden. Het zijn dieren die uitstekend kunnen vliegen en zo bloemen bezoeken om te foerageren.
Deze boktor van ongeveer 6 mm lengte is de Grammoptera ruficornis. De kevers zijn in het voorjaar bij mij algemeen te vinden op diverse bloemen.
Er zijn meer kevers die zeer veel en goed kunnen vliegen. Deze boktor vliegt van bloem naar bloem als een hommel. Hij zit dan ook dik onder het stuifmeel. Het is de smalbok Corymbia fulva. De larven van deze kevers leven in hout, ook harshoudend dennenhout. De meeste boktorren hebben lange poten en sprieten. Bij mij in de tuin is deze smalbok talrijk. Ze bezoeken er graag kruisdistels. Hier vindt op een van die soorten bloemen (Eryngium giganteum 'Miss Wilmott's Ghost') een ontmoeting plaats met een andere kever, namelijk de kleine rode weekschild (Rhagonycha fulva). Ze zitten bij mij in de tuin ook graag op de alpenkruisdistel (Eryngium alpinum) en daarop kunnen ze zeer talrijk zijn. Je kunt ze op allerlei bloemen ook parend aantreffen. Het mannetje heeft een relatief zeer lange penis die meestal als een soort witte spiraal te zien is bij de paring.
In augustus 2008 vond ik een dood exemplaar in de tuin, dat nog redelijk vers was. Ik heb er een close-up van van de kop van gemaakt, die mooi diverse details laat zien.
Naast boktorren zijn er ook nog schijnboktorren. Ze lijken er dus op, maar zijn het niet. Het is een apart genus. De kever van bijgaande foto is niet gemakkelijk nader op naam te brengen. Dit exemplaar foerageert op margriet. Dat zijn composieten die erg aantrekkelijk zijn voor veel soorten insecten. Hier is er nog een plaatje van.
Veel kevers bezoeken bloemen om te foerageren. Daaronder zijn soms zeer mooie soorten zoals deze fraaie schijnboktor (Oedemera nobilis), waarvan ik een groepje van een stuk of 20 tegenkwam op boterbloemen in het natuurgebied Braakman-Noord in Zeeuws-Vlaanderen. Het is een plek waar ik graag af en toe eens kom, want door de vrij brede Westerschelde is de overstap van veel insecten naar noordelijker gebieden moeilijk. Ik zie er veel soorten, die in mijn omgeving (Walcheren en de Bevelanden) niet of nauwelijks voorkomen.
De mannetjes van deze schijnboktorren hebben opvallend bolle dijen. De vrouwtjes missen die verdikking geheel. Het zijn schitterende dieren, die blauwgroen, ook wel wat goudkleurig iriserend van kleur zijn. Bijzonder is ook dat de dekschilden naar achteren toe versmallen en de vliezige vleugels voor een deel tonen. De vrouwtjes hebben ook niet de vrij lange beharing op pronotum, thorax en achterpoten zoals de mannetjes van deze soort die hebben. Het is één van de onderscheidende kenmerken ten opzichte van andere Oedemera-soorten.
De larven van deze kever leven in de dode stengels van brem en distelsoorten.
In Nederland komen slechts 6 soorten zandloopkevers voor. Van de gehele wereld zijn ongeveer 2000 soorten bekend. Het zijn merendeels schitterend gekleurde insecten, waarvan de onderzijde prachtig metaalglanzend blauw is. Ook de bovenkant heeft wat iriserende kleuren. Deze kever zag ik op een pad in de duinen dichtbij mijn woonplaats Koudekerke en het betreft de basterdzandloopkever (Cicindela hybrida) die zich in enkele kleine details onderscheidt van een strand-soortgenoot, de strandzandloopkever (C. maritima). De strandzandloopkever heeft lange haren boven op de kop aan weerszijden van de ogen die de andere soort niet heeft of slechts korte haren. Ook de tekening van de middelste zigzagband op de schilden is bij de strandsoort hoekiger en meer naar achteren gericht.
De larven van zandloopkevers zijn nogal roofzuchtig. Ze leven evenals de imago's (volwassen insecten) van andere insecten en wachten die af in een loodrechte gang in het zand. Van daaruit grijpen ze voorbijkomende andere insecten. De volwassen kevers hebben zeer indrukwekkende bovenkaken (mandibels), dit exemplaar (op de Kaloot) met een drievoudige vertanding. Ze grijpen daarmee mieren en andere bodeminsecten. Onder de kaken zijn nog enkele tasters te zien. Deze kevers zijn zeer snelle lopers en uitstekende vliegers. Ze zijn ongeveer 15 mm lang. Ik zag ook een exemplaar dat de maaltijd nog maar net op had, want de resten steken nog uit zijn bek. Op deze laatste foto's zijn de schitterende kleuren van dit insect beter te zien door de vergroting en andere belichting.
Een niet zo opvallende loopkever is de gewone oeverloopkever (Elaphrus riparius). Ze vertoeven graag op zanderige licht begroeide kanten van oevers. Het zijn in het veld geen gemakkelijke fotografieobjecten, want ze lopen zeer snel, zitten dan even stil en nemen dan de volgende spurt. Ze lijken globaal gezien wat grijsgroen, maar als je in detail kijkt, blijkt het dier schittende kleurpatronen en -vlekken te bezitten. Ze zijn wat kleiner dan de zandloopkevers en meten gemiddeld 7 mm. Omstreeks juni-juli zijn ze het talrijkst. Het is ook een rover die andere insecten en hun larven vangt als voedsel. Een bijzonderheid is dat deze keversoort bij gevaar met de dekschilden kan striduleren (geluid maken).
Dit vrouwtje van de loopkever Nebria brevicollis is zwanger. Dat is goed te zien aan het dikke achterlijf, dat normaal door de schilden bedekt wordt. Nu steekt het wat uit. Ze zal binnenkort haar eitjes leggen. Het is uiteraard een normaal verschijnsel, maar toch zie ik vrouwtjes in die conditie niet zo dikwijls. Ook de in mijn tuin voorkomende muntbladhaan heb ik zo waargenomen, zie eerder op deze pagina.
Het geslacht Anchomenus kent maar 1 soort in Nederland en dat is deze Anchomenus dorsalis van gemiddeld 7 mm lengte. Het is een mooie kever met opvallende kleuren. De soort is algemeen in Nederland, vooral in tuinen. Het is dus een cultuurvolger. Ze overwinteren dikwijls in groepen onder stenen. Hier is deze fraaie kever vanaf de voorkant te zien.
De gewone streeploopkever (Pterostichus melanarius) mag dan wel 'gewoon' heten, het is een indrukwekkend dier. Ze zijn vrij groot, ongeveer 18 mm lengte en ze hebben mooie glanzend zwarte schilden met ribbels en groeven. Deze kevers hebben t.o.v. het halsschild een opvallend kleine kop. Ze kunnen zeer snel lopen en doen dat bijna steeds als je aandacht aan ze geeft. Voor een fotograaf dus een moeilijke soort, maar dit exemplaar bleef even zitten. Deze soort is geruime tijd geleden van naam veranderd en dat is soms lastig, want de oude naam kom je ook nog tegen. Vroeger heette deze P. vulgaris, wat beter past bij zijn Nederlandse naam. Ze komen voor in velden, weiden en langs wegen en kunnen overwinteren als imago, maar ook als larve.
Deze loopkever liep in maart 2009 bij mij in de huiskamer. Wat het dier daar te zoeken had weet ik niet. Vermoedelijk via een openstaande deur of via kleding binnengekomen. Het is de loopkever Loricera pilicornis, die vrij algemeen is. In de dekschilden zitten op 3 plekken kleine putjes. De antennen zijn opvallend voorzien van haarborstels. Samen met andere van dat soort haren onder de kop kunnen ze daarmee kleine prooien even gevangen houden voordat ze gedood worden. Het zijn echte rovers, die merendeels 's nachts actief zijn. Het is een kever van ruim 8 mm lengte.
Op een wandeling in het natuurgebied Braakman-Noord nabij Terneuzen kwam ik de loopkever Poecilus cupreus tegen. Ik was eigenlijk op zoek naar solitaire bijen. Het was nog maar half maart en redelijk fris, maar deze kever was al actief. Het dier is heel mooi bordeauxrood van kleur, met een beetje groene weeerschijn. De eerste 2 antenneleden zijn rood gekleurd; de rest is zwart. Het halsschild en de kop zijn fijn gepuncteerd. Aan de kaken is te zien dat het een rover is die wel wat andere insecten lust.
Een fraaie loopkever van 10,5 lengte is deze Harpalus affinis die zich in april 2009 in mijn tuin liet zien. Het dier valt op door de ballonvormige dijen van alle poten. Deze soort is nogal variabel in kleur en kan ook merendeels zwart zijn. Het zijn predatoren van andere insecten en bodembewoners. Hier is het dier vanuit een iets andere hoek te zien. Gezien het iets van onder de dekschilden uitstekende achterlijf is het vermoedelijk een zwanger vrouwtje.
Een loopkever met een bijzondere vorm is bietengraafkever (Clivina fossor). Het zijn geen grote kevers. Dit exemplaar was 6,6 mm lang. Het beestje heeft een duidelijke taille en haken op de voorschenen. De voorpoten zijn dus duidelijk instrumenten om mee te graven. In bietenteelt graven ze bij de jonge plantjes op zoek naar prooidieren. De bietenplantjes kunnen daardoor wat schade oplopen, doch deze kever is bijna steeds in geringe aantallen aanwezig en schade blijft dus zeer beperkt. Of ze dus echt schadelijk zijn is te betwijfelen, want het zijn predatoren van andere insecten of hun larven. Dan kunnen ze dus ook nuttig zijn. Ze overwinteren als volwassen insect.
De gewone glansloopkever (Amara plebeja) is algemeen en komt in heel Nederland voor. Dit is het mannetje van die soort en het dier is 8 mm lang. Dat het een mannetje is blijkt bij loopkevers ook dikwijls uit de verbrede voortarsen. Dat zal met de paring te maken hebben. Deze soort heeft zwarte dijen en roodbruine schenen. De meeste loopkevers zijn rovers, maar enkele soorten eten ook plantaardig voedsel.
Het geslacht Demetrias heeft in onze streken maar 3 vertegenwoordigers, waarvan Demetrias atricapillus er één van is. Het is een loopkevertje van 5 mm lengte. Toen ik eind november 2010 wat planten uit een tuinkas binnen had gehaald vanwege de vorstkansen, zat er nadien zo'n kevertje op de binnenkant van een huiskamerraam. Die was zeer vemoedelijk met de planten meegekomen. Na een paar foto's heb ik het beestje weer buiten gezet. Het fotograferen van deze kevers is lastig want het zijn echte lopers en de meeste foto's blijken dan niet voldoende scherp te zijn.
Deze kevers hebben een roodbruin borststuk, een merendeels zwarte kop behalve de voorkant. Op de dekschilden is aan de voorzijde een soort zwarte driehoek te zien. Dit is een kleine soort en die zal dus vermoedelijk ook klein voedsel vangen, zoals springstaartjes en hun nimfen en andere kleine bodembewoners.
De snelkevers zijn relatief klein, met een brede kop en grote bolle ogen. Ze lopen zeer snel en als fotograaf moet je enig geluk hebben om een scherp plaatje te kunnen maken. Dit is de tweevlekkige snelkever (Notiophilus biguttatus), maar welke 2 vlekken in de naamgeving zijn bedoeld is mij niet geheel duidelijk. Het is een zeer algemene kever van allerlei biotopen, die leeft van dierlijk voedsel. Ze overwinteren als volwassen kevers. Het exemplaar van de foto is 5,5 mm lang en dat is ongeveer de gemiddelde lengte van deze soort.
Een fraaie andere soort van dit genus is Notiophilus substriatus, die er goudkleurig uitziet. Ze leven bij mij in de tuin tussen het grind van de oprijlaan.
Als de volwassen kevers rovers zijn, die andere insecten vangen als voedsel, kun je dat ook verwachten van de keverlarven. Veel larven zijn minstens zo roofzuchtig als de imago's, want zij moeten immers nog groeien en dat doe je als larve door veel te eten.
In mijn tuin vond ik een kleine (7 mm) keverlarve, die bij nader bekijken zeer goed ingericht was om dierlijk voedsel te vangen. In close-up blijkt het diertje enorme kaken te hebben. Het is de larve van een loopkever, waarschijnlijk van het genus Notiophilus, maar niet helemaal zeker omdat Leistus er veel op lijkt (info: dr Th. Heijerman).
De familie van de kniptorren (Elateridae) is zeer uitgebreid en individuele exemplaren zijn moeilijk op naam te brengen. Kniptorren zijn in staat om een knippende beweging te maken, waardoor ze hoog opspringen en weer op de buik neerkomen als ze in gevaar zijn of op de rug liggen. De larven zijn de bekende ritnaalden en koperwormen, die in de bodem leven. Hier is nog een andere soort uit mijn tuin. Het is een exemplaar van Agriotes obscurus (det. Frank Köhler). Ook deze kleinere (5,3 mm) Adrastus pallens (det. Th. Heijerman) komt uit mijn tuin.
Kniptorren kunnen naast de knipbeweging (die ook te horen is) ook gewoon vliegen. Deze Athous haemorrhoidalis licht hier de schilden op zodat de vliezige vleugels, die daaronder zitten, uitgespreid kunnen worden. Sommige soorten zijn wat saai gekleurd, zoals deze Agrypnus murinus, die wat grijs gevlekt is, maar daardoor ook minder opvalt.
Het is altijd leuk om soorten in je eigen omgeving te vinden die elders vrij schaars zijn. Dit is een mannetje Athous campyloides. Deze soort is bekend van Zeeland, maar is elders veel minder aanwezig. Het zijn schemerdieren en ze zijn dikwijls in kleine groepjes yr vinden. Waarschijnlijk leven de larven in de humuslaag van de bodem en mogelijk ook op wortels van planten. Met dank aan Jan Cuppen voor de determinatie.
Peterselie laat ik in mijn tuin doorschieten en bloeien in het volgende jaar. Het is een komen en gaan van allerlei insecten op de bloemen. Ik laat ze staan om steeds vers zaad te hebben en om de insecten wat te bieden. Zij geven mij een gemakkelijke gelegenheid om te fotograferen. Op de bloemen zit bij mij ook de leuke kleine gele bloemenkever (Cteniopus flavus). Het zijn grappige diertjes om te zien. Ze zijn steeds druk in de weer om stuifmeel en nectar te eten. Hier is nog zo'n kever (juli 2009).
De slakkenaaskever (Phosphuga atrata) is een prachtig dier met een vrij ver naar voren uitstekende kleine kop. Dat is functioneel, want deze soort eet veel huisjesslakken. Die bijten ze eerst, de slak trekt zich nog wel terug in de schelp, maar door toevoeging daarna van verteringssappen door de kever gaat de slak dood en kan het tot een brij vervormde slakkenlichaam worden opgenomen door de kever. Ze eten ook wel andere insecten, wormen e.d. maar toch merendeels slakken. Het exemplaar van de foto is 12,5 mm lang. Ze kunnen iets kleiner of groter zijn, dus dit is een gemiddelde maat. De kever heeft een mooi halfrond pronotum (halsschild) waarvan de randen iets doorschijnend zijn. De kleur is variabel. Soms zijn ze geheel zwart, maar ze kunnen dus ook bordeauxrood zijn, zoals deze.
Hier zijn nog wat extra foto's van deze kever: foto 3, foto 4.
Schorskevers (familie Scolitidae) leggen hun eites in de schors van bomen. De larven maken verdere vraatgangen. Sommige soorten worden sterk bestreden, zoals de iepenspintkevers (Scolytus sp.), die de iepziekte overbrengen. Ze gebruiken graag ziek of net dood hout voor hun broed. In het voorjaar zijn de kevers op zoek naar hun waardbomen. Ze vliegen dan massaal rond en gaan waarschijnlijk verder op de geur af. Opvallend was dat deze essenbastkever (Leperisinus fraxini) op wit wasgoed aan de waslijn landde en niet zo maar één, maar wel tien stuks. Het zijn fraai uitziende kevers van 3,7 mm lengte. Hier zijn er nog enkele foto's van: foto 2, foto 3.
Of deze soort elders in Europa ook de essenziekte (Chalara fraxinea) verspreidt weet ik niet, maar het zou me niet verbazen. Dat is een schimmelziekte van de boom gepaard met donkere kankervlekken op de bast, die de boom uiteindelijk doet sterven. Deze ziekte heeft in 2009 de grens van Nederland bereikt via Duitsland. De ziekte moet niet verward worden met de essenbastwoekerziekte (Pseudomonas syringae spp. savastanoi), die enorme woekeringen van de bast en een boom vol littekens laat zien, waardoor de boom ernstig verzwakt.
De verschillende schildpadtorren (Cassida) zijn moeilijk uit elkaar te houden. Ze hebben gemeen dat een schild over het lichaam ligt, waardoor je van de kever zelf niet veel te zien krijgt. Deze is waarschijnlijk de Cassida rubiginosa en zit jaarlijks (mei-juni) in mijn tuin op blad van de gewone klis. Het schild geeft een goede schutkleur. De larven van deze insecten hebben een soort vorkachtig uitsteeksel waarop zij restjes larvehuid en eigen uitscheidingsproducten verzamelen om zich te camoufleren.
Deze schildpadtor valt op door de 2 goudkleurige, bijna lichtgevende lengtebanden op de dekschilden. Als de kever dood is, schijnt de schittering van deze banden weg te zijn. Het is slechts een klein dier met zijn ongeveer 5 mm lengte, maar zeer opvallend door de prachtige lichte strepen. Dat is waarschijnlijk de reden van de naamgeving: Cassida nobilis.
Deze spekkever behoort tot een grote groep kevers. Ze zijn niet overal welkom. De groep omvat in de gehele wereld een paar honderd soorten en sommige zijn schadelijk, bijvoorbeeld de tapijtkever en de museumkever. De larven van die soorten kunnen veel vernielen. De meeste volwassen kevers van deze soorten eten alleen nectar en stuifmeel. Dit is vermoedelijk de Trogoderma glabrum. Ik weet niet waar de eitjes op worden afgezet, en wat de larven dus eten. Deze zag ik slechts in redelijke aantallen op bloeiende peterselie in mijn moestuin. Ze zijn vrij klein (3 mm) en vallen geheel in het niet als er een grote wapenvlieg (Stratiomys singularior) langskomt.
Dode insecten lokken museumkevers (Anthrenini) aan. Deze dieren zijn de plaag van iedere verzamelaar van insecten en andere dieren. Ze kunnen die collecties compleet vernielen en het is dan ook nodig om die plekken permanent te voorzien van mottenballen. Zelf heb ik daar geen last van want ik verzamel geen insecten, maar fotografeer ze alleen. Reglematig even invriezen helpt ook. De larven van de museumkever weten dood dierlijk materiaal goed te vinden, vreten aan de insectenresten en verpoppen er. De larve van de foto is nog vrij vers en slank. Die heb ik bij een droog dood insect in een potje gedaan en na 18 dagen was het beestje bolrond gevreten en klaar om te verpoppen. Ik bewaar wel eens een mooie dode vlinder of een larvehuid van een libel. Die zitten dan in een dekselpotje, dat niet helemaal goed sluit. Ik vond er een restant van op het achterlijf van een pijlstaartvinder waar de larve verpopt was. Ook vond ik in het potje een dode kever, vermoedelijk een Anthrenus museorum. De larve is wat slanker en kon kennelijk door de kier, maar de uitgekomen kever kon het potje niet verlaten en ging daar dood. De larven zijn erg klein (2 mm) en de volwassen kevers hebben ook een geringe afmeting: 2 - 3 mm. De foto's hier zijn dus zeer sterke vergrotingen. Hier is nog een foto van een exemplaar van een dergelijk kevertje met wat meer witte vlekken op de schilden en een meer contrastrijke tekening. Ook de poten en antennen zijn anders van kleur en vermoedelijk is dit Anthrenus verbasci. Met een verzamelnaam heten deze kevers ook wel tapijtkevers.
De tapijtkever Attagenus pellio is een stuk groter dan de vorige soort. Deze kever meet 5,9 mm. Het is een mannetje. De vrouwtjes hebben een anders gevormde antenne. Ze zouden net zo schadelijk zijn als de kleinere soorten. Dit exemplaar was al vroeg in het voorjaar (10 maart 2010) in mijn tuin aanwezig. Ze worden veel minder gezien dan de vorige soorten.
Dit zijn wat extra foto's van deze kever: foto 2, foto 3, foto 4.
Deze Bruchus rufimanus wordt ook wel tuinbonenkever genoemd. De kevers van de 'Bruchidae' zijn zaadkevers, die als schadelijk worden beschouwd. Er zijn zo'n 30 tot 40 soorten en ze zijn vooral actief bij planten die wat grotere zaden produceren, zoals die van erwten en bonen. Ik zag van deze soort verschillende exemplaren, zowel op tuinboonplanten als foeragerend op bloeiende peterselie. Voor de voortplanting gebruiken ze waarschijnlijk mijn tuinbonen, peultjes of capucijners, want daar zie ik soms enige schade. Hier zijn nog wat foto's (2010) van een exemplaar dat op mijn tuinbonen zat: foto 1; foto 2; foto 3; foto 4.
Veel insecten gebruiken voor de voortplanting een waardinsect, waarop ze parasiteren. Denk hierbij aan sluipwespen, koekoeksbijen en -wespen. Daarnaast zijn er zeer veel die commensaal en/of enigszins parasitair leven. Dit zwartspriethommelkevertje (Antherophagus nigricornis) plant zich voort in hommelnesten. Waarschijnlijk enigszins commensaal (dus als mee-eter), maar waarschijnlijk ook parasitair. De larven van de kever zouden naast stuifmeel ook broed en was van de hommels consumeren.
Voor het kevertje is het de kunst om een hommelnest te vinden. Andere insecten, zoals de hommelwasmot, doet dat op de geur van het hommelnest. Zij kunnen die zeer goed waarnemen. Deze kever heeft een andere taktiek. Het diertje klimt op een bloem waarop zij hommelbezoek verwacht. Ze zouden enige voorkeur hebben voor lipbloemen, maar ook op andere bloemen kun je ze aantreffen. Zodra een hommel op de bloem komt foerageren bijt de kever zich met haar sterke vertande kaken vast aan een poot of ander lichaamsdeel van de hommel. De hommel waardeert dit niet en probeert de aanklamper te verwijderen, maar dat lukt niet. Uiteindelijk zal de hommel terugvliegen naar het nest met de kever bij zich. Het kevertje wordt daarom ook wel 'liftkevertje' genoemd. Hier zijn nog wat aanvullende foto's van dit kevertje: foto 2;
foto 3;
foto 4.
Streepglanskevers zijn sterk glimmend en hebben op de dekschilden aan de binnenzijde enkele verdikte strepen lopen. Deze Olibrus corticalis zag ik in de duinen van Oranjezon op Boskruiskruid. De kevers zijn bekend van hun voorkeur voor dergelijke composieten. Het zijn kleine dieren van slechts gemiddeld 2,3 mm lengte en ze vallen dus niet zo op.
Hier zijn nog wat extra foto's van deze kevertjes: foto 2; foto 3; foto 4; foto 5; foto 6.
Een mooi gekleurde kever is de mierenkever (Thanasimus formicarius). De volwassen kevers jagen op kleine insecten en larven van schorskevers. De onderkant, die hier niet te zien is, heeft dezelfde bruinrode kleur als de thorax. Het dier meet ongeveer 10 mm. De larven van deze kevers leven in vermolmd hout en eten ook voornamelijk larven van schorskevers. Het dier wordt mierenkever genoemd, omdat de lichaamsbouw en de plaatsen van de poten er iets op lijken, maar verder hebben ze er geen relatie mee.
Deze kleine kever zie ik al gedurende enkele jaren op bodems van bijenkasten. Eerder heb ik er ook enkele gezien aan de binnenkant van het raam van mijn keuken en ze lijken dus niet sterk gebonden aan bijenkasten. Deze kleine kever (2,2 - 2,5 mm) is een exemplaar uit het geslacht Cryptophagus (familie Cryptophagidae, dwergschimmelkevers). Een kenmerk vormen de verdikkingen aan de punten van het pronotum (halsschild). Aan de zijkanten van het halsschild zit ook nog een doorn. De laatste 3 segmenten van de antennen zijn verbreed. Op de elytra (dekschilden) zit aan de zijde van het scutellum (schildje) een donkerkleurige (doorschijnende) driehoek. In Nederland zijn er ruim 80 soorten in diverse geslachten en hoewel deze algemeen lijkt voor te komen, is het een berucht moeilijke familie. De soortnaam is alleen met onderzoek van het mannelijk genitaal te bepalen. Het zijn dieren die graag in een vochtig, donker milieu verkeren. Ze leven van schimmels en hun sporen. Enkele soorten zijn bijvoorbeeld ook te vinden op paddestoelen en in de bovenste bodemlaag. Soms zijn ze ook binnenshuis actief als er voldaan wordt aan de gewenste leefomstandigheden. Dan kunnen er soms tientallen tegelijk worden waargenomen. Ze zijn niet schadelijk, maar vocht en schimmel zijn dat uiteraard meestal wel in een huis. Enkele soorten zijn bekend van hommel- en wespennesten, waar ze leven van schimmels en organisch afval.
Dit is de kever Cryptophagus uncinatus (syn.: C. postpositus), die bij mij in de tuin ondermeer leeft op de bodems van honingbijenkasten. Op grond van waarnemingen van de laatste 100 jaar is dit diertje uitermate schaars. In 1937 is 1 ex. voor het laatst gevangen; daarvoor in 1902 ook nog 1 exemplaar. In Zuid-Europa zijn ze algemeen en tot voor kort dus in Nederland zeer zeldzaam. Bij mij zijn ze echter momenteel zeer algemeen, want ik ving in december 2008 ruim 100 exemplaren voor onderzoek, determinatie en collecties (det. dr Oscar Vorst). De klimaatopwarming zal vermoedelijk een opschuiving van de soort in noordelijke richting hebben veroorzaakt. Last van de kou hebben ze geenszins, want op de eerste vangstdatum (12 dec. 2008) was het 1° C en ik zag veel larven en ook enkele zwangere vrouwtjes. Ze waren dus gewoon actief. Later in december heb ik er opnieuw gevangen toen het zelfs vroor. Ik verwijderde via de vliegopening dode bijen van de bodem. Daar was ijsvorming door condens en daartussen vond ik een 20-tal kevers die levend bleken te zijn. Ze zijn op de bijenkastbodems het meest actief in de winterperiode, als de bijen de bodem niet schoonhouden, waardoor schimmels meer kansen hebben op het substraat van wasmul en ander organisch afval. Een aantal larven heb ik uitgekweekt op een substraat afkomstig van een bijenkastbodem. Dat was succesvol, want ik kreeg 7 weken na de start meer dan 20 adulte kevers te zien in mijn kweekbakje. Op dat moment vond ik ook nog poppen (2 mm) van deze kever en die fotografeerde ik met dit resultaat: foto vanaf de zijkant; foto onderzijde; foto bovenzijde. Bij de laatste foto ligt er voor de pop nog een eitje. Mogelijk hebben de ontpopte kevers direct gepaard en zijn de vrouwtjes snel aan de leg gegaan.
Een verwante soort van dit genus is al langer bekend als bewoner van o.a. bijenkasten, maar bijv. ook van roofvogelnesten. Dat is Cryptophagus scanicus die in geringere aantallen ook bij mij aanwezig is. Deze C. scanicus is een fractie kleiner dan C. uncinatus (2,0 - 2,3 mm) en heeft merendeels donkere elytra, dikwijls met roodbruine vlekken op de voorhoeken. De verdikkingen op de voorpunten van het halsschild zijn wat meer afgevlakt. Ze leven op dezelfde wijze van schimmels en dergelijke. Ze kunnen zeer goed vliegen en hebben relatief grote vleugels: meer dan 2 maal zo lang en breed als de elytra waaronder ze opgevouwen zijn in rust.
In een monster van 30 kevers, waarvan ik veronderstelde dat het allemaal C. uncinatus waren, bleken 5 exemplaren een andere soort te zijn: Cryptophagus saginatus. Daarvan heb ik slechts weinig foto's, maar ik hoop er later nog eens wat meer te kunnen maken.
Over de Cryptophaguskevers en andere medebewoners in bijenkasten schreef ik begin 2010 een artikel in het Vlaams Imkersblad.
Er zijn nog meer keversoorten die vrij klein zijn en merendeels van schimmels leven. Het geslacht Cartodere (familie Latridiidae) omvat in Nederland slechts 3 soorten, waaronder deze Cartodere bifasciata. Deze is 2,1 mm lang en ook de andere Cardoderes hebben ongeveer die afmeting. Je ziet ze dus snel over het hoofd. Hier is het diertje vanaf de bovenkant te zien.
Een andere soort (Cartodere nodifer) komt bij mij ook voor op de bodems van bijenkasten in de winterperiode, als het wat vochtig is en er wat afval op de bodem ligt dat kan schimmelen.
Tot de familie van de Latridiidae behoren in nederland 10 geslachten met totaal 46 soorten. Het zijn allemaal kleine kevers, waarvan er vele van schimmels en afval leven. Ook de Cortinicara gibbosa (genus Cortinicara) behoort ertoe. Deze kevers zijn slechts 1,7 mm lang en een moeilijk fotografie-object. Ze zijn dikwijls wat roodbruin van kleur, maar ook donkerder exemplaren komen voor, zoals deze.
Veel kevers hebben glanzend gladde dekschilden. Deze ruigkever (Lagria hirta) heeft opvallend sterk behaarde rugschilden. Het is een middelgrote kever van ongeveer 7 à 8 mm lengte (zonder de antennen). Ze zijn te vinden op allerlei vegetatie. De larven leven in de hoogste bodemlaag, onder gevallen blad of andere plantenresten.
Door deze insectenwebsite krijg ik vrij veel vragen over insecten. Meestal gaat het om de naam, maar soms ook over hoe ze te bestrijden als duidelijk is wat het is. Bestrijdingsadviezen geef ik echter niet, al weet ik ook wel dat sommige soorten wel eens lastig kunnen zijn. Voor het merendeel valt het echter reuze mee.
In september 2008 kreeg ik een vraag van een inwoner van Borgloon (Be), die steeds kleine (2 mm) insecten in zijn huis had. Hij bewoont een huis, dat ook lemen wanden heeft, zoals die in vakwerkhuizen worden gemaakt. Ik kon het diertje niet direct thuisbrengen, ook omdat de bijgeleverde foto niet zo veel details vertoonde. Ik heb hem toen verzocht enkele exemplaren op te sturen. Toen het kevers bleken te zijn heb ik navraag bij keverexperts gedaan en dat leverde op dat het om zg. ronde diefkevers (gibbium psyloides) ging. De experts waren direct enthousiast, want die kom je in Nederland niet veel tegen. Ze wilden ze graag hebben voor hun verzameling.
Ze komen meestal plaatselijk talrijk voor en zijn meer hinderlijk dan schadelijk. De larven leven merendeels in organisch afval, ook in textiel. Het is heel goed mogelijk dat de lemen wanden van het huis voldoende voeding bieden aan de larven. Daar is immers allerlei organische stof zoals stro in verwerkt. Schade zullen ze nauwelijks geven, maar de hinder van de beestjes in huis is wel lastig.
Enkele van de soorten klopkevers (Anobiidae) zijn zeer schadelijk voor woningen, meubels, kunstwerken e.d. Dat betreft dan met name de grote en kleine klopkever en de bonte klopkever. We kennen ze beter als houtworm. Je ziet de schade pas als de kever verpopt is en de vraatgang verlaat. Dan is er ook meestal molm te zien, maar de schade is dan al aangebracht in de vrij lange tijd (enkele jaren) dat de larven in het hout gangen knagen. Ze hebben een voorkeur voor oud dood hout en de mens gebruikt dat nu eenmaal in ruime mate.
Deze klimopkever (Ochina ptinoides) behoort ook tot deze familie, maar is van een ander geslacht (genus). In mei-juni van ieder jaar zie ik deze kevertjes (3 mm) op het blad van klimop. Aangezien ik veel klimop heb, heb ik ook veel van deze kevers. Schade is er niet van te zien. Ik moet meer moeite doen om de klimop in toom te houden. Met wat moeite ben ik er in geslaagd een opvliegende klimopkever te fotograferen. Hier is nog een andere opvliegende klimopkever te zien.
Klopkevers heten zo, omdat ze met de kop en het halsschild kloppende bewegingen maken op het hout. Dat doen ze om elkaar (manetjes en vrouwtjes) te vinden voor de paring. Men heeft hier vroeger in bijgeloof de betekenis aan gegeven dat, als je dat waarnam, je niet lang meer zou leven. Ze werden dan ook wel doodskloppertjes genoemd, maar uiteraard geheel ten onrechte, want het heeft met de mens niets te maken.
Een andere soort die ook tot de klopkevers behoort is Hedobia imperialis. Het is een houtwormsoort, waarvan de larven gangen knagen in oud hout. In Nederland komen ruim 30 soorten klopkevers voor. Op de dekschilden heeft deze soort een fraaie tekening. Hier zijn nog enkele aanvullende foto's:
foto 2;
foto 3;
foto 4.
De kever Cyphon laevipennis behoort tot de Scirtidae (moerasvlokevers). Het beestje is 3,2 mm lang. Het zat bij mij binnenshuis op een vensterbank en is waarschijnlijk op kleding mee naar binnen gekomen. De meeste kevers die naar vlooien zijn genoemd kunnen goed springen en hebben dikwijls dikke achterdijen om die sprongen te kunnen maken. Bij deze zag ik dat niet zo nadrukkelijk. Op deze foto zijn de poten wat beter te zien. Deze soorten worden ook wel moerasweekschildkevers genoemd. Ze leven graag op moerasplanten als riet en lisdodde.
Als diervoeder voor vogels en reptielen worden veel meelwormen gekweekt. Ze leven van meel van diverse granen. Ik zie ze wel eens onder de voerbak van mijn kippen. Als je die larven voldoende tijd geeft om te verpoppen en volwassen insect te worden, krijg je de meeltor (Tenebrio molitor) te zien. Het zijn kevers met opvallend hoekige halschilden en zwarte dekschilden, waaronder oranje kleuren te zien zijn als ze vliegen. Dat kunnen ze goed en zo verspreiden ze zich. Deze vond ik in mijn bloementuin.
Deze frambozenkevers (Byturus tomentosus) hebben het hier gezellig met elkaar op een boterbloem. Het lijkt een soort paringsritueel waaraan veel exemplaren meedoen. De kevers zijn bekend van bramen en frambozen. De larven vreten de bloembodems aan, waardoor die misvormd worden. De volwassen kevers vreten ook aan blad en bloemen, maar lusten ook wel stuifmeel. Door de vraatschade is deze keversoort niet geliefd bij kwekers van klein fruit.
Een uitgebreide familie met diverse geslachten vormen de glanskevers (Nitidulidae). Ze worden ook wel bloemenkevers genoemd. Dit is de Glischrochilus quadrisignatus, zo genoemd naar de 4 vlekken op de dekschilden (elytra). In Nederland zijn er van dit geslacht 4 soorten, die allemaal een iets andere vlekkentekening hebben. Sommige glanskevers zitten op bloemen, andere foerageren op fruit. Deze soort vertoeft graag onder de schors van naaldbomen. Ze zonnen graag op de stammen. Ze zijn meer bekend uit het midden en oosten van Nederland en minder uit het noorden en alle kustprovincies. Deze was echter aanwezig bij mij in Zeeland. Een soort met rode vlekken is Glischrochilus hortensis, die ook in mijn tuin te vinden is.
Ook deze Epurea unicolor is een glanskever, maar dan van een ander genus. Ze zijn slechts 3 mm lang. De dekschilden hebben wat donkere vlekken. De schilden reiken niet tot het eind van het achterlijf. Opvallend bij deze soort is dat het eerste antennelid een bladvormige verbreding heeft. Waar deze vandaan kwam weet ik niet. Hij zat binnenhuis en is vermoedelijk op mijn kleren mee naar binnen gekomen.
Hier zijn nog enkele aanvullende foto's:
foto 2; foto 3; foto 4.
Glimwormen zijn intrigerende dieren. Bij de meeste soorten geven de vrouwtjes 's nachts lichtsignalen om mannetjes te lokken. Ze kunnen het lichaam laten opgloeien. Bij deze glimwormsoort (Phosphaenus hemipterus) is dat anders. Ook hier zijn de vrouwtjes merendeels 's nachts actief maar gloeien niet. Ze geven geurstoffen (feromonen) af om de mannetjes te lokken. Ze heten kortschildglimworm en dat is goed te begrijpen als je het dier ziet. De vrouwtjes hebben overigens een meer larveachtig uiterlijk. Het mannetje van deze foto's is 8,6 mm lang. Ik zou 's nachts in mijn tuin eens moeten zoeken naar een vrouwtje, maar dat is vermoedelijk nog niet zo gemakkelijk.
Terug naar HOME
Wantsen
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Overige vliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven