Hier is een koningin te zien van de Duitse wesp (Vespula germanica). De wespenkoninginnen beginnen in het voorjaar geheel alleen een nieuw nest. Pas nadat de eerste jonge werksterwespen zijn geboren krijgt de koningin hulp om het nest verder uit te breiden. Voor de nestbouw wordt hout en riet geknaagd en tot een soort pulp van papier-maché verwerkt. Het wordt voor het gehele nest gebruikt, ook voor de buitenwand. Die wordt in lagen aangebracht, zodat er een goede isolerende werking ontstaat. Hier is het begin van een wespennest (foto: C. Martens) te zien. De Gewone wesp de Duitse wesp zijn plooivleugelwespen. De vleugels worden in ruststand op een bepaalde manier in de lengterichting opgevouwen, waardoor ze minder breed zijn. Andere wespensoorten hebben gewone vleugels, zoals bijvoorbeeld de sluip-, blad-, goud- en graafwespen.
Deze wespenkoningin (Vespula germanica) kwam ik begin maart tegen bij het opruimen van een zolder. Ze is als soort goed herkenbaar aan de 3 zwarte vlekken op het kopschild (clypeus). Na het opwarmen begon ze zich direct te poetsen. Ze gebruikt de enorme kaken om de voorpoten te ontdoen van stof en draadjes. Op deze foto steekt ze de rechter voorpoot tussen de kaken en hier is te zien hoe ze er serieus werk van maakt om rommeltjes te verwijderen. Na afloop van de sessie bleef het lastige draadje aan haar kaken hangen. Ik heb de wesp een beetje suikeroplossing gevoerd en toen losgelaten. Ze moest alsnog een andere schuilplaats vinden, want voor deze wesp was het nog iets te vroeg in het jaar.
De werksters van wespen hebben meestal ongeveer dezelfde tekening op de kop en het achterlijf als de koningin. Er zijn echter zowel bij de Duitse wesp als de Gewone wesp veel variaties, waardoor het wat moeilijker is de soort te herkennen. Dikwijls is bij de Duitse wespen in mijn omgeving de hoogste zwarte stip op het kopschild geen losse stip meer maar een steeltje dat lijkt op de tekening van de gewone wesp. Duitse wespen hebben op de bovenzijde van het eerste achterlijfsegment (1e tergiet) meestal een smalle gesteelde zwarte pijl. Gewone wespen hebben echter dikwijls ook zo'n pijlvorm, maar dan platter en breder. Soms is het slechts een zwarte band die in een punt uitloopt. Hier zijn een paar voorbeelden, waarbij ik de voorkant kop en het achterlijf van dezelfde wesp in één foto heb staan:
werkster Duitse wesp 1, werkster Duitse wesp 2, werkster Duitse wesp 3, werkster Duitse wesp 4, werkster Gewone wesp.
Soms is er enige twijfel, maar dan geeft het achterlijf meestal wel uitkomst. Bij dit mannetje Duitse wesp is de tekening van het kopschild (clypeus) weer anders dan bij de werksters van die soort. Dit is een mannetje en de tekening lijkt wat op die van Vespula vulgaris, maar dan met vrij veel ontbrekend zwart. Als je van deze wesp het achterlijf bekijkt, blijkt het toch een Duitse te zijn. Bij deze werkster Duitse wesp heeft het kopschild slechts 1 zwarte stip. Ook dat is een variatie. Het dier heeft op de voorkant van de antenneschacht ook nog een geel streepje. Dat zie je meer bij mannetjes, zoals bij dit exemplaar, dat ik tussen mijn vingers houd om de tekening op het kopschild te laten zien. Uit deze foto's blijkt dat de kopschildtekening erg divers is en veel kan lijken op die van een mannetje Vespula vulgaris. Hier is nog een ander mannetje van de Gewone wesp, waarvan het achterlijf erg veel lijkt op dat van een Duitse wesp. De pijl op het eerste tergiet van het achterlijf is aan de smalle kant voor een V. vulgaris. Zowel de tekening op de clypeus als de tekening op het achterlijf zijn soms geen doorslggevende kenmerken. Als je er zeker van bent dat het een mannetje is, kun je ze zonder gevaar in de hand nemen, want ze hebben geen angel. De antennen van dit soort mannetjeswespen zijn langer dan die van een werkster (gemiddeld 1,7 x).
Voor liefhebbers heb ik de meeste verschillen tussen de Gewone en Duitse wesp hier nog eens op een rij gezet. Het kan wellicht nuttig zijn bij het zoeken naar de juiste naam.
Beide soorten samen worden ook wel limonadewespen genoemd, vanwege hun hinderlijke zoektochten naar suikers in de nazomer, als het broednest inkrimpt (zie hierna bij de 'hoornaar'). Ze kunnen op terrassen met frisdranken en ijs heel lastig zijn. Ze leveren dan gevaar op door het kunnen krijgen van een steek in de mond- of keelholte als de wesp per ongeluk mee naar binnen komt. De zwelling die daarna ontstaat kan verstikkingsverschijnselen veroorzaken. Limonades kan men om die reden het beste drinken met een rietje.
Diverse orchideeën hebben een verwantschap met insecten en hun namen. Zo zijn er de vliegenorchis, muggenorchis, keverorchis, bijenorchis, hommelorchis, moeraswespenorchis en nog meer. Sommige bloemen oefenen via vorm en geur een sterke aantrekkingskracht uit op bepaalde mannelijke insecten, die bij bloembezoek via een paringspoging de bestuiving tot stand moeten brengen door overdracht van de polliniën (stuifmeelklompjes). In natuurgebieden in mijn omgeving staat onder andere massaal de moeraswespenorchis (Epipactis palustris). Het is maar een klein plantje van 15 cm hoogte. De plant heeft een schraal terrein met natte voeten nodig. Jaren geleden heb ik in de buurt van deze planten een paar bijenvolken gehad in de bloeitijd. Dat ook de honingbijen op de orchissen vlogen was duidelijk te zien aan de bijen met polliniën op de kop geplakt, alsof ze hoorntjes hadden.
In mijn tuin staan al jarenlang enkele tientallen exemplaren van de breedbladige of brede wespenorchis (Epipactis helleborine), zie foto. Dat is een meer algemene plant, die minder eisen stelt aan bodem en omgeving en vrij groot kan zijn, tot meer dan 80 cm hoogte. De plant is genoemd naar de wespen die erop foerageren. Het is nooit druk op de planten. Slechts een enkel exemplaar vliegt op de zoete nectar van de bloemen. Dat is eigenlijk een uitzondering, want wespen kom je in onze streken op bloemen niet zo veel tegen. In het voorjaar zijn koninginnen voor suikers aangewezen op voorjaarsbloemen; in het najaar zie je veel werksters vliegen op bloeiende klimop. Ze vliegen echter meer op vruchtensappen van bijvoorbeeld pruimen en peren, waardoor ze soms veel schade veroorzaken, omdat ze de vruchten zelf open knagen. Dat begint in de loop van augustus, vooral omdat het broednest dan kleiner wordt. De wespen krijgen dan minder suikers van de larven (zie hierna bij hoornaar) en gaan zelf suikers zoeken. Daarbij kunnen ze zeer opdringerig zijn.
De nectar van deze orchis zou enigszins giftig zijn, maar voor de wesp een soort bedwelmende roes veroorzaken die een verslavend effect heeft. Ze keren steeds terug en dat is natuurlijk ook de bedoeling van de plant, want zo komt de bestuiving tot stand. Ik zag er ook enkele zweefvliegen en andere vliegen op foerageren. Enkele weekschildkevers (soldaatjes) vinden het ook een aantrekkelijke plant. Ook diverse bijen en hommels zag ik op de bloemen.
De wesp op de foto is een werkster van de Gewone wesp (Vespula vulgaris). De foto is gemaakt op 31 juli 2002. Op dat tijdstip in het jaar zijn de wespennesten al flink uitgegroeid en is al een begin gemaakt met de aanmaak van mannetjes en nieuwe koninginnen. De mannetjeswespen zien we in augustus in ruime mate verschijnen. Ze hebben langere antennen: duidelijk langer dan de lengte van de voorpoten. Dat is hier niet het geval. Hier is dus geen sprake van een nep-copulatie. Deze wesp vliegt van bloem naar bloem van de orchdeeën en heeft na korte tijd een hele prop polliniën op de kop geplakt zitten. De wesp probeert deze wel met de voorpoten van de kop af te schrapen, doch de door de bloem erbij geleverde lijm is uitstekend en dus blijft de wesp zo rondvliegen. Op de foto is met name aan de linker kant van de kop van de wesp een hele tros hangende witgele polliniën te zien. Nadat de polliniën op de kop van het bezoekende insect worden geplakt, gaan ze direct hangen. Dat moet ook, want de stempel van de bloem zit onder de plek van de stuifmeelklompjes. Bij de volgende bloem moet het stuifmeel weer worden afgegeven, maar dat gebeurt zo te zien niet altijd.
In augustus en september vliegen de mannetjeswespen bij mij in de tuin graag op de bloemen van sneeuwbes om er nectar op te halen. Ze zijn ook veel te vinden op bloeiende klimop. Ze zien er even gevaarlijk uit als de werksters, maar hebben geen angel. De relatief veel langere antennen zijn een gemakkelijk veldkenmerk. De 7 achterlijfsegmenten (vr. 6) zijn moeilijker vast te stellen en dat geldt ook voor het aantal antennesegmenten. Mannetjes hebben 13 segmenten; vrouwtjes (koninginnen en werksters) 12. Omdat niet voor iedereen duidelijk is wat daarin meetelt heb ik dat op deze foto van een mannetje van een Duitse wesp duidelijk aangegeven. Segment 1 is de schacht (scapus), segment 2 (pedicellum) is een soort scharniertje en heel kort, de segmenten 3 t/m 13 zijn de vlag (flagel) van de antenne. Die delen heten ook wel flagellomeren. Niet alle antenneleden zijn even lang. Zo is segment 3 relatief erg lang, zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes. Hier is nog een foto te zien van hetzelfde mannetje, maar dan vanaf de bovenkant.
Groot was mijn verrassing toen ik eind juli 2009 een mannetje Saksische wesp (Dolichovespula saxonica) zag foerageren op de Brede wespenorchis. Het is een prachtige vrij grote wesp met een iets andere tekening op het achterlijf dan de Gewone of Duitse wesp. Ook het kopschild is anders en tussen de ogen en de kaken (wangen) is veel meer ruimte. De wesp had stuifmeelklompjes (polliniën) op de kop en had er duidelijk last van. Hij probeerde met de voorpoten de klompjes te verwijderem, maar de plant levert er zeer goede lijm bij en dat lukte dus niet.
De Saksische wesp is ook een sociale wesp, maar de volken zijn veel kleiner dan die van Gewone of Duitse wespen. Ze bouwen de nesten meestal vrij hangend in struiken.
Hier zijn nog wat meer foto's van deze wesp, waarbij op sommige de witgele polliniën op de kop geplakt zitten: foto 3, foto 4, foto 5, foto 6.
Hier zijn ook nog 2 foto's van een werkster Saksische wesp: foto 1, foto 2.
Opvallend is dat de tekening op het kopschild geheel anders is dan bij het mannetje. Dit exemplaar heeft ook kleine gele vlekken op het postscutellum.
Wespen zie je in de zomer minder op bloemen foerageren dan andere insecten. Toch hebben ze suikers nodig voor de energie. Een koningin zal in het voorjaar om op krachten te komen af en toe bloemen bezoeken voor wat nectar. Deze wespenkoningin vloog op appelbloesem in april. Zodra het broednest van de wespen in werking is, hebben de wespen een ruim aanbod van suikers en andere stoffen via de uitscheiding van de larven, zie hierna bij de hoornaar. In die tijd zie je ze dus minder op bloemen. In het najaar, als de nesten inkrimpen, zullen de wespen graag op late bloeiers, zoals klimop, foerageren.
Wespennesten kunnen tot ver in het najaar actief blijven en wat broed aanhouden. Als het in november kouder wordt zijn de meeste nesten verlaten, want het wordt dan moeilijk de broednesttemperatuur van circa 29º C aan te houden. Er zijn in Nederland echter gevallen bekend van nog in december bezette nesten, hoewel dat wel uitzonderlijk is en meestal zitten die dan beschut in spouwmuren en dat soort openingen, waarbij warmte van de directe omgeving ook het nest kan bereiken.
Op deze foto van de bovenzijde van een koningin van de Gewone wesp (Vespula vulgaris) is wel verschil te zien met de eerder getoonde Duitse wesp, maar de voorkant kop is meestal duidelijker als het de standaardtypes betreft. Helaas wijkt de tekening op de kop nogal eens af en dan geeft het achterlijf uitsluitsel. De Duitse wesp heeft 3 donkere vlekken op het kopschild, terwijl de Gewone wesp daar een soort donkere pijl heeft, die naar beneden wijst. Het is alsof ze wil zeggen: kijk uit, want met mijn kaken ben ik ook heel wat mans. Het geheel lijkt ook wel wat op een anker. Duidelijk zijn ook de facetogen te zien. De 3 bolletjes bovenop de kop zijn de puntogen (ocelli). Hier is nog een foto schuin vanaf de voorzijde van een koningin te zien. De Gewone wesp (ook de Duitse wesp) heeft roodbruine tarsleedjes en voetjes, zoals bij deze werkster te zien is. Dit is een mannetje Gewone wesp: tekening kopschild en bovenzijde wesp.
Op het lentefeest 2002 bij Imkerij Poppendamme op Hemelvaartsdag kreeg ik van een meisje bij een plantenkraam een koningin van de hoornaar (Vespa crabro). Ze had dit insect de hele dag in een potje met ontluchting gehad om te laten bekijken. De hoornaar was haar slaapkamer binnen gevlogen. Ze vond het eigelijk maar een eng dier en wilde het beest beslist niet meer mee naar huis nemen. Ik wilde het dier graag hebben. Het was wat versuft en ik kon er wat foto's van nemen. Na de 14e foto is ze weggevlogen. Ik hoopte dat ze bij mij in de buurt zou blijven en zich nog eens zou laten zien. Ik zag echter daarna in dat jaar geen hoornaars meer. Op de foto's is niet te zien hoe groot het dier was: circa 4 cm lang! In 2001 had ik er één in mijn tuin, die houtmolm kwam knagen voor de nestbouw, doch die was een stuk kleiner.
Wespen en hoornaars zijn echte opruimers in de natuur en dus zeer nuttig. Voor het broed hebben ze dierlijke eiwitten nodig. Ze zijn in de zomer bij mij altijd bezig om dode bijen op te ruimen. Ze gebruiken alleen het borststuk (thorax) waarin onder andere de vliegspieren zitten: de kop en het achterlijf worden voorafgaand aan het transport naar het nest afgebeten, omdat die geen voedingswaarde hebben. De gewone wesp (vespula vulgaris), die bij ons algemeen is, kan voor bijenvolken behoorlijk lastig zijn als ze ook honing proberen te roven. Wespen en hoornaars eten als volwassen insect geen dierlijk voedsel meer. Ze hebben suikers nodig om de temperatuur van het broednest op peil te houden (circa 29º C). Via spiertrillingen wekken ze warmte op, waarvoor ze energie verbruiken. Honing is daarvoor een uitstekend product, maar ze halen ook graag suikers en andere stoffen uit vruchten en in veel mindere mate nectar uit bloemen. Daarnaast produceren de larven een voedingsstof, bestaande uit suikers, aminozuren en eiwitten, voor koningin en werksters in ruil voor het dierlijke voedsel. Hier is dus een soort omgekeerde ouder-kind situatie. Immers, bij de zoogdieren geven de moederdieren melk aan hun jongen; hier geven de jongen complete voeding aan de oude insecten. Dit verschijnsel noemt men trofallaxis. Het is mogelijk ook een vorm van voedselopslag, niet in de raten zoals bij honingbijen, maar in de larven, zodat er altijd enige voorrraad is. Zieke of doodgegane larven worden overigens verwijderd zonder deze nog als voedsel te gebruiken. Van dode poppen worden wél de bruikbare delen weer aan de larven gevoerd. De hoornaar nestelt in onze streken meestal boven de grond. De gewone wesp zit juist dikwijls in de grond, maar ook veel in spouwmuren, holle bomen of gewoon vrijhangend aan bomen of struiken. In het laatste geval zijn het meestal prachtige bolvormige bouwsels.

De pogingen tot inbraak van wespen in mijn bijenvolken geven veel onrust. Wespennesten op mijn erf ruim ik dan ook meestal op, maar er blijven er genoeg in de buurt over.
Hoornaars zijn veel zeldzamer en die mogen van mij blijven, graag zelfs, want ze geven nauwelijks last, omdat de volken meestal wat geringer in omvang zijn, afhankelijk van de ruimtemogelijkheden en de plaats van het broednest. Daarnaast zijn het schitterende dieren die zich buiten de directe omgeving (5 meter) van het nest niet aanvallend gedragen als ze met rust worden gelaten. Hier is nog een andere foto van een hoornaarnest aan het dak in een schuur te zien (foto: Joop Edelenbos). In 2006 was er in het natuurgebied Oostvaardersplassen een mooi nest in een oude boom (foto: Marijke Kanters). Een in de winter van een zolder verwijderd nest kon op het gemak worden bekeken. De fraaie opbouw, isolatiestructuren en vormen zijn zo goed zichtbaar (foto: Geesje Veenbaas).
Als enig geluk hebt kom je in het najaar soms een foeragerende hoornaar tegen. Dit mannetje zag ik op 29 september 2008 in Westkapelle, voorwaar niet een plek bij uitstek om hoornaars te verwachten. Het was een schitterend gekleurde, zeer forse wesp. Het dier zocht nectar op bloeiende klimop. Voor mij was het een 'bijvangst' want ik zocht de Klimopbij.
Dat de steek van een hoornaar zeer gevaarlijk zou zijn, is een fabel. Deze is niet gevaarlijker dan die van honingbijen en gewone wespen. De laatste zijn ook veel agressiever. Van groot belang is de plaats van de steek. Als in de hals of de binnenkant van de mond wordt gestoken, zijn al deze steken gevaarlijk door het snel dik worden van het omringend weefsel. Verstikking kan dan het gevolg zijn. Als imker weet ik ook hoe agressief honingbijen onder bepaalde omstandigheden kunnen zijn. Een massale aanval, die ik enkele keren heb meegemaakt, is zeer effectief. Bij tientallen steken tegelijkertijd, wil je echt wel weg. Mogelijk komt de slechte faam van de hoornaar door de teksten daarover in de bijbelboeken Exodus (23:28) en Jozua (24:12). Hoornaars zouden worden uitgezonden voor het volk Israel om de vijanden te verdrijven. Deze indruk wordt ook instandgehouden door spectaculaire natuurfilms met suggestieve titels. De laatste die ik zag ging over 'Killer hornets' in Israel.
Er is een prachtige Duitse site van een organisatie die bescherming van hoornaars nastreeft. Op de site zijn schitterende foto's te zien van diverse stadia van hoornaarnesten en ook van de hoornaar zelf.
Klik hier om er naar toe te gaan.
Enkele mooie foto's van de hoornaar zijn hier te zien.
Een grote wesp, die wat minder algemeen is dan de gewone en Duitse wespen, is de Middelste wesp (Dolichovespula media). Het uiterlijk is iets anders dan dat van die wespen, maar het dier is ook variabel in tekening. Ze kunnen bijna geheel zwart zijn. Het belangrijkste kenmerk is de liggende '7' op de linker zijkant van de thorax; aan de rechtkant uiteraard gespiegeld. Er is in onze streken maar één andere soort die dat ook heeft en dat is een koekoekswesp (D. adulterina) die parasiteert op de Saksische wesp. Die koekoek is echter zeer zeldzaam en ziet er op bepaalde lichaamsdelen anders uit (bijv. vorm onderzijde clypeus).
Deze wespen hadden hun nest in een meidoorn op circa 3 meter hoogte. Het nest had een doorsnede van ongeveer 20 cm en was glad aan de buitenkant met mooie gemeleerde kleuren. De nesten van de gewone en Duitse wesp zijn merendeels wit. Deze soort heeft een maximale volksgrootte van zo'n 200 werksters (gewone en Duitse wespen tot enkele duizenden exemplaren). De koningin kiest in het voorjaar een plek voor het nest en dat hangt altijd in struiken of bomen ruim boven de grond. De nestopening van het nest zit in de onderste helft, maar niet helemaal aan de onderkant, zoals meestal het geval is bij gewone wespen. Dat deze soort boven de grond bouwt is ook anders dan bij de gewone wespen die graag in de grond, in spouwmuren of andere holtes nestelen. Bij het nest heb ik een werkster gevangen voor wat detailfoto's en in eerste instantie om de soort te kunnen bepalen. Dit waren van dat exemplaar enkele kenmerken:
- vlekken op scutellum (schildje na het borstschild) zijn niet geel, maar meer roodbruin; vlekken op het postscutellum zijn geel;
- de tegulae (vleugelschubben) zijn roodbruin evenals de vleugelranden;
- de onderkant van de scapus (antenneschacht) is geel; de andere antennesegmenten zijn roodachtig aan de onderkant.
- op het midden van de clypeus (kopschild) is er een forse verticale zwarte streep die niet tot de onderrand komt, de onderrand is roodbruin;
- de ruimte achter de bovenkant van het oog (slaap) is zwart met daaraan grenzend een gele verticale streep met bovenaan een los geel puntje;
- de dijen van alle poten zijn voor driekwart zwart en aan de top roodbruin;
- de ogen zijn niet zwart, maar hebben een roodbruine gloed;
- de wangen (ruimte tussen ogen en kaken) zijn vrij lang;
- de zwarte banden op het achterlijf zijn vanaf het 2e tergiet afnemend in breedte, aan het eind zelfs losse zwarte stippen;
- de wesp is een werkster (vrouwtje 12 antennesegmenten) en meet 19 mm.
In de literatuur worden de volgende maten opgegeven voor deze wesp: koningin 18-22 mm; werkster 13-15 mm; mannetje 15-19 mm. Dat is wat vreemd, want mijn exemplaar kan ik exact nameten op een foto van de wesp op millimeterpapier. Het lijkt me geen koningin te zijn, want die hebben veel meer roodbruine kleuren op het borststuk.
Tot de papierwespen behoort ook de Franse veldwesp (Polistes dominulus). Van deze wespen zag ik in augustus 2009 verschillende exemplaren in de omgeving van de kerncentrale Borssele. Deze soort was vroeger in Nederland zeer zeldzaam. Alleen in Zuid-Limburg werd wel eens een exemplaar gezien. Door de opwarming van het klimaat verschuiven veel soorten in Noordelijke richting en ook deze heeft dat gedaan. Het is een wespensoort die kleine raatjes maakt van papier. Die hangen meestal aan een stenige ondergrond, dus gebouwen kunnen ook uitstekend voldoen.
De wesp is direct herkenbaar aan de oranjerode antennen. Ook de tekening op het achterlijf is kenmerkend. Ze foerageren voor hun noodzakelijke suikers op bloemen en hadden op de vindplek een duidelijke voorkeur voor pastinaak.
Hier zijn nog enkele foto's van deze fraaie wesp: foto 2, foto 3, foto 4.
Inmiddels zijn ze sedert mei 2010 ook in mijn tuin aanwezig, zie deze koningin: foto 1, foto 2, foto 3, foto 4.
Op de dekplank van een bijenkast - tussen de ruimte van dekplank en dak - heb ik enige malen urntjes gevonden van een insect, dat dit een goede nestelplaats achtte. Onlangs vond ik tussen een stapel dakpannen dezelfde langwerpige urntjes in een cluster van ongeveer 15 stuks. De lengte van een urntje is circa 12 à 15 mm. Ze zijn aan elkaar vastgebouwd en verankerd op de ondergrond. Duidelijk is te zien dat de bouw spiraalvormig in laagjes is gedaan. De insecten heb ik toen niet gezien, maar het bouwsel is wel erg leuk om te tonen. In enkele cellen vond ik bij het openmaken aan het eind nog restanten van een cocon: licht crèmekleurig en geen ander spinsel. Het is de nestplaats van een kleine spinnendoder, die in mijn tuin zeer talrijk is: de Auplopus carbonarius. Spinnendoders zijn solitaire wespen, die spinnen vangen voor hun broed en de prooi met een steek verlammen. De prooi kan nog dagenlang verlamd in leven blijven en zo dienen tot vers voedsel.
Deze spinnendoder bijt de meeste poten van de spin af om het vervoer te vergemakkelijken en loopt ermee naar het nest, waarbij de spin bij de spintepels wordt gedragen. Dit in tegenstelling tot andere spinnendoders die de prooi achteruit lopend mee naar het nest slepen. Meestal worden door de wesp minstens de helft van de 8 poten van een spin afgebeten. Het is dikwijls een grote prooi, waarmee toch nog gevlogen kan worden. Deze spinnendoder bouwt leemachtige omhulsels om de prooi niet te snel te laten uitdrogen en vermoedelijk ook als geschikte plek voor de cocon van de verpoppende larve, die de verlamde spin als voedsel kreeg. De Nederlandse naam van deze spinnendoder is: Metselspinnendoder, soms ook Glasvleugelspinnendoder, zie de Tiriongids (Heiko Bellmann). Elders zag ik ook de naam Urntjesspinnendoder. Al die verschillende namen geven dus mogelijk wat verwarring.
Het spinnetje op de voorgrond hoeft niet te vrezen voor zijn leven, want dit nest is reeds lang uitgelopen en verlaten. Het lijkt er op dat - gezien het spinrag - de woning door het spinnetje wordt hergebruikt. Zo kan het dus ook.
Deze spinnendoder nestelt bij mij ook in de bredere gangen van het nestblok voor solitaire bijen en andere insecten. Hier is de wesp te zien voor de ingang van een nestgang met een verdoofde spin. De wesp tilt een poot op om naar boven te klimmen. De wat bredere nestpijpen zijn voor deze spinnendoder een geschikte broedplaats. De overige zijn merendeels gebruikt door de metselbij Osmia rufa en de graafwesp Trypoxylon fugulus (die overigens ook spinnetjes vangt voor het broed, zie hierna). Soms worden naar verhouding vrij grote prooien gevangen. Deze zat met een spin, waarvan de meeste poten al waren afgebeten, op mijn vuilnisbak. Het prepareren voor vervoer duurt vrij lang, zodat het wespje gemakkelijk te fotograferen is. Hier is een ander exemplaar ook op mijn vuinisbak bezig met een spin waarvan alle poten al zijn afgebeten, maar die toch nog wat problemen geeft, omdat deze prooi een stuk groter is dan de wesp.
Voor de versteviging van delen van kunststof voorwerpen zoals vuilnisbakken en brievenbussen zijn dikwijls richels aangebracht. Een samenstel daarvan geeft kleine holten. Die bieden deze wesp een uitstekende nestelplaats. Hier zijn nog wat foto's van achtereenvolgens:
wesp met prooi,
wesp bezig met de rand van een urntje,
poppen in een beschadigd urntje,
urntjes in diverse stadia,
verdoofd spinnetje in urntje.
De 'echte' spinnendoders, waartoe ook Auplopus carbonaria behoort, worden ook wel wegwespen genoemd (familie Pompilidae). Er zijn in Nederland 17 geslachten van deze familie met totaal 65 à 70 soorten. Ook de vrij algemeen voorkomende Tuinspinnendoder (Caliadurgus fasciatellus) behoort tot die familie. Alle spinnendoders zijn als zodanig te herkennen aan het tot de tegulae (vleugelschubben) doorlopende pronotum (1e thoraxdeel). Bij graafwespen, zoals Trypoxylon) is dat niet het geval. Dit exemplaar van de Tuinspinnendoder meet slechts 7,6 mm en is dus vrij klein, maar ze zijn variabel in grootte en kunnen maximaal 11 mm lang zijn. Het vrouwtje is direct te herkennen aan de verdonkering in enkele voorvleugelcellen: marginale cel, 2e en 3e submarginale cel en de cel die aan de binnenkant aan de submarginale cellen grenst. Het mannetje heeft deze verdonkering in de voorvleugel niet. Het stigma in de vleugel is relatief groot. Deze soort vangt strekspinnen en wielwebspinnen voor haar broed. Er zijn per jaar 2 generaties.
Spinnendoders vangen prooien voor hun broed die dikwijls groter zijn dan zijzelf. Een spin wordt overmeesterd en direcht aan de buikzijde gestoken door de wesp met de gifangel. De spin raakt daardoor zeer snel verdoofd. Dan sleept of draagt de wesp de spin naar het nest. Bij kleine prooien gebeurt dat soms ook vliegend. De gangetjes zijn tot maximaal 10 cm diep, maar voor deze soort meestal niet meer dan 2 cm. Ze legt er een eitje bij en sluit de gang af. Het larfje van de wesp zal de spin geheel opeten en daarna verpoppen. Hier zijn nog wat andere foto's van deze Tuinspinnendoder: foto 2, foto 3.
De Trypoxylon figulus (Ned.: Pottenbakkerswesp) vangt kleine spinnen voor haar broed, dat in plantenstengels en houtwormgaten in kleicellen wordt gemaakt. Het is een insect van 8 - 15 mm lengte, waarbij de mannetjes de kleinste zijn. Vroeger werden van de Trypoxylon 3 soorten onderscheiden die verschillend van groote zijn, maar verder erg veel op elkaar lijken. Bij mij zie ik diverse groottes van dit insect op dezelfde plekken, maar ik beschouw ze gemakshalve als 1 soort. Ze zitten graag in de kunstmatige nestvoorzieningen, zoals bundels holle plantenstengels, houtblokken met boorgaten e.d. De nestpijpen worden net als bij de Osmia rufa afgesloten met een kleilaagje. Hier komt de wesp aan met kleimateriaal om te metselen. Daarna vertrekt zij weer om een volgende portie te halen. Hier wordt de laatste hand gelegd aan een broedbuis die helemaal gevuld is. De buitenkant wordt keurig dichtgemetseld.
Het zijn zeer ijverige beestjes en bij de nestplaatsen is het bij goed weer van mei tot augustus een drukte van belang. Bij mij nestelen ze graag in de stengels van kaardebol, die ik voor de solitaire bijen en wespen ophang. Zie ook onder 'Bijen en hommels' voor nadere uitleg en plaatjes bij Osmia rufa. Ze worden bij mij geparasiteerd door de goudwesp Trichrysis cyanea en de hongerwesp Gasteruption assectator.
Het graafwespje Trypoxylon figulus houdt zonder het te willen ook een ander mooi insectje in stand, namelijk de goudwesp Trichrysis cyanea. Het wespje is slechts 7 mm lang. Het parasiteert op de Trypoxylon en weet die goed te vinden. De vrouwtjes leggen hun eitjes in het nestje van de gastvrouw en de larve van de goudwesp eet de wespenlarve op. Ze houden zich dus ook op in de buurt van de nestholte van de gastvrouw en sluipen snel naar binnen als die even weg is om nieuwe kleine spinnen te vangen voor haar eigen broed.
Goudwespen behoren tot de meest fraai gekleurde insecten in onze streken. Allemaal hebben ze een sterke punctering over het gehele lichaam, wat een parel-achtig uiterlijk geeft. Veel van deze soorten hebben naast iriserend blauwgroen ook nog rood aan het achterlijf, zoals bijvoorbeeld de algemene Chrysis ignita, zie ook hierna. De Trichrisis cyanea doet het met minder kleuren, maar is ook een schitterend dier. Ze zijn bij mij de hele zomer vrij talrijk aanwezig, dus zeldzaam zijn ze niet. Dat heeft alles te maken met de ruime aanwezigheid van de gastheer.
Als de Trypoxylon thuis komt en ze treft daar een indringster aan, is het oorlog. Ze werkt de goudwesp snel naar buiten, maar het kwaad is dan al geschied. De goudwespen zijn goed gepantserd tegen de angels van de andere wespen en kunnen zich meestal ook oprollen doordat de onderkant van het achterlijf vrij plat of zelfs iets hol is. Dergelijke taferelen tref ik af en toe aan en ik kon er deze foto van maken.
De nestblokken voor solitaire bijen en wespen worden in mijn tuin ook gebruikt door het graafwespje (6 mm) Passaloecus borealis. Het zijn graafwespjes van een genus waarvan er in Nederland 10 soorten voorkomen. Ze vangen bladluizen voor hun broed en de broedcellen maken ze in boorgaten van andere insecten, holle plantenstengels e.d. Ook de soort P. gracilus gebruikt de broedblokken. Deze heeft op de achterrand van het mesonotum (grootste thoraxelement) een rij kleine lengtegroefjes. Op deze foto is dat te zien. De wespjes zijn eenvoudig van kleur: merendeels zwart maar geel op de mandibels (kaken), delen van de poten, voorkant antenneschachten, tegulae (vleugelschubben) en calli (schouderknobbels).
De algemeen voorkomende goudwesp Chrysis ignita heeft meerdere kleuren met metaalachtige glans (rood, blauw-groen), die zeer opvallend zijn. Het is een beetje afhankelijk van de lichtval, maar het zijn zeer spectaculaire insecten. Wat de functie van de opvallende kleuren van goudwespen in het algemeen is, is niet geheel duidelijk. Misschien is het slechts bedoeld als afschrikkingseffect voor predatoren. Deze soort is zeer variabel in grootte. Ze variëren van ongeveer 4 tot 10 mm voor beide geslachten. Dat is erg veel verschil voor één soort en men schrijft dit toe aan de aanpassing van deze goudwesp aan de gastheer. Alle Chrysis-soorten leven parasitair, maar meestal gebonden aan één of enkele gastheren. De Chrysis ignita parasiteert op diverse solitaire plooivleugelwespen, zoals bijvoorbeeld op de Ancistroceris gazella en parietum, die hierna besproken worden, maar ook op Eumenes-soorten. Al deze gastheer-wespen zijn groter dan de Chrysis ignita, maar die zijn verschillend in groote afhankelijk van de gebruikte gastheer. Ook de levenswijze en overwintering van de gastheren is niet steeds gelijk en deze goudwesp ziet kans om zich ook daaraan aan te passen. Een bijzonder dier. Men onderscheidt vanwege de verschillen in grootte en gebruikte gastheren ook wel ondersoorten van deze goudwesp. Dat zijn er dan een stuk of 5 à 6.
In een tuin die niet al te steriel wordt gehouden, kom je soms leuke dingen tegen. Deze urntjeswesp foerageert veel op de bloemen van sneeuwbes en rust soms even uit. Ik zie deze soort ieder jaar opnieuw in mijn tuin. In Nederland en België komen 5 soorten (Eumenes) voor en dit is de Eumenes papillarius. Het is een mooie plooivleugelwesp, maar ze zitten meestal maar even stil om te poetsen of te zonnen en zijn daarom minder gemakkelijk te fotograferen. Ze hebben een typisch gesteeld bol achterlijf, met eerst een extra buikplaatje achter de wespentaille en dan pas het bolle achterlijf. Sommige metselwespen bouwen van klei en modder kleine vaas-achtige structuren, waarin het broed wordt gehuisvest. Het broed wordt gevoed met kleine onbehaarde rupsen. Hier is nog een ander exemplaar van deze wesp, die ik veel later in het jaar (2e helft augustus) fotografeerde. Mogelijk zijn er dus meerdere generaties per jaar van deze wesp.
Op 5 september 2005 vond ik van deze soort een urntje op de muur van mijn huis. Er werden kleine verlamde rupsjes in gebracht als voedselvoorraad voor de wespenlarve, nadat er een eitje in was gelegd. Aan het eind van de dag is het urntje door de wesp afgesloten met een kleilaagje. De volgende dag werd er nog een dun laagje algen op aangebracht, zodat het er wat groenachtig uit ziet. Dat laatste is hier niet verstandig, want het valt nu meer op. Op boomschors zou het perfect zijn. Enkele weken later vond ik nog 4 urntjes van deze wesp op kleine afstand van elkaar elders in de tuin op een stuk hardsteen. Deze urntjeswesp is vrij laat in het seizoen nog actief. Op 23 september werd er nog aan de afsluiting van een urntje gewerkt. Er is toen ook nog een nieuw urntje tegen het eerste aangeplakt. Op deze foto vliegt een urntjeswesp aan op een reeds voltooid urntje, dat nog moet worden voorzien van rupsjes.
De urntjeswespen overwinteren als larve in een eigen spinselbekleding binnen het afgesloten urntje. In het voorjaar verpoppen ze en in mei of juni komt het volwassen insect tevoorschijn en begint de cyclus opnieuw. Het hiervoren getoonde urntje op de muur van mijn huis is op 23 mei 2006 door de jonge wesp geopend, zie foto.
Van deze wesp maakte ik in 2006 een foto-serie in mijn tuin. Daarin is te zien hoe het urntje wordt gebouwd en wat er achtereenvolgens verder gebeurt.
Naar de Urntjeswesp-fotoserie (Eumenes papillarius)
In mijn tuin komt ook de Eumenes coronatus voor, die tegelijkertijd met de E. papillarius gezien kan worden. Ze hebben ongeveer dezelfde leefwijze. Een verschil met de andere urntjeswesp is o.a. de tekening op het achterlijf in de vorm van een omgekeerd zwart kroontje. Determinatie geschiedt echter merendeels op de beharing van de clypeus (kopdeel tussen de ogen en de kaken) en het 2e tergiet van het achterlijf. De E. coronatus is in Nederland zeldzaam en slechts van enkele plekken bekend, maar in mijn tuin (Walcheren) zie ik ze bijna ieder jaar. De E. papillarius is echter veel algemener en die soort zie ik ook ieder jaar nestelen. In augustus 2006 zag ik op Sneeuwbes in mijn tuin een urntjeswesp foerageren. Hier rust de wesp even uit op een blad van Gewone klis en dit lijkt ook de Eumenes coronatus te zijn. Goed zijn de achterlijfsegmenten te tellen: 6 stuks, dus een vrouwtje. Het eerste segment is de steel, waaraan het bolvormige resterende deel van het achterlijf zit, zie ook deze foto. De zijkanten van de thorax, het schildje, achterschildje en propodeum zijn iets anders van tekening en kleur (meer geel) dan bij eerdere foto's van deze soort, maar enige variatie daarin is normaal bij deze soorten.
Er zijn heel wat solitaire wespen die metselgedrag vertonen. Dit is waarschijnlijk het vrouwtje van de Ancistrocerus parietum, die nesten van leem bouwt. Het is een plooivleugelwesp van ca. 13 mm. Deze metselwespen werden vroeger leemwespen genoemd; tegenwoordig 'muurwespen'. De eerder vermelde goudwesp Chrysis ignita kan optreden als parasiet van deze soort. De solitaire muurwespen zijn verwant aan de sociaal levende wespen, zoals de vespula vulgaris. Hier heeft de wesp met haar angel een rups verdoofd voordat zij hem naar het nest vervoert.
In het najaar van 2006 zag ik deze kleine wesp (8 mm) in mijn tuin. Ik had zo'n wesp nog niet eerder gezien. Het blijkt het mannetje van de A. parietum te zijn (determinatie Jan Smit). Eerder dacht ik aan de Ancistrocerus dusmetiolus, die de enige wesp van dit genus in Nederland zou zijn, die op het eerste achterlijfsegment in de gele band een zwarte V-vormige insnijding heeft. Hier is de wesp vanaf de voorkant te zien. Opvallend zijn ook het gele kroontje tussen de antennen, het gele pronotum dat iets puntig uitsteekt en de gele voorkant van de antenneschachten. De bovenkanten van de dijen van alle poten hebben vanaf de basis zwarte vlekken. Dit is een mannetje (7 achterlijfsegmenten) met op de tergieten 1 t/m 6 gele bandjes. Dit is nog een andere foto van deze fraaie kleine wesp.
Dit is een solitaire muurwesp die veel op de vorige soort lijkt. De gele band op het eerste achterlijfsegment is echter beduidend minder ver ingesneden en aan de zijkanten minder rond. Het is de Ancistrocerus gazella. Deze staat bekend als een wesp, die als voedsel voor haar broed een voorliefde heeft voor de rupsen van bladrollers (kleine vlinders), die zeer schadelijk zijn in boomgaarden. In sommige streken wordt deze wesp gestimuleerd via kunstmatige nestblokken, om zoveel mogelijk profijt van het insect te hebben. Evenals de vorige soort bouwt ook deze wesp bovengrondse nesten van leem in allerlei openingen en kan het nest geparasiteerd worden door de goudwesp Chrysis ignita.
Naast de Ancistrocerus- en Eumenes-soorten zijn er nog meer dergelijke metselende wespen actief. De Symmorphus-soorten noemt men deukmetselwespen. Het eerste achterlijfsegment is wat ingesnoerd waar het tweede segment begint en er is in het midden van het eerste tergiet een duidelijke lengtegroef.
Dit is de deukwesp Symmorphus bifasciatus, die slechts op het 1e, 2e en 4e achterlijfsegment een gele band heeft. Ze zijn ongeveer 10 mm lang. Deze wespen gebruiken allerlei openingen in muren, rietstengels, nestblokken om hun broedcellen te maken. De cellen worden verzegeld met een schotje van klei, vermengd met houtvezels. De laatste cel wordt afgesloten met een prop van klei en houtvezels en vormt daarmee een goede camouflage. Deze soort vangt keverlarven (bladhaantjes e.d.) als proviand voor de eigen larve. De keverlarven worden verdoofd en in de broedcel gelegd. De wesp legt er een eitje bij en sluit daarna de cel af.
Het deukje in het eerste tergiet is hier van bovenaf goed te zien. Ook de kenmerkende uitstekende punten van het pronotum (voorste deel thorax) zijn zichtbaar. Dit vrouwtje heeft ook een mooie tekening op de kop en geweldige kaken, te zien op deze foto van de voorkant kop.
Tussen de klinkers van de parkeerplaats bij mijn voormalig kantoor zaten begin augustus 2004 een stuk of 10 solitaire knoopwespen van de soort die snuitkevers voor het broed vangt. Het is de Gewone snuitkeverdoder (Cerceris arenaria), een vrij grote graafwesp met een lengte van ongeveer 16 mm (vrouwtjes). Ze lijken op het eerste gezicht op een gewone wesp, maar bij nadere beschouwing zijn ze toch geheel verschillend. Het gehele lichaam is duidelijk gepuncteerd, wat een iets bobbelig uiterlijk geeft. Het achterlijf is per segment ingesnoerd (bij gewone wespen is dat niet het geval), ook de kromme schenen van de poten zijn opvallend bij deze soort. Mogelijk is die vorm van belang om de prooien onder het lichaam vast te houden bij het terugvliegen naar het nest. De prooi wordt onder het lichaam gedragen en vastgehouden met de kaken en/of met één of meer poten. Het is geen plooivleugelwesp, zoals de gewone wesp en diens verwanten, maar een graafwesp.
De betreffende prooi-kevers leken merendeels de Gegroefde lapsnuittor (Otiorhynchus sulcatus) te betreffen of een soortgenoot die er veel op lijkt. Het zijn snuitkevers met relatief lange antennes en van een redelijk lichaamsformaat. Deze kevers hebben een zware bepantsering. Toch weet de wesp ze met een steek te verlammen. Dat kan slechts op één punt. Aan de buikzijde tussen het voorste paar heupen ligt een naad. Dat is de plek waar de wesp het op gemunt heeft. Deze soort kevers wordt als zeer schadelijk aangemerkt. Zowel de kevers als de larven vreten essentiële delen van bepaalde planten. De kevers kunnen echte plagen vormen en de wespen doen dus goed werk.
De vrouwtjeswespen graven gangen van 10 tot 20 cm diep (soms dieper) met enige korte zijgangen. De verse nestingang ligt meestal iets verhoogd als een soort vulkaantje. Na een regenbui is het geheel wat afgevlakt. Aan het eind van een zijgang bevindt zich een broedcel. Daar brengt de wesp ongeveer 10 à 15 verlamde kevers en legt er een eitje bij. De kevers zijn de voedselvoorraad voor de wespenlarve. Deze wespen vangen uitsluitend snuitkevers, meestal de Otiorhynchus sulcatus. Ze vangen er zo veel, dat ze er ook wel eens wat slordig mee omgaan. Bij sommige nestopeningen liggen een aantal niet gebruikte kevers. Als de wesp bij aankomst bij het nest wordt verstoord laat zij gemakkelijk de prooi los. Ze kijkt er dan niet meer naar om en gaat liever weer een andere vangen.
De wespen lijken hun eigen nest, dat dikwijls in de buurt van soortgenoten ligt, voor die anderen, maar waarschijnlijk ook voor parasitaire wespen te bewaken. Ze worden namelijk geparasiteerd door de Juweelwesp (Hedychrum nobile). Op dit plaatje is de opening van de nestholte te zien, waarin de kop van de wesp net zichtbaar is, met op de achtergrond een collega-wesp met prooi, die ze in haar eigen nestgang zal brengen. Het is bij deze wespen overigens niet ongewoon dat een nest van een ander wordt overgenomen.
De iets kleinere mannetjes van deze wesp vliegen in de buurt van de kolonie. Ze zijn ook te vinden op bloemen om nectar te verzamelen als voedsel voor zichzelf. Ze hebben iets minder geel op het lijf. Zowel de vrouwtjes als de mannetjes zie ik wel in mijn tuin foerageren, maar ik heb er nooit nestelplaatsen van gevonden in mijn buurt. Hier zijn nog wat aanvullende foto's van een vrouwtje (eind juli 2009), waaronder ook een close-up van de voorkant kop. Daarop zijn de indrukwekkende kaken te zien waarmee ze de prooien pakken:
foto 1, foto 2, foto 3, foto 4.
Tevens nog enkele van een mannetje (begin augustus 2009): foto 5, foto 6.
Ook in mijn tuin zie ik regelmatig de kleinere knoopwesp Cerceris quadricincta. Ze zijn vrij talrijk. Het vrouwtje is 11 mm lang; het mannetje meet slechts 7 mm. Ze zijn wat variabel in tekening, maar meestal hebben de vrouwtjes 4 gele banden op de achterlijftergieten en de mannetjes 5. Tergieten zijn de bovenkanten van de achterlijfsegmenten; de onderkanten heten sternieten. 'Quadri cincta' betekent 4 ringen. Volgens de naam zouden ook de sternieten 4 banden moeten hebben om de 4 ringen kompleet te hebben. Meestal is het echter niet meer dan 3 of 3 en een 'beetje'.
Ze zijn vrij talrijk in mijn tuin en ik zag ze ook enkele keren parend. Op deze foto is erg duidelijk te zien dat het mannetje veel kleiner is. Deze wespen vangen diverse soorten snuitkevers voor hun broed en maken daarvoor gangetjes in de grond. Als koekoekswesp van deze soort is de Juweelwesp Hedychrum nobile bekend. Ik zag ook een exemplaar als prooi van een krabspin.
Van een voor determinatie gevangen exemplaar maakte ik nog deze foto's: foto 1, foto 2.
Knoopwespen hebben naast de ingesnoerde achterlijfsegmenten nog een belangrijk herkenbaar kenmerk: ze hebben 3 submarginale cellen in de vleugels, waarvan de middelste gesteeld is. Op diverse foto's bij deze soorten is dat te zien, bijv. op foto 2.
De Groefbijendoder (Cerceris rybyensis) is een mooie kleine knoopwesp (8-13 mm), die bijen van de geslachten Halictus, Lasioglossum en Andrena vangt voor haar broednest. De bijen worden verlamd en in de broedcel gebracht. Als er genoeg zijn (5 tot 8 prooien per cel) legt het vrouwtje er een eitje bij en haar larfje vindt zo een gedekte tafel. De wesp begint daarna aan de volgende cel, die is gelegen in een zelf gegraven gang tot maximaal 15 cm in de grond, dikwijls in een steile kant, vertakt met zijgangetjes. Ze brengen per cel wel steeds dezelfde soort bij. Niet alle bijensoorten van de prooibijen zijn even groot en vermoedelijk is dat de verklaring voor het vrij grote verschil in afmeting per individu van deze graafwespen. Dikwijls nestelen de vrouwtjes zoals de Cerceris arenaria in kolonies. Deze wespen worden geparasiteerd door enkele goudwespen en dambordvliegensoorten.
De mannetjes zijn gemiddeld iets kleiner en ze zijn dikwijls op bloemen te vinden in de buurt waar de vrouwtjes nestelen.
In Nederland komen 8 soorten knoopwespen voor, waarvan er enkele zeldzaam zijn. In mijn eigen tuin komen minstens 3 soorten voor, waaronder de C. arenaria, quadricincta en rybyensis. Deze Cerceris quinquefasciata zag ik daar nog niet maar op een schorrengebied bij Hoofdplaat. Het is een soort met 5 gele banden op de tergieten. Bij de vrouwtjes zijn de sternieten geheel zwart en dat is op deze foto te zien.
Deze knoopwesp vangt kleine snuitkevers en bladhaantjes voor het broed. Een broedcel ka meer dan 50 kevers bevatten. Ook deze soort wordt geparasiteerd door enkele soorten goudwespen van het genus Hedrichrum.
Een bijzondere verschijning is de Kleine zeefwesp (Crabro peltarius) en dan vooral het mannetje dat op de schenen van de voorpoten grote schilden heeft. De vrouwtjes van deze vrij algemene graafwesp graven graag gangen voor hun broed tussen straatstenen met een zandige ondergrond. Je ziet dan kleine hoopjes zand liggen. De schade valt meestal mee. Ze vangen vliegen voor hun broed. Op het zwarte achterlijf hebben ze gele banden, die niet alle doorlopen.
Evenals de vorige soort behoort ook deze Blokhoofdwesp (Ectemnius dives) tot de Crabronidae-wespen die vliegen voor hun broed vangen. Ook de Mellinus-soorten doen dat en die heeft men vliegendoders genoemd, maar er zijn er dus meer. Het genus Ectemnius omvat in Nederland 14 soorten. Ze zijn niet zo gemakkelijk te determineren, behalve deze, want E. dives heeft als enige aan de uiteinden van het pronotum (halsschild) puntige doorns. Op deze foto is dat nog net te zien. De dubbel gepunte kaken zijn met extra tanden ingericht om prooien goed vast te kunnen houden. Ze nestelen in allerlei gaten, bijv. in oud hout. Dit exemplaar was actief bij boorgaten in hout die ik in mijn tuin aanbied als kunstmatige nestgelegenheid. De vrouwtjes zijn van 9 - 11 mm lang; de mannetjes iets kleiner.
Eind januari 2009 kreeg ik over de post deze fraaie wesp toegezonden. Het dier van 24 mm lengte is licht beschadigd, maar nog zeer de moeite waard voor een plaatje. Het is het vrouwtje van de houtwesp Sirex juvencus. Ze zijn blauwachtig zwart. Het mannetje is kleiner en heeft rood op 5 segmenten van het achterlijf. Het mannetje mist uiteraard de legboor die bij het vrouwtje duidelijk aanwezig is. Ze worden het meest gezien in juli-augustus, maar ook in januari-februari wordt een klein aantal waargenomen.
Dit exemplaar was afkomstig uit een meubel vervaardigd van vurenhout. Als in de winter de temperatuur binnen veel hoger is, zal de wesp ook eerder uitkomen. De vrouwtjes leggen via de legboor (ovipositor) hun eitjes in naaldbomen. Als dat tot timmerhout wordt verwerkt kunnen ze ook op die wijze meeverhuizen en op plaatsen uitkomen, waar je ze niet verwacht. De vrouwtjes kunnen een paar honderd eitjes leggen. De larven hebben in het hout een onwikkelingstijd van 2 tot 3 jaar. Deze wespen hebben een lichte voorkeur voor reeds kwijnende bomen.
Een verwante soort die nog een stuk groter is (35 mm), is de Reuzenhoutwesp (Urocerus gigas). Deze wesp heeft merendeels de kleuren geel en zwart en ziet er dus geheel anders uit. Ze hebben een soortgelijke leefwijze en komen ook dikwijls mee met vers timmerhout of de producten daarvan.
Deze wesp heeft relatief lange antennen, die meer dan 13 leden bevatten. Dat is, naast de vorm van het insect, een kenmerk van de sluipwespen. Ook hebben sluipwespen een duidelijk pterostigma (vleugelvlekje aan de voorrand), dat op de vergrote foto mooi te zien is. Dit is een fraai wespje van 10 à 12 mm lengte (zonder de antennen), dat ik niet nader op naam kan brengen. Sluipwespen zijn dikwijls endoparasieten van de larven en poppen van andere insecten, bijv. nachtvlinders en zweefvliegen. De larve van de sluipwesp zit daarbij in die gastheer en vreet deze geheel leeg. Andere soorten leven op de buitenkant van de gastheer. Deze kleine zweefvliegpop (7 mm lang) vond ik op de onderkant van een andijvieblad in mijn moestuin. Omdat ik benieuwd was van welke soort het een pop was, heb ik de pop in een geventileerd potje bewaard. Na enkele weken kwam er echter geen zweefvlieg uit, maar een mooie kleine (8 mm) sluipwesp van een onbekende soort.
Deze grote sluipwesp Ichneumon stramentor zag ik op 21 april 2006 in mijn tuin. Het was de eerste dag van het jaar met een temperatuur boven 18º C. Bij deze wesp vallen de lichte plekken in de antennen op. Het is een relatief groot dier van ruim 16 mm lengte (zonder de antennen) en ook opvallend vanwege de mooie geel-zwarte tekening op lijf en poten. Deze wespen leggen hun eitjes in of op een rups van een ander insect. De imago's leven merendeels van nectar en de honingdauw van luizen. Ze overwinteren als volwassen insect. Het dier loopt onrustig, steeds met met de antennen sterk bewegend en dus ruikend en onderzoekend, op planten en op de grond.
Op 5 mei 2006 zag ik het dier opnieuw op de grond en op de ligusterhaag met zoekend gedrag. Na de winter, eind maart 2007 zag ik dit exemplaar (vrouwtje) lopen op een hoop grond.
Op 13 juni 2006 zag ik in mijn tuin een soortgelijk dier, ook vrij groot, maar met andere antennen, geen gele achterlijfpunt en nog wat verschillen. Het zal zeker een ichneumon-soort zijn, maar de vraag is welke. De in gidsen veel afgebeelde Amblyteles armatorius zou het kunnen zijn, want die heeft gele achtertrochanters (klein gewrichtsegment aan de basis van de dij) zoals bij deze net te zien is op de foto, maar meestal wel met een gele achterlijfspunt, welke bij dit dier zwart is.
Sommige sluipwespen zijn schitterend gekleurd, maar ook merendeels zwart-wit is niet echt lelijk, zoals dit mannetje van de sluipwesp Achaius oratorius. Het is een wesp van ongeveer 15 mm lengte. De vrouwtjes zijn iets nadrukkelijker getekend, maar hebben bijv. een zwart gezicht, terwijl dat van de mannetjes wit is. Hier is nog een ander mannetje, dat midden op de thorax nog een extra wit vlekje heeft.
Waarop ze parasiteren weet ik niet, maar het zullen zeker wat grotere larven van andere insecten zijn, omdat de wesp zelf ook vrij groot is. De sluipwesplarve vreet de gehele gastheerlarve op en verpopt daarna.
Een iets grotere soort verscheen bij mij in de tweede helft van oktober 2006. Het is de Ophion obscuratus, die gemiddeld 22 mm lang is. Ik zag er verschillende exemplaren van , voornamelijk 's avonds op het verlicht venster van het keukenraam. Ze komen dus op licht af, zoals veel insecten doen, die 's nachts actief zijn. Overdag zag ik ze nooit. De soort parasiteert op rupsen van voornamelijk Helicoverpa-rupsen. In Nederland waarschijnlijk alleen op de H. armigera (Katoendaguil). Ze hebben geen legboor, maar hebben die ook niet nodig. De vrouwtjes volstaan met het leggen van een eitje op of in de buurt van de gastheer-rups. Het wespenlarfje zal daarna de gehele rups in etappes leeg vreten. Deze wespen verschijnen waarschijnlijk in 3 generaties, waarvan de laatste in het najaar (deze dus) het grootste formaat heeft.
De soort is onmiskenbaar (en dat is bij sluipwespen jammer genoeg bijna nooit het geval) door bepaalde uiterlijke kenmerken. Opvallend is de diamantvormige ader-tekening in de voorvleugel, inclusief een losse ader, eindigend met de punt van de diamant bij het bijzonder gekleurde pterostigma. Ook de streeptekening op het borststuk is van belang.
Een Schotse hoogleraar-bioloog doet onderzoek naar enkele sluipwespen, waaronder deze. Het DNA wordt bepaald en vergeleken met populaties van deze wesp uit andere gebieden. Een van de wespen die ik zag is daarom naar deze onderzoeker opgestuurd.
De Ophion obscuratus mag dan al redelijk groot zijn, de Reuzensluipwesp (Dolichomitus imperator) is nog veel groter. Het dier is zonder antennen en legboorschede 3 - 4 cm lang, maar de legboorschede van de vrouwtjes is nog langer dan het lichaam, zodat de totale lengte zo'n 8 cm kan zijn. Het zijn dieren die op zoek gaan naar de larven van bepaalde kevers, vooral boktorren en prachtkevers. Hun lange antennen zijn precisie-instrumenten waarmee ze uiterst nauwkeurig dwars door het hout de plaats van de keverlarve kunnen bepalen. Het dier is daarmee hier bezig. Ze gaat omzichtig met de antennen het oppervlak van het hout af om de plek van de keverlarve te vinden. Nadat bepaald is waar de gastheerlarve zich bevindt, wordt de legboor in stelling gebracht tot in de larve. De legboor wordt ontdaan van de tweezijdige schede en wordt in het hout gestoken. De schede wordt in het begin nog mee naar voren gericht, maar na enige tijd achterwaarts gehouden. Het boren kan tot ruim 3 cm diep gaan. De keverlarve wordt aangeprikt, verdoofd en dan wordt er een eitje in gelegd. De larve van de sluipwesp vreet beetje bij beetje de gehele keverlarve op, eerst de minder vitale delen. Uit de zogenaamde poppenwieg van die kever komt dan dus geen kever, maar een sluipwesp tevoorschijn na verloop van tijd. Deze sluipwespen zijn vrij laat in het seizoen actief. Deze foto's zijn van 19 oktober en er waren op die plek minstens 3 vrouwtjes bezig met boren en leggen in wei-afzettingspalen.
De sluipwesp Phaenolobus terebrator is merendeels zwart, maar de poten zijn bijzonder gekleurd. Opvallend is dat bij de achterpoten de dijen oranjerood zijn en de rest zwart. De middel- en voorpoten hebben ook oranjerode dijen, maar de rest van die poten heeft ook die kleur. Dat is dus vrij opvallend. De coxa (heup) is zeer groot en heeft op de top aan de buitenzijde een lichte vlek. Het dier van de foto foerageerde op pastinaak.
Hier zijn nog enkele andere foto's van dit opvallende insect:
foto 2, foto 3.
De sluipwesp Gasteruption assectator (Engels: Short-tailed Foenus) heeft een bijzondere vorm. De aanhechting van het achterlijf aan de thorax is bij dit genus aan de bovenzijde; normaal is dat aan de onderkant. Deze wespen hebben ook opvallend verdikte achterschenen en 3 rode bandjes op het achterlijf. Dit is een vrouwtje van deze soort: 14 antennesegmenten (mannetjes 15) met een korte legboor. Zonder legboor en antennen zijn ze ongeveer 11 mm lang. De volwassen wespen fourageren op bloemen voor nectar en stuifmeel.
Deze sluipwesp parasiteert bij mij op het broed van maskerbijen en pottenbakkerswespen (Trypoxylon). Ze hebben diverse gastheren bij zowel bijen- als wespensoorten. De wesp legt haar eitje in de broedcel op de larve van de gastheerbij. Het eitje komt uit en de maskerbijlarve wordt geheel opgevreten, maar dat is meestal nog niet genoeg. De wesplarve zoekt zich een weg naar een volgende cel en consumeert ook daar de bijenlarve. In de broedcel van de gastheer wordt de cocon van de wesp gemaakt en daaruit verpopt de wesp later. Zie verder bij maskerbijen.
Op de nestblokken voor solitaire bijen en wespen in mijn tuin zag ik begin juni 2010 een klein sluipwespje actief. Het bleek Monodontomerus aeneus (fam. Torymidae) te zijn. Ze zijn maar klein en meten (zonder de antennen en de legboorschede) 4,3 mm. Het beestje leek belangstelling te hebben voor de nesten van de Rosse metselbij (Osmia rufa). Het is niet geheel zeker dat ze daarop parasiteren, maar bekend is wél van deze soort dat ze parasiteren op bijen en/of wespen. Het dier lijkt op het eerste zicht niet veel kleur te hebben. Ze lijken merendeels zwart. Maar bij het fotoresultaat blijken er prachtige kleuren aanwezig te zijn, merendeels metaalachtig glanzend. De soortnaam (aeneus) is daarop ook gebaseerd. 'Aeneus' betekent koperkleurig. Hier zijn nog 2 foto's: foto 2, foto 3.
De meeste graafwespen zijn gespecialiseerd op één bepaalde andere diersoort (geleedpotigen zoals spinnen of insecten). Het vrouwtje van de Roodpotige Sprinkhaandoder (Tachysphex panzeri) vangt dus sprinkhanen, die zij in een nestholte brengt als voedsel voor haar larve. Graafwespen verdoven hun prooien, zodat ze blijven leven totdat het eitje uitkomt en hun larve aan de maaltijd kan beginnen. Door die verdoving is de prooi verlamd en kan dus niet meer weg. Het dier blijft zo vers voedsel voor de larve van de parasiterende wesp. De wesp van deze foto is het mannetje van die soort en het is een vrij klein dier van nauwelijks 10 mm lengte.
Af en toe zie ik 's zomers in mijn tuin de Bijenwolf (Philanthus triangulum), dat wil zeggen, de graafwesp en niet de kever (Trichodes alvearius) die ook zo wordt genoemd, omdat diens larven parasiteren op de larven van solitaire bijen. De Bijenwolf-graafwesp vangt voor haar broed bijna uitsluitend honingbijen. Het vrouwtje graaft gangen in de grond, liefst in een helling. Daar brengt ze de verdoofde honingbij naar toe als voedsel voor haar larve. Omdat ik ook imker ben en in mijn tuin altijd een aantal honingbijenvolken heb staan, is een dergelijke waarneming niet zo verrassend. Toch zie ik het dier erg weinig en de schade zal dus wel beperkt blijven. Het is een mooie wesp die voor zichzelf ook nectar zoekt op bloemen. Achter de ogen hebben ze een opvallend orangele kleurrand. De vleugels zijn roodbruin en ook die vallen op. De kop is vrij breed en heeft een wit of geel kopschild (clypeus) en witte of gele wangen (gena), zoals bij dit mannetje goed te zien is. Voor de rest lijkt het dier veel op een gewone wesp. De mannetjes zijn een stuk kleiner dan de vrouwtjes en de bovenkant van het achterlijf toont meer zwart dan geel. Bij de vrouwtjes is dat juist omgekeerd, hoewel ik ook bijna zwarte exemplaren heb gezien. Hier is een mannetje te zien dat samen met een Groene vleesvlieg op één bloem foerageert, waaruit ook de geringe grootte is af te leiden.
De Bijenwolf wordt geparasiteerd door de goudwesp Hedychrum rutilans en enkele vliegensoorten, waaronder blaaskopvliegen van het genus Conops.
Een van de meest fantastisch gekleurde insecten is deze Zandgoudwesp (Hedychrum rutilans), die bij voorkeur parasiteert op de prooien (honingbijen) van de Bijenwolf (Philanthus triangulum). De larven van de koekoekswesp doden de eieren of larven van de Bijenwolf. De Zandgoudwesp is dus een broedparasiet ofwel een koekoekswesp, zoals er ook koekoeksbijen zijn. De wespen foerageren op bloemen voor de nectar en hebben in de duinen een voorkeur voor de Blauwe zeedistel. Die plant is echter vrij zeldzaam, dus de wesp zal zich ook tevreden moeten stellen met andere bloemen.
De knoopwesp Cerceris rybyensis trof ik tegelijkertijd op dezelfde plant aan.
Deze Zandgoudwesp vond ik op de Kaloot samen met andere bijzondere wespen, waaronder ook de bijenwolf in enkele kleurvariaties. De Kaloot is een gebied dat ernstig wordt bedreigd door de aanleg van havens en overslaginstallaties (WCT). Het aanwezig zijn van deze insecten (samen met uiterst zeldzame, heel bijzondere bijen) onderstreept nog eens de belangrijkheid van dit kwetsbare gebied. Het is opmerkelijk dat door bijna alle politieke gezindtes heen er geen oog is voor deze fantastische natuur. Van 'goed rentmeesterschap' heeft men wel eens gehoord, maar de betekenis ervan is, verbazingwekkend genoeg, geheel onbekend geraakt. Het verkwanselen van deze echte rijkdommen is volkomen onbegrijpelijk voor wie de moeite neemt wat verder kijken dan de portemonnee. Het is momenteel (2009) ook financieel niet uit te leggen, want er is in het totaal van de havens van Rotterdam, Antwerpen, Zeebrugge en Hamburg reeds een geweldige overcapaciteit voor container-overslag.
De Zandgoudwespen variëren in grootte van 6 tot 10 mm, afhankelijk van de hoeveelheid voedsel bij de gastheerwesp. Hier zijn nog een paar andere foto's van dit schitterende dier:
foto 2, foto 3, foto 4.
Veel insecten zijn gebonden aan bepaalde planten. Dat geldt ook voor veel bladwespen. Deze Monostegia abdominalis is een bladwesp die het Rood guichelheil als waardplant heeft. Ook op wederiksoorten en melkkruid leven de larven.
Bladwesprupsen lijken erg op de rupsen van vlinders. Er zijn echter enkele duidelijke verschillen. Zo is de kop iets anders, maar in het veld niet zo goed te zien. Beter kan men letten op het aantal buikpoten. Rupsen van vlinders met buikpoten (dus niet die van de spanners) hebben 5 paar buikpoten of minder (naschuiver meegeteld). Larven van bladwespen hebben 6 paar buikpoten of meer. De buikpoten zijn de poten onder het midden van het lichaam, dus na de 3 paar voorpoten en voor de zogenaamde naschuiver. Na de voorpoten komen er bij de vlinderrupsen 2 segmenten zonder poten; bij de bladwespen is dat slechts 1 segment. Het komt er op neer dat je buikpoten moet tellen om gemakkelijk te weten of het bladwespen of vlinders betreft.
Het imago van deze bladwesp is merendeels oranje van kleur met op de thorax en kop wat zwart. Ze zijn ruim 8 mm lang. Dit is een vrouwtje en van Ad Mol, die voor mij de determinatie deed, vernam ik dat deze soort bijna geen mannetjes heeft en zich merendeels parthenogenetisch (ongeslachtelijk) voortplant. De soortnaam 'abdominalis' heeft wellicht te maken met de opvallende zwarte kleur van het zaagje van deze bladwesp, zoals op deze foto van de onderzijde te zien is. Deze fraaie bladwesp was eind april 2009 in mijn tuin present en waarschijnlijk nog maar net ontpopt.
Deze bladwesp Hemichroa crocea was op 14 oktober 2007 bij mij in de tuin nog actief op het blad van een elzenhaag. Dat is dus vrij laat in het seizoen. Op elzen kun je diverse bladwespen aantreffen, zo ook deze Craesus septentrionalis. Evenals de Hemichroa crocea opereren deze larven collectief. Ze vreten systematisch het gehele blad op en vertrekken daarna samen naar het volgende. Bij onheil gaan ze heftig met de achtelijven zwaaien. Dat is soms nodig om parasitaire vliegen (Tachnidae) en wespen af te weren. De sluipwespen proberen eitjes te leggen in de bladwesplarven, zodat er uiteindelijk geen bladwesp uitkomt maar een sluipwesp. Soms worden sluipwesplarven zelf ook weer de dupe van een andere sluipwesp. Zo wordt er dus soms dubbel geparasiteerd, maar zal alleen de laatste soort een nieuw insect geven.
Van het geslacht Nematus (Tenthredinidae, Nematinae) kun je diverse soorten (zowel rupsen als imago's) in de tuin tegenkomen. Ze zijn niet gemakkelijk op naam te brengen vanaf foto. Dit is een vrouwtje met een mooie groene kleur, maar zo niet verder te determineren.
Bij mij in de moestuin zijn bijna ieder jaar wel de Bessenbladwespen (Nematus ribesii) actief. De larven zijn merendeels te vinden op kruisbes, maar ook wel op aalbes.
De Nematus-bladwespen zijn moeilijk te determineren, omdat ze iets variabel zijn en veel op elkaar lijken, zie ook de vorige soort. Er zijn veel min of meer groene soorten. Dit dier is waarschijnlijk via de open voordeur naar binnen gekomen, want het zat bij mij binnenshuis op de muur van de hal. Het is een schitterend gekleurd beestje met veel zwarte tekening op het lijf, mooie groene pterostigma's in de vleugels en het is een vrouwtje. Ik heb het dier opgestuurd naar de expert Ad Mol, die mij aangaf dat het ook met dit insect onder de microscoop nog niet eenvoudig was om een zekere naam te geven. Het is waarschijnlijk de bladwesp Nematus viridis, waarvan de larven op berken leven. Die bomen staan er bij mij in de buurt weinig, maar toch enkele op 300 meter afstand en het zou dus wel kunnen.
Bladwespwespen worden ook wel zaagwespen (Engels: sawfly) genoemd. Die naam refereert aan de wijze van eitjes leggen door de vrouwtjes. Zij hebben aan het eind van het achterlijf een soort zaagje, waarmee ze in een blad van de waardplant een gleufje zagen. Daarin worden de eitjes gedeponeerd, zodat ze wat beschermd liggen.
Een mooi gekleurde algemene bladwesp is de Dolerus germanicus. De kleuren zwart en steenrood maken er een opvallend dier van. De larven leven op heermoes en andere paardenstaarten. Deze kleurcombinatie komt bij bladwespen meer voor en het is dus oppassen bij de naamgeving (det. Ad Mol). De wespen zijn iets variabel in tekening, maar de knieën zijn altijd roodbruin, vooral die van de voorste poten (mannetjes en vrouwtjes). Bij het vrouwtje is het voorste deel van de zijkant van de thorax rood en het achterste deel is grijszwart. Bladwespen die hieraan niet voldoen zullen dus van een andere soort zijn. De mannetjes van de Dolerus germanicus zijn wat anders getekend. De laatste segmenten van het achterlijf zijn zwart en ook de gehele thorax is zwart. Hier zijn nog wat extra foto's van deze bladwesp van een andere datum (aug. 2009): vrouwtje, vrouwtje, vrouwtje, vrouwtje, mannetje, mannetje, mannetje.
Ook sommige andere Dolerus-soorten hebben heermoesachtigen als waardplant, zoals deze geheel zwarte Dolerus eversmanni.
De Salomonszegelbladwesp-larve (Phymatocera aterrima) is een schitterend dier, maar het brengt erg veel schade toe aan Salomonszegel. De rupsen van de bladwespen zijn meestal in een redelijk groot aantal aanwezig en dat resulteert in het geheel kaal vreten van de planten. Dat wordt door de meeste tuinliefhebbers niet zo gewaardeerd. Ze worden dus als vrij schadelijk beschouwd, net als de soort die bessenstruiken als voedsel heeft. Ook die bladwespen laten weinig over van een struikje.
De Salomonszegelbladwesp kent 1 generatie per jaar. Dat is ook logisch, want als de planten zijn kaalgevreten groeien ze datzelfde jaar niet meer uit. Het imago van deze bladwesp is eenvoudig zwart gekleurd.
Veel insectensoorten zijn gebonden aan bepaalde waardplanten die als voedsel dienen voor de larven. Dat geldt ook voor veel bladwespen. Deze Tenthredo mandibularis leeft op Groot hoefblad (Petasites hybridus). Dat staat in de rand van mijn bloementuin achter een muurtje. Deze larve zat op het blad en leek mij al redelijk volgroeid, want de lengte was ruim 19 mm. Ik ben bebieuwd of ik er ook ooit het imago van zal zien. Hier zijn nog 2 foto's van deze larve: foto 2, foto 3.
Veel insecten imiteren andere insecten (mimicri), die gevaarlijker zijn. Zo profiteren zij van het ontzag dat die andere kennelijk uitstralen. Veel zweefvliegen imiteren wespen met hun geel-zwarte bandering. Dit is een bladwesp, die een spinnendoder imiteert. Het is het vrouwtje van de Macrophya annulata. Bladwespen missen de supersmalle wespentaille en nog wat onderdelen, welke de echte rovers nodig hebben voor het vangen van prooien. De bladwespen zijn onderdeel van een zeer grote familie (vele honderden), waarvan ook weer veel exemplaren sterk op elkaar lijken. Ze zijn dus moeilijk te determineren, zoals ook bijvoorbeeld de sluipwespen. De meeste bladwespen voeden zich met stuifmeel, enkele ook met dierlijke producten. Sommige wespen kunnen gallen veroorzaken op de bladeren waarin de eitjes zijn afgezet. Deze mooie wesp is 12 mm lang en zie ik praktisch ieder jaar in mijn tuin. Hier zijn nog foto's van de zijkant en de onderkant.
Dit is een andere bladwesp met een opvallende kleur. Het is de Arge rosae (10 mm) die bij mij te zien was op bloeiende peterselie. Het dier is bekend van enige schade aan roosachtigen. Ze gebruiken ook wel andere waardplanten voor het afzetten van hun eitjes. Het is een mooie wesp, die zeer ijverig stuifmeel en misschien ook wat nectar zoekt. Dit fraaie dier met zijn opvallende zwarte vleugelranden lijkt veel op de Knollebladwesp (Athalia rosae), die ook die donkere vleugelranden heeft, maar een anders gekleurde thorax. Die behoort echter tot de grote groep bladwespen van de Tenthredinidae, waarvan de wespen bijv. een groter aantal antenneleden hebben (9-12); de Arge-soorten slechts 3.
Eind juli 2009 zag ik op schermbloemen elders (omgeving kerncentrale Borssele) deze Arge cyanocrocea foerageren. Het dier is ongeveer 9 mm lang en heeft opvallende zwarte vlekken in de vleugels.
Een nieuwe Arge-soort in onze streken is de Arge berberidis, die bijna geheel zwart is, vrij groot (11-12 mm). Alleen het puntje van het achterlijf is oranje.
De foto rechts toont de Knollebladwesp (Athalia rosae), die ongeveer 9 mm groot is en waarvan de rups een paars-groen-zwart uiterlijk heeft.
De rups van de foto van de Knollenbladwesp heb ik in het najaar van 2006 gevangen en geprobeerd uit te kweken om zekerheid te hebben over de naam. Tot mijn grote verrassing kwam er echter eind mei 2007 een parasiet tevoorschijn: een schitterend parasitair wespje van ruim 3 mm met een punctering op de thorax als van een goudwesp. Het is het bronswespje Perilampus aeneus (Chalcidoidea), die als enige parasitaire wesp van de Athalia rosae bekend staat. Hier is nog een andere foto van dit fraaie wespje te zien, waarop de de typische vleugelbeadering van de Perilampidae beter te zien is.
In april 2007 zag ik in mijn tuin nog een andere Athalia-bladwesp van ongeveer 8 mm. Het was vermoedelijk Athalia cornubiae (Benson, 1931), waarvan de larven wit vetkruid als waardplant hebben en dat staat volop in mijn tuin. Verwarring is mogelijk met A. liberta, waarvan de larven op cruciferen leven. De soort is vanaf deze foto niet met zekerheid te bepalen. De vorm van het laatste buiksegment (achterrand) is bepalend. Het is wel een heel mooi dier met fraai gevlekte poten.
Eind augustus 2009 zag ik weer een paar van dergelijke bladwespen. De laatste segmenten van het achterlijf (onderkant) heb ik voor de zekerheid apart gefotografeerd, zodat de vorm van het laatste segment goed zichtbaar is. Dit was inderdaad een vrouwtje van Athalia cornubiae met haar opvallende gestreepte pootjes. Dit exemplaar was kleiner (6,5 mm) dan dat van 2007.
In mei 2008 zag ik vrij veel oranje-zwart gekleurde bladwespen boven mijn vijver vliegen. Het waren dieren van ruim 9 mm lengte, dus vrij groot. Ik dacht aan een Athalia-soort, maar dat was niet het geval. De wesp van de foto is een mannetje Selandria serva. Wat ik zag was waarschijnlijk zoekgedrag van mannetjes naar vrouwtjes in de vijverrand. De larven van deze soort leven op grotere grassen, biezen en zeggesoorten. Met dank aan Ad Mol voor de naamgeving. Er zijn dus veel soorten bladwespen binnen diverse genera die op het eerste zicht veel op elkaar lijken.
Hier is nog zo'n fraai bladwespje. Het is een mannetje van de Athalia circularis die slechts 6 mm meet. Ze houden van een vochtige omgeving. Bij de rand van water en in moerassen kun je ze dus aantreffen. Deze zat bij mij in de tuin en heeft opvallend gebandeerde achterpootjes. Ze lijken een verkleinde versie van de eerder genoemde Athalia cornubiae, die nog wat meer vlekken op de poten heeft. Wederom dank aan Ad Mol voor de naamgeving.
De Gele pruimenzaagwesp (Hoplocampa flava) wordt beschouwd als schadelijk, omdat de larven pruimen aantasten. De wesp is maar klein. Dit exemplaar had een lengte van 6,4 mm. De larven van deze bladwesp zijn ongeveer 10 mm lang. De larven van de pruimenmot (Grapholita funebrana) zijn roze en tasten het vruchtvlees aan. De larven van deze zaagwesp zijn wit met een bruine kop, en tasten ook de pit van de pruim aan. Er is ook nog een Zwarte pruimenzaagwesp (H. minuta), die dezelfde levenscyclus heeft. Ze hebben maar 1 generatie per jaar. De poppen overwinteren in de grond en komen in april voor of tijdens de pruimenbloei uit. Dan leggen ze hun eitjes op de vruchtbeginsels, waarin de larve zich zal ontwikkelen. Een larve kan overigens overstappen naar een volgende pruim en zo tot wel 5 vruchten beschadigen. Meestal rijpen deze vruchten eerder dan onaangetaste pruimen en vallen dan op de grond. Om de zaagwespen en de pruimenmotten te bestrijden moeten de eerstgevallen pruimen worden opgeruimd, om zo de larven niet de kans te geven om te verpoppen. De larven van de motten gaan overigens niet de grond in, maar zoeken een plekje op de stam of de takken en nestelen zich dan in een spleetje. Hier zijn nog 3 foto's van deze bladwesp: foto 2, foto 3, foto 4.
Het genus Pamphilius bevat in Nederland zo'n 20 soorten. Het zijn merendeels bont gekleurde bladwespen van een redelijk formaat. Deze Pamphilius hortorum meet ruim 12 mm. Bij deze soort is het 2e, 3e en 4e achterlijfsegment rood gekleurd. Op deze foto is te zien dat ook de kaken rood zijn. Met het zwart en geel op de rest van het lijf zijn het fraaie dieren. Waar ze precies van leven en wat de waardplant voor de larven is weet ik niet, maar ik vond deze op brandnetel.
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Bijen en hommels
Zweefvliegen
Overige vliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven