De Sikkelsprinkhaan (Phaneroptera falcata) heeft zoals veel sprinkhanen zeer lange antennen. Naar achteren gericht reiken ze verder dan de uiterste vleugelpunten. Bij het exemplaar van de foto is er kennelijk iets misgegaan, want de antennen zijn veel te kort. Deze sprinkhaansoort heeft bijzondere vleugels: de ondervleugels zijn langer dan de bovenvleugels. Ze behoren tot de sabelsprinkhanen, maar de legboor van de vrouwtjes is relatief kort en wat gebogen.
In tegenstelling tot de vorige soorten is deze maar klein: ongeveer 10-12 mm. Ze zijn zeer divers gekleurd. Het is het Zanddoorntje (Tetrix ceperoi). Geluiden maken ze niet en dat is voor sprinkhanen een uitzondering. Het rugschild van deze 'doorntjes' loopt heel ver door. De bovenvleugels zijn meestal niet goed ontwikkeld, maar de ondervleugels wel. Daarmee kunnen ze goed vliegen. Het exemplaar van deze foto heeft een gele rugstreep. Andere zijn soms min of meer aardkleurig. Daarmee vallen ze minder op. Je moet goed kijken om het dier te zien. Toch zijn de subtiele kleuren op een vergroting best mooi. Op deze foto een dergelijk dier te zien. Ook dit exemplaar is niet zo kleurig, maar heeft een leuke ondergrond gekozen.
In mijn tuin komen wel sprinkhanen voor, maar niet zo veel. Dat komt denk ik merendeels door gebrek aan lange grassen, waarop veel soorten leven. In de duinen dicht bij mij in de buurt zie je andere soorten en sommige zijn daar zeer talrijk. Daar kwam ik ook dit vrouwtje van de Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens) tegen. Het was overigens slechts het enige exemplaar van die soort die ik daar zag. De lichtblauwe kleur van de vleugels zie je pas als ze opvliegen. De kleur van de buitenkant van een vrouwtje is lichtbruin. De mannetjes zijn meer groenachtig met enkele lichte en donkere vlekken op de poten en de buitenkant van de voorvleugels. Het betreft een grotere soort, die niet zo schuw is. Veel andere sprinkhanen laten aan een fotograaf niet veel toe, maar deze poseerde gewillig. Het dier is wel enkele keren opgevlogen, maar bleef steeds langdurig zitten. Opvallend is dat het halsschild bij deze soort bovenop uitloopt op een punt.
Op de dag dat ik in de duinen bij mij in de buurt de Blauwvleugelsprinkhaan zag, waren er ook andere soorten, waarvan het Knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus) een zeer talrijke sprinkhaan was. De Ned. naam is gebaseerd op de knotsvorimige uiteinden van de antennen van de mannetjes. Bij de vrouwtjes, zoals die van bijgaande foto, is dat veel minder het geval. De dieren zijn variabel gekleurd, van groen tot grijsbruinachtig. Ze zijn daarnaast te herkennen aan de vorm van de zijkielen op het halsschild. Die zijn sterk geknikt met een lichtgekleurd randje. Om dat laatste herkenningspunt wat duidelijk te maken geef ik van hetzelfde dier hier nog een dorsale en een laterale foto.
Tot de sprinkhanen en krekels behoort ook de Veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa). Het is een groot insect dat tot ruim 5 cm lang kan worden. De dieren graven gangenstelsels in de grond en ze leven merendeels van dierlijk voedsel, zoals larven van andere insecten en regenwormen. Ook ondergrondse delen van van planten worden gegeten, maar de meeste beschadigingen aan gewassen onstaan door het wortelknagen voor het instandhouden van hun gangenstelsels. Vanwege het laatste zijn ze niet erg geliefd bij tuinders, omdat ze veel schade kunnen toebrengen. Ze hebben sterk verbrede voorpoten met graafklauwen waarmee ze gemakkelijk graven. Ze kunnen ook vliegen en doen dat bij voorkeur op warme avonden om zich te verspreiden. De vrouwtjes verzorgen de eieren en bewaken de jonge veenmollen nog enige tijd. Pas na 2 jaar zijn ze volwassen. De volwassen dieren houden in het koude jaargetijde een winterslaap.
Mierenkolonies zijn lastig in de tuin. Ze ondergraven veel tegels en ze kiezen dikwijls plaatsen, waarvoor wij weinig waardering hebben. Regelmatig komt bij mij in de tuin een groene specht mieren zoeken. Zo worden er wat opgeruimd. Ze zorgen zelf voor opvolging door grote aantallen jonge koninginnen aan te maken. Als op een sein komen ze, meestal laat in de middag, allemaal tegelijk naar buiten - ook uit andere nesten in de buurt - en op dat moment komen ook de veel kleinere mannetjes tevoorschijn. De paring geschiedt hoog in de lucht. Na de bruidsvlucht verliezen ze de vleugels. Ze vestigen zich merendeels in zusterkolonies in de buurt van het oude nest. Het verschil in grootte tussen een koningin en een gewone werkster-mier (zonder vleugels) is hier goed te zien. De kleinere exemplaren met vleugels zijn de mannetjes. Op deze foto zijn 2 vrouwtjesmieren te zien van dit meest voorkomende type, die op de vorige foto met gevleugelde koninginnen niet zo duidelijk te zien waren. Het zijn exemplaren van de Zwarte wegmier (Lasius niger), die overal onder stenen en tegels te vinden is en dikwijls wordt beschouwd als een plaag, omdat ze een eindeloos geduld hebben om voor hun nestholten te blijven graven waardoor tegels verzakken. Ook de bij dit item getoonde jonge koninginnen zijn dus van deze soort. Ze zijn overigens niet geheel zwart maar meer bruinachtig. Het zijn alleseters. Het zijn mieren die ook graag kuddes luizen hoeden. Ze doen zich dan tegoed aan de zoete uitscheiding die bij de luizen overblijft na vertering van de opgezogen plantensappen. Hier zijn ze zo bezig met een kolonie luizen op tuinboon.
Een voor velen ook bekende mier, naast de Zwarte wegmier, is de Behaarde rode bosmier (Formica rufa). Het zijn de mieren die in staat zijn enorme mierenhopen te bouwen van allerlei klein dood plantaardig materiaal. De kolonies bestaan uit vele tienduizenden exemplaren en het is dan ook meestal een drukte van belang. Ze komen voor in de duinen, bossen en heidevelden. In het voorjaar komen ze dikwijls massaal naar buiten om warmte op te vangen door te zonnen en dat zo naar de binnenkant van het nest te transporteren. Die paar graden verschil zijn al genoeg om de atmosfeer binnenin het nest geschikt te maken voor het broed. Ze vangen allerlei dierlijk materiaal dat naar het nest gesleept wordt, maar ze eten ook wel enig plantaardig meteriaal. Het zijn dus omnivoren met een voorkeur voor dierlijk voedsel. Ze lopen vrij ver van het nest verwijderd en kunnen dat terugvinden door geursporen af te zetten. Zo kunnen ze andere werksters waarschuwen dat de prooi te groot is voor 1 mier en gezamenlijk halen ze dan de buit op.
De soort is in Nederland beschermd. Daar trekt de Groene specht zich niet zo veel van aan, want die lust ze graag. In het voorjaars- en zomerseizoen is het bijna de enige insectensoort die deze vogel eet en ook aan zijn jongen voert. In de winter graven ze dilwijls zo diep naar de overwinterende mieren, dat er brede gangen in het nest ontstaan, die de mieren zo niet bedoeld hebben. Mieren leven dus het gehele jaar sociaal, net als de honingbijen. Andere sociaal levende insecten doen dat alleen in de voortplantingsperiode, zoals hommels en papierwespen.
Deze mieren staan bekend als tamelijk agrssief. Ze vallen massaal belagers aan, bijten met hun kaken en spuiten er bijtend mierengif in. Een angel, zoals bijen en wespen die hebben, hebben mieren niet. Mieren hebben tussen het middendeel en het achterlijf van het lichaam een vierde lichaamsdeel zitten, bij deze soort in de vorm van een punt. Dat is de zogenaamde schub. De mieren die poppen hebben in het voortplantingsproces zijn schubmieren; andere hebben geen poppen in cocons, maar naakte nimfen en die behoren tot de zogenaamde knoopmieren. Daar is het lichaamsdeel tussen achterlijf en thorax in de vorm van 2 knopen in plaats van 1 rechtopstaande schub.
Verwar mieren niet met andere insecten die er veel op lijken. De mieren zijn sterk verwant aan de wespen en sommige wespen lijken veel op mieren, zeker als ze vleugelloos zijn, zoals deze Mierwesp smicromyrme rufipes.
Bij het fotograferen van bepaalde insecten kom ik dikwijls ook andere soorten tegen. Dat is met luizen dikwijls het geval. Mijn tuin is niet zo steriel, dat die ontbreken. De luizen op deze foto zitten op Valeriaan en het zijn zo goed als zeker Zwarte bonenluizen (Aphis fabae), die zeer algemeen zijn, maar zeker niet alleen op bonen zitten. Ze zijn polyfaag. Veel luizensoorten zijn plantgebonden (monofaag) en zijn bijvoorbeeld te zien op Klimop, Vlier en allerlei andere planten. Deze luizen op Artisjok zijn zeer waarschijnlijk weer gewone Zwarte bonenluizen. Ze zitten meestal op de toppen van de groeischeuten van planten, want daar zijn de sappen het best van kwaliteit. De luizen hebben een zeer goed aangepaste zuigsnuit om in de bast te steken en de sappen op te zuigen. Hier is een foto van de 'echte' Zwarte bonenluis. Ze foerageren op dit plaatje op tuinboon in mijn moestuin. De net vervelde nimfen zijn wat lichter van kleur. De helder oranjerood gekleurde diertjes zijn mijten die op de luizen leven. Hier zijn een gevleugeld en opvliegend exemplaar te zien. De zwarte luizen op vlier zien er ongeveer hetzelfde uit, maar het is een andere soort: Aphis sambucci.
De vorige soorten luizen zijn allemaal zogenaamde bladluizen. Er zijn echter nog veel meer soorten luizen, ook die gespecialiseerd zijn op zoogdieren of vogels. Op planten en bomen komen naast bladluizen bijv. ook nog takluizen voor. Het zijn wat grotere dieren (circa 4 mm) en ze komen onder andere voor op diverse coniferen en naaldbomen. Ze kunnen net als bladluizen zowel gevleugeld als ongevleugeld zijn.
Veel insecten die op planten parasiteren zijn bijna uitsluitend uit op eiwitten. Dat is bij luizen ook het geval. Om voldoende eiwitten te bemachtigen via de plantensappen, krijgen ze ook grote hoeveelheden suikers binnen. Die hebben ze niet nodig en scheiden ze weer vrij snel uit als zogenaamde 'honingdauw'. Dat is bijvoorbeeld het geval bij cicaden, bladvlooien en luizen. De uitscheiding van suikers is dikwijls zo sterk en massaal dat een gehele boom plakt van de zoetigheid op de bladeren. In dat geval wordt de honingdauw ook verzameld door honingbijen die er een heerlijke donkerkleurige bladhoning van maken.
Sommige mierensoorten zijn gespecialiseerd om de luizen te exploiteren om zo aan de suikers te komen, die de luizen niet nodig hebben en de mieren juist wel. Zo past alles mooi in elkaar. Je ziet dat verschijnsel vooral bij luizensoorten die in grote aantallen bij elkaar verblijven. Het zijn dan net kuddes vee, die door de mieren gehoed en gemolken worden. De mieren lopen af en aan en contoleren de luizen op de mogelijkheid van afgifte van overtollige suikers. Zij stimuleren dat door met de sprieten en voorpoten het achterlijf van de luis te bewerken. Dat is het melken van de luizen. De luis produceert daarop een druppel vocht die veel voor de luis overtollige suikers bevat en de mier likt dat op. Omdat de mieren enigszins van de luizen afhankelijk zijn, beschermen ze deze ook tegen predatoren, zoals Lieveheersbeestjes, die vooral luizen eten.
De luizen op bijgaande foto's zijn de bekende Zwarte bonenluizen, maar ook andere soorten gedragen zich op dezelfde manier. Ze leven in grote aantallen bij elkaar en de levencyclus is vrij complex. Enkele exemplaren worden gevleugeld geboren, zodat zij zich ook gemakkelijk kunnen verplaatsen en weer nieuwe kolonies stichten. Op een vorig getoond plaatje (links onder het midden) is slechts 1 gevleugeld exemplaar te zien.
Dit soort luizen hebben in voorjaar en zomer een ongeslachtelijke voortplanting (parthenogenese). Dat wil zeggen dat er dan uitsluitend vrouwtjes worden geboren. Ze zijn dan levendbarend, dus er worden complete jonge nimfen geboren. De meeste zijn vleugelloos. Enkele gevleugelde exemplaren kunnen gemakkelijk elders weer een kolonie stichten.
In het najaar worden (grote) ongevleugelde vrouwtjes geboren en (kleine) gevleugelde mannetjes. De mannetjes zoeken een vrouwtje om mee te paren en de vrouwtjes leggen daarna vrij grote (donkere) eieren in bladknoppen en schorsspleten. Die eieren overwinteren. Ze kunnen vorst goed verdragen. Uit de eieren komen in het voorjaar alleen gevleugelde vrouwtjes. Die verspreiden zich en stichten nieuwe kolonies. Deze vrouwtjes produceren dan merendeels ongevleugelde vrouwtjes, die weer levendbarend zijn en (onbevrucht) alleen nieuwe vrouwtjes geven. De volgende generaties ontstaan in een geweldig tempo, zodat er binnen korte tijd zeer grote kolonies kunnen zijn. Na de zomer herhaalt zich de cyclus.
Een soort die zich ook vliegend verplaatst is de Groene perzikluis (Myzus persicae, Sulzer, 1776), maar de schadelijkheid van die soort wordt mede bepaald door de verspreiding van bepaalde virussen, die schadelijker zijn dan de zuigschade aan de planten.
Ze kunnen tot vrij laat in het jaar actief zijn, want deze kolonie zag ik omstreeks half oktober 2006.
Bij de eerst getoonde foto's zitten de luizen op tabak (Nicotianum tabacum), die ik om de paar jaar in mijn moestuin teel als berokingsmateriaal voor mijn honingbijenvolken. De tabaksplanten hebben zeer veel klierhaartjes en zijn erg kleverig. Veel insectjes plakken eraan vast, maar de luizen hebben er geen enkele hinder van.
Deze luizensoort is niet zo kieskeurig en je kunt ze dus op diverse planten vinden. Ze zijn ook bekend als luis in de aardappelteelt. Ik zag ze bij mij in de tuin ook op rucula (Eruca sativa) en dit zijn er foto's van: foto 1, foto 2, foto 3.
Een zeer veel voorkomende luis is de Gewone rozenluis (Macrosiphum rosae). In bijna ieder tuin bij mij op het dorp staan wel enkele rozen. Ik schat dat er zo'n 1000 van die tuinen zijn. Als er gemiddeld 5 rozen staan geeft dat al een respectabel aantal luizen. Een roos zal gemiddeld (afhankelijk van de grootte van de plant en vooral het aantal bloemstelen) zeker 100 van deze luizen hebben, dus 500 per tuin en dan heb ik de gemeentelijke plantsoenen nog niet meegeteld. In geheel Nederland zijn er ongeveer 5.000.000 eengezinswoningen met tuinen. Het aantal Gewone rozenluizen in al die tuinen komt dan geschat uit op:
5.000.000 x 500 = 2.500.000.000. Dit aantal te verdubbelen voor alle rozenluizen in de gemeentelijke plantsoenen e.d., dus totaal 5 miljard rozenluizen. Het is maar een schatting van alleen deze soort. Vermoedelijk is het een veelvoud daarvan.
Op deze foto zijn diverse luizen van deze soort te zien, ook nimfen in een paar stadia. Eén exemplaar is daarop gevleugeld te zien. Dat is een van de bijzonderheden van luizen: sommige hebben vleugels, andere niet. De gevleugelde luizen kunnen zich gemakkelijker verplaatsen en weer een nieuwe kolonie opzetten op een verse rozenknop elders. Ze zitten het liefst direct onder de knop, omdat de sappen van de rozensteel daar het meest voedzaam zijn. In de zomer verplaatsen ze zich ook wel naar kaardenbolplanten.
Er is ook nog een Gele rozenluis (Rhodobium porosum), maar die komt uitsluitend voor in kassen, waar rozen als snijbloem worden geteeld, maar ook op aardbeien onder glas.
Je kunt goed zien dat ze bezig zijn met sapzuigen. Daartoe zijn ze efficiënt toegerust, namelijk met een zuigsnuit. Daarom worden luizen (met de wantsen en cicaden) in de orde van de snaveldragers (Hemiptera) ingedeeld.
Een luis met een naam die wat verwarring geeft is de Aardappeltopluis (Macrosiphum euphorbiae). Je zou denken dat ze alleen op aardappel voorkomen, maar dat is niet het geval. Je kunt ze zien op allerlei planten, waaronder vooral nachtschadesoorten, waartoe de aardappel behoort. In kassen leven ze ook op bijvoorbeeld andere planten van die familie zoals tomaat, paprika en aubergine. Ze zitten daarnaast op allerlei andere planten.
Het zijn luizen met een forse grootte tot maximaal 3,6 mm. Dat lijkt niet veel, maar voor een luis is dat zeer groot. Ze hebben een iets langwerpig, peervormig lijf. Ze zijn er in enkele kleurvariaties. Opvallend bij de dieren zijn altijd de rode oogjes en de lange antennen (ongeveer 5 mm). Ze hebben ook relatief lange siphonen. Dat zijn de 2 uitsteeksels op het achterlichaam waarmee ze een was-achtige substantie uitscheiden. Ook de cauda (staartje) is vrij lang.
Via de anus wordt veel zogenaamde honingdauw afgescheiden. Dat is een suikerrijk restproduct van de verwerkte plantensappen, dat de luis verder niet kan gebruiken. Mieren en honingbijen zijn er dol op. De bladeren van de planten krijgen daardoor een plakkerig uiterlijk. Als die planten voor commerciële doeleinden zijn bedoeld is dat niet zo aantrekkelijk. De luizen zuigen de plantensappen met hun zuigsnuit uit de bladeren en stelen. Ze hebben een voorkeur voor de plekken waar de groeikracht het grootst is. Dat zijn dus de jonge stengels waar de sappen het best zijn. Zoals alle luizen vermenigvuldigen ze zich snel en kunnen zo tot een plaag worden. In de kassen worden ze extra gestimuleerd door de warmte, zodat ze heel gemakkelijk overwinteren zonder pauze in de voortplanting.
De Vuilboomkuis (Aphis frangulae) dankt zijn naam aan de waardboom, waarop deze luizensoort (als eitje) overwintert. Ze zijn echter inmiddels ook gevonden op andere winterwaardplanten: catalpa, hibiscus, komkommer en chrysant. Het zijn polyfage luizen die in de zomer op allerlei planten voorkomen. Helaas voor veel landbouwers, net als de vorige soort, ook op aardapppelen. Ze zijn wat moeilijker te bestrijden, want het normale luizenbestrijdingsmiddel (Pirimor) heeft geen effect op deze luizen, want ze zijn ongevoelig voor pyrethroïden. Ze worden overigens nog maar sedert het eind van de 20ste eeuw op aardappel aangetroffen en het is dus een soort nieuwkomer op dit product. Ook op andere planten, zowel cultuur- als natuurgewassen kan de luis worden gevonden. Ze komen voor in geheel Europa en in de Verenigde Staten van Amerika. De volwassen luizen hebben fraaie kleuren: merendeels groen en blauw. De cauda en syphonen zijn zwart; de poten hebben een donkere aanzet en de rest is vrij licht, maar het eind is weer donker; de antennen hebben een donkere scapus en dan een lichte aanzet van de flagellomeren die naar het eind toe donker worden; de antennen hebben een lengte van ruim de helft van het lichaam; de ogen van de nimfen zijn rood, van de imago's zijn ze magentakleurig. Bij mij in de tuin zaten ze op Nepeta (Kattenkruid). Hier zijn wat extra foto's van deze luis, waarin zowel imago's als nimfen te zien zijn:
foto 2, foto 3, foto 4.
In mijn tuinvijver komen in de loop van het seizoen op de waterlelie luizen te zitten. Dat begint zo ongeveer half juni en dan gaat het zeer snel. Het zijn er vele honderden, zo niet duizenden. Ik spuit ze er met de tuinslang wel eens af en dan ben je ze even kwijt. Bij massale bezetting schijnen ze de plant echte schade te doen. Ze zuigen vooral sappen op de onderkant van de bladeren en de bladstelen van het blad dat niet drijft maar boven het water uitsteekt.
Het betreft de Waterlelieluis (Rhopalosiphum nymphaeae), een vrij kleine luis die wat variabel in kleur is. Ze hebben wél allemaal een metalic glans op het lijf. De cauda (staartje) is kort en de siphonen zijn aan het eind donker gekleurd. De niet-gevleugelde exemplaren zijn wit bestoven op de kop en de poten. Waarschijnlijk is dit afkomstig van een wasafscheiding. Gevleugelde luizen van deze soort hebben op de rand van de voorvleugel een donkere langwerpige cel. De luizen schijnen te overwinteren op pruimenbomen. Binnen een straal van 50 meter staan er enkele tientallen van deze bomen. Dat komt ze dus vermoedelijk goed uit. In de loop van de voorzomer stappen ze over op de waterlelie.
Hier zijn wat extra foto's van deze luis, waarin verschillende stadia te zien zijn, dus zowel imago's als nimfen:
foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6.
Een zeer fraaie, wat grotere luis is de Boerenwormkruidluis (Macrosiphoniella tanacetaria). Ik heb het Boerenwormkruid in mijn tuin staan, omdat de plant zeer veel aantrekkingskracht heeft op allerlei insecten. Er komen veel bijen, wespen, wantsen en zweefvliegen op af. Deze luis is er kennelijk aan gebonden. Ik zag er maar 1 exemplaar van en het dier viel mij op door de fel oranje gekleurde mijten. Bladluizen kunnen diverse mijtensoorten bij zich hebben. Of ze voor de luizen ook schadelijk zijn weet ik niet, maar ik vermoed dat het zal meevallen. De relatie gastheer-parasiet kan in normale gevallen alleen bestaan als de gastheer het overleeft.
Ook de bladluis Metopeurum fuscoviride is op boerenwormkruid te vinden voordat ze bloeien. Ze zitten in de groeitoppen van de planten, omdat daar de kwaliteit van de plantensappen het best is. De luis heeft een mooie kleur en het zijn bij deze soort slechts kleine kolonies, zodat de schade reuze meevalt. Zoals veel soorten worden ze gehoed en 'gemolken' door zwarte wegmieren. De naam van de luis kreeg ik van Ad Sonnemans. Te onderzoeken luizen conserveer ik in alcohol en zo worden ze naar de onderzoeker opgestuurd. Hij maakt er preparaten van voor microscopisch onderzoek. Dan wordt aan de hand van determinatietebellen de soortnaam bepaald. Dat is specialistenwerk en daarvan zijn er in Nederland maar enkele. Er zijn wel erg veel soorten luizen, zo'n 700.
Een bekende luis van pruimenbomen is de Melige pruimenluis (Hyalopterus pruni). Ze zijn massaal aanwezig , meestal op de jonge scheuten. In de loop van de zomer stapt deze luis over naar een andere waardplant, namelijk op enkele riet-soorten, waarvan deze foto. Dat is heel opmerkelijk, want riet en pruimenbomen hebben niets met elkaar gemeen. De luizen kunnen zeer talrijk zijn en verspreiden wasdeeltjes over zichzelf en de bladeren. Het geheel ziet er bepoederd uit.
Hier zijn nog wat extra foto's van deze luis, zowel als groep als eenling:
foto 2, foto 3, foto 4, foto 5.
De Zwartbruine irisluis (Aphis newtoni) heeft een voorkeur voor het blad van irissen. Het zijn bij mij nooit grote kolonies en ik moest voor de foto's flink zoeken naar de plekken waar de luizen zaten. De poten en het eerste deel van de antennen zijn licht van kleur. Bij de nimfen is de kop dikwijls wat 'wollig' door wasafscheidingen. De nimfen zijn herkenbaar aan de niet volgroeide cauda (staartje) en de slechts in aanleg aanwezige vleugels. Overigens krijgen niet alle volwassen dieren vleugels. Dat is maar een klein deel en die kunnen zich dus vliegend verplaatsen om elders kolonies te starten. De volwassen dieren zijn zwartbruin van kleur. Hier zijn nog 2 foto's van deze luis, waarin verschillende stadia te zien zijn, dus zowel imago's als nimfen:
foto 2, foto 3.
Veel luizen zijn zonder microscopisch onderzoek niet op soortnaam te brengen. Deze luis zat bij mij in de tuin op centaurie. Het blijkt een Uroleucon-soort te zijn (det. Ad Sonnemans). Ze zijn donker met een rode gloed. De top van de dijen is zwart en de de rest van de poten licht van kleur. De nimfen zijn meer roodachtig. Ze hebben lange siphonen en een lange cauda. Hier is er nog een plaatje van.
Sommige soorten luizen produceren veel wasdeeltjes, waarmee ze hun lichaam en omgeving gedeeltelijk bedekken. De Wollige appelbloedluis (Eriosoma lanigerum) leeft op wortels van appelbomen, maar komt meestal na enige tijd als de omstandigheden geschikt zijn ook voor op de takken. Ze produceren veel was in de vorm van dunne draadjes en de bedekking ziet er uit als wol. Als je de luizen plet komt er roodachtig lichaamssap uit. Vandaar de naam. Als het er veel zijn kunnen ze schadelijk zijn voor appelbomen.
Hier zijn nog wat extra foto's van deze luis en de verschijningsvorm (wol): foto 2, foto 3, foto 4.
De Grijze kamperfoelieluis (Hyadaphis foeniculi) leeft bij mij niet op kamperfoelie maar op grote engelwortel, een schermbloem. De luis is polyfaag en daarom is de Nederlandse naam wat vreemd. Ze komen voor op kamperfoeliesoorten (Lonicera), maar ook op aardappelen en schermbloemen, waaronder wortelen, lavas en engelwortel. Er zullen nog wel meer waardplanten zijn. Het is een luis die niet door mieren wordt gehoed en gemolken. Dat is al een belangrijk feit bij het zoeken naar de naam. Deze luizen zijn voor mij gedetermineerd (met microscooppreparaten) door Ad Sonnemans, waarvoor dank. Als je met Google zoekt krijg je veel scores op de soortnaam, maar zeer weinig foto's van enige kwaliteit, waardoor er slechts weinig herkenbaar is. Op foto zijn luizen echter bijna nooit te determineren.
De soort komt bijna wereldwijd voor en kan een plaag zijn op bepaalde gewassen. Dat zijn bijv. schermbloemigen als wortelen, waarvan zaad wordt geteeld. Deze luis is wat variabel in kleur en zeker niet alleen grijs zoals de Nederlandse naam doet veronderstellen, maar dikwijls meer grijsgroen of licht grauwbruin. De poten zijn merendeels donker. De basis van de antennen is zwart en dan volgt een licht gekleurd deel, het eind is weer zwart. Jonge nimfen zijn lichtgroen, oudere wat grijsgroen met hier en daar wat zwart en de poten zijn nog licht van kleur. Siphonen en cauda van adulte exemplaren zijn redelijk lang. De siphonen zijn licht gezwollen. Ze zuigen op de engelwortel sappen bij de zaadstelen en de zaden zelf. Hier zijn wat extra foto's van deze luis, waarin verschillende stadia te zien zijn, dus zowel imago's als nimfen: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5.
Een over het algemeen niet zo gewaardeerd insectje is de Koolwittevlieg (Aleyrodes proletella). Ze zitten graag op boerenkool en spruitkool. Uit ervaring met het oogsten van onbespoten boerenkool, weet ik dat er hele wolken van deze diertjes afkomen van de onderkant der bladeren. Ze zijn ook niet erg gevoelig voor insectenbestrijdingsmiddelen. Deze witte vlieg is geen 'vlieg' maar behoort ook tot een familie (Aleyrodidae) van de Hemiptera. Ze zuigen sappen aan de onderkant van de koolbladeren. De insecten zien er brokkelig uit en ze verliezen ook steeds was-achtige witte schilfers, waarmee de kolonies goed zichtbaar zijn op de bladeren. Ze zitten meestal met veel exemplaren bij elkaar en alle stadia zijn dikwijls vertegenwoordigd, dus ook eitjes en nimfen. Op deze foto staan geen nimfen, maar wel enkele eitjes. Door de kleur en de geringe grootte (2 mm) zijn ze moeilijk te fotograferen in close-up.
Iedereen kent wel de schuimklodders in de bladoksels van bepaalde planten. Het wordt ook wel koekoeksschuim genoemd, maar met een koekoek heeft het niets van doen. De veroorzaker is de nimf van het Schuimbeestje (Philaenus spumarius), een cicadesoort, die plantensappen zuigt en de nimfen produceren een dot schuim waarin zij zich schuil houden. Op deze foto is dat schuim te zien en de nimf schemert wat door aan de voorkant. Als je het beestje eruit haalt, blijkt het een vrij week nimfje te zijn, zoals de eerste foto toont. De volwassen cicades van deze soort hebben een variabel gekleurd uiterlijk. Ze kunnen heel verschillend van tekening zijn. Hier nog een plaatje van de voorkant van hetzelfde lichtgekleurde dier. Andere zijn veel donkerder zoals dit exemplaar. Ze zijn ongeveer 6 mm lang en lijken wat op deze grotere soortgenoot: de Aphrophora alni, die echter de helft groter is. De meeste cicaden kunnen geweldige sprongen maken.
Bij veel cicaden zijn de voorvleugels niet vliezig maar verhard. Bij enkele soorten is dat anders, zoals bij deze schuimcicade Cixius nervosus, zodat de vleugeladers zichtbaar zijn. Het ziet er kantachtig uit met al die stippen op de aders. Ze leven op allerlei bomen.
Het gewone spuugbeestje is wel wat variabel van kleur, maar toch een beeteje saai. Een andere, iets grotere schuimcicade is de Bloedcicade (Cercopis vulnerata) en die is beduidend opvallender gekleurd met zijn zwart-rode tekening. Er is nog een andere soort Bloedcicade, maar die is zeldzaam in Nederland. Het is de Cercopis sanguinolenta. Bij die soort zijn de rode vlekken wat kleiner en de laatste vlek op de vleugels loopt niet paralllel met de vleugelrand, zoals bij C. vulnerata.
De larvan van bloedcicades leven op wortels van verschillende planten en ze zijn het meest te vinden in bosachtige gebieden, maar daarbuiten niet helemaal afwezig. Dit exemplaar zat in mijn tuin en daar is in de wijde omtrek geen bos te bekennen.
Er zijn een aantal soorten cicaden, onderverdeeld in families, en zo zijn er ook zogenaamde Spoorcicaden, zo genoemd vanwege de grote spoor aan de achterschenen. De cicade van deze foto is zo'n spoorcicade en wel de Delphax pulchellus. Op deze sterke vergroting van de kop is ook die spoor nog net te zien. Daarnaast is het leuk om andere details te ontdekken, zoals bijvoorbeeld de zuigsnuit en de vorm van de antennen. Ook dit is maar een klein insect van ongeveer 6 mm lengte.
Kijk voor een beschrijving van spinnen en hun leefwijze op de site van Henk Merts.
Op de olijfwilg (Elaeagnus ebbingei) in mijn tuin zitten in mei vele tientallen Bladvlooien. Deze insecten behoren tot een aparte orde: Psyllidae. Ze lijken wel wat op cicaden, kunnen goed springen met hun lange achterpoten, maar hebben langere sprieten en ze leven anders. Opvalllend aan dit dier is een vorkachtig einde van de antennen. Ze zijn maar klein met zo'n 3 mm lengte. Veel soorten bladvlooien zijn gebonden aan slechts één soort plant of struik. Dat lijkt met deze ook het geval. Kees den Bieman gaf me de naam van dit insectje: Cacopsylla fulguralis, een importsoort voor Nederland, die in heesterkwekerijen als schadelijk wordt beschouwd, niet zo zeer door de zuigschade maar door het verspreiden van roetschimmels op door de bladvlooien achtergelaten honingdauw. Dat is een afvalproducht bij de vertering van de plantensappen. Mieren zijn er dol op. De meeste honingdauw wordt overigens geproduceerd door bladluizen.
Nog zo'n aparte orde vormen de Stofluizen (Psocoptera). Er zijn tientallen soorten en de meeste zijn klein. Dit explaar is waarschijnlijk Ectopsocus briggsi, die vage vlekjes heeft op de vleugelranden. Met de vleugels erbij zijn ze niet groter dan 3 mm. Ze hebben 3 ocelli, waarvan de voorste (middelste) kleiner is dan de andere. Ze lijken veel op de vorige soort (bladvlo), maar die kunnen springen en hebben een zuigsnuit. Deze vliegen alleen (als ze vleugels hebben, want er zijn ook soorten zonder) om zich te verplaatsen en anders zal dat lopend gebeuren. Vele leven merendeels van schimmelsporen, stuifmeel, algen en dat soort plantaardig voedsel. Sommige hebben zich gespecialiseerd op houthoudend papier en kunnen zeer schadelijk zijn in archieven en bibliotheken. Andere eten soms dierlijk voedsel in de vorm van gedroogde insecten. Dus voor verzamelingen kunnen ze even schadelijk zijn als de museumkevers.
Om elkaar voor de voortplanting te vinden gebruiken ze lokstoffen. Ook maken ze tikkende geluiden. Vele hebben echter geen mannetjes nodig, want die planten zich ongeslachtelijk voort (parthenogenese). Sommige zitten in zelfgesponnen webjes bij elkaar. Er zijn meerdere generaties per jaar.
Veel stofluizen leven op planten en bomen, maar sommige hebben zich gedomesticeerd en leven dus binnenshuis. Dat zijn nog aardig wat soorten, die nauwelijks uit elkaar zijn te houden. Dat komt vooral door het kleine formaat. De stofluis Liposcelis bostrychophila (Badonnel, 1931) is zo'n soort en zeer algemeen. Je vindt ze in laatjes, doosjes, rommelhoekjes en dergelijke. Deze zat bij mij in de woonkamer in een doos met diverse bewaarspulletjes, maar ik zag daarin slechts 2 stofluizen en naast de eerstgenoemde ook Liposcelis pearmani (Lienhard,1990). Beide soorten zijn ongevleugeld en vrij klein (1,1 mm). Ook Liposcelis corrodens (Heymons, 1909), is een algemene soort die bij mij voorkomt (1,1 mm).
In mijn schuur zijn ze natuurlijk ook te vinden. Daar ving ik in een lade met gereedschappen een andere zeer algemene soort, die kort gevleugeld is, namelijk Lepinotus patruelis (Pearman, 1931). Ik zag zowel mannetjes, vrouwtjes en nimfen. De vrouwtjes (1,7 mm) zijn groter dan de mannetjes (1,4 mm). De nimfen zijn net iets kleiner met 1,3 mm. De maat kan ik berekenen vanaf foto's op millimeterpapier. Ze leven van stof van allerlei afkomst: plantaardig (bijv. stuifmeel), dierlijk (bijv. huidschilfers en restanten van dieren, vervellingsresten, coconresten).
Al deze stofluizen zijn voor mij op naam gebracht door dr Charles Lienhard van het Natuurhistorisch Museum te Genève. Hij bekijkt ze via de microscoop na er eerst een preparaat op een microscoopglaasje van te hebben gemaakt. Deze wetenschapper en Courtenay N. Smithers (Australië), waarmee hij samenwerkt, gelden als de belangrijkste experts op dit gebied (orde Psocoptera).
Op 23 februari 2009 zag mijn vrouw op een stapeltje enveloppen een beestje zitten, dat zij niet direct herkende. Ik meende er een stofluis in te zien en heb er wat foto's van gemaakt. Het was een bijzonder dier. Vrij groot voor een stofluis (1,8 mm), lange antennen (2,4 mm), lange poten en vrij korte doch langbehaarde vleugels met slechts enkele lengte-aders. Ik kwam al zoekend naar de naam terecht bij Bob Saville, een Engelse stofluisexpert, die echter alleen de soorten van buitenshuis 'doet'. Hij herkende evenwel direct de soort en was opgetogen, omdat het een zeer zeldzame verschijning is. Hij adviseerde om de expert bij uitstek te raadplegen: dr Charles Lienhard. Die laatste bevestigde mij de naam op foto en later na onderzoek van het toegezonden insect. De soort is nog maar bekend vanaf 1989 en is slechts in enkele landen van Europa in zeer geringe aantallen waargenomen. Voor Nederland was er nog geen waarneming bekend, dus dit was de eerste.
De naam van deze stofluis is Dorypteryx longipennis (Smithers, 1991). De soortnaam 'longipennis' zal te maken hebben met de langgeveerde vleugels. Op foto 3 is te zien dat het dier ook vrij lange tasters heeft bij de monddelen. Ze hebben geen ocelli, zoals Ectopsocus briggsi die wél heeft. De meeste stofluizen kunnen niet springen. Deze doet dat echter wél en dat bemerkte ik bij het fotograferen. Ze zitten geen moment stil en maken af en toe een sprongetje van
ruim 1 cm. Dat is voor dit dier 5-6 maal de lichaamslengte. Ook dat is dus bijzonder.
Charles Lienhard (Zwitserland) heeft samen met Courtenay N. Smithers (Australië) enkele gezaghebende handboeken geschreven over alle wereldwijd bekende Psocoptera. Deze stofluis is pas ontdekt in 1988 in een huis in Luxemburg. De beschrijving van de soort (1991) door Smithers was op basis van gevonden exemplaren op importfruit uit Nieuw-Zeeland in Australië. Tussen 1988 en 1992 is de soort ook een keer vastgesteld in Sidney, Australië op een partij uit Nederland geïmporteerde tulpenbollen, die zelfs eerst nog enige tijd in quarantaine was geweest. Dat had dus niet veel geholpen. Vreemd genoeg zijn ze in Nederland zelf niet eerder waargenomen.
Hier zijn nog wat extra foto's van deze mooie, bijzondere stofluis: foto 3; foto 4; foto 5.
Op 1 maart 2010 vond ik in mijn werkkamer opnieuw een exemplaar van deze prachtige stofluis. Het diertje zat op een stapeltje papier.
De muskieten en muggen hebben niet zo'n goede naam. We kennen ze immers vooral van het steken en de muggenbulten na afloop. Toch zijn het niet allemaal stekers. Deze mug is vooral in de winter te zien. Bij rustig weer en wat zon zie je de manntejes soms met vele tientallen tegelijk paarzwermen vormen. Dit is de de zogenaamde Wintermug, maar die naam wordt gegeven aan een groep soortgelijke muggen. Dit is het vrouwtje van de Trichocera annulata, die een mooi geel-zwart gebandeerd achtelijfje heeft. Veel van deze soorten worden mede gedetermineerd op de vleugelbeadering. De vleugels zijn aanzienlijk langer dan het achterlijf. Een zeer algemene familiegenoot is de Trichocera relegationis, die echter wat minder kleurig is. Deze muggen hebben wel een zuigsnuit (proboscis), maar gebruiken die voor ander voedsel dan bloed. De larven leven niet in water maar in rottend bodemmateriaal. De bekende muggenlarven in stilstaand water zijn meestal van de algemene steekmug Aedes punctor, die een stevige lange steeksnuit hebben om bloed mee op te zuigen.
Mannetjesmuggen hebben dikwijls sterk geveerde antennen. Daarmee kunnen ze zeer goed ruiken. Hier is een mannetje te zien van de Chironomus plumosus op bloeiende peterselie, doch deze soort gebruikt als volwassen insect nauwelijks voedsel. De soort behoort tot de zogenaamde 'dansmuggen', waarvan de rode larven in water leven. Opvallend bij deze mug is dat de vleugels het achterlijf slechts voor een deel bedekken.
Dit kleine mugje lag dood binnen op mijn vensterbank. Het is slechts 5 mm lang. Het heeft ook geveerde antennen en ongeveer dezelfde vleugeladers. Daarom denk ik dat het ook een mannetje van een Chironomus-soort is.
Omstreeks eind april-begin mei is er dikwijls een explosie van de Zwarte vlieg (Bibio marci). Bij het vliegen laten ze de vrij lange achterpoten hangen en zijn daarmee direct herkenbaar. Ze behoren tot de zg. rouwvliegen, die zijn ingedeeld bij de muggen. De korte antennen staan onder de ogen ingeplant. Zoals bij veel insecten zijn de ogen van de mannetjes groter en deze staan tegen elkaar aan. Bij de vrouwtjes staan deze gescheiden van elkaar. Aan de voorschenen hebben ze een opvallend dikke scherpe spoor. De vlieg van dit plaatje lag in mijn glazen regenmeter en zweefde onder water. Ik vond het wel een bijzonder plaatje, waarop bepaalde kenmerken goed zijn te zien. In de korte tijd dat ze er zijn kun je ze ook dikwijls parend aantreffen. De larven leven in de grond in rottend plantaardig materiaal. Hier is nog een ander paartje.
Ze heten ook wel Maartse vlieg, naar de naam 'marci'. Die naam slaat echter niet op de maand maart, maar op de heilige Sint Marcus, wiens dag gevierd wordt op 25 april. Omstreeks die datum verschijnen de vliegen meestal.
Een andere rouwvlieg, die meestal ook vrij massaal optreedt is de Dilophus febrilis (Ned.: Koortsvlieg), die veel kleiner is dan de vorige (4 - 8 mm). Dit exemplaar zat in september op een ruit van mijn woonhuis. Evenals de andere is dit ook een vrouwtje. Het is gefotografeerd vanaf de binnenkant, door de ruit dus, zodat de onderkant te zien is.
De larven van deze soort leven in de grond en vreten aan wortels, vooral van grassen. Ze gedragen zich als een soort kleine emelten (larven van langpootmuggen) en zien er ook zo uit, maar dan veel kleiner. Ze kunnen behoorlijk schadelijk zijn.
De langpootmuggen leven in het larvestadium in de grond. Als het er veel zijn kunnen ze voor tuinliefhebbers een plaag zijn. Dit is het vrouwtje van de Nephrotoma appendiculata. Dat het een vrouwtje is, is te zien aan het eind van het achterlijf. Dat eind is erg puntig en dat is dus een soort korte legboor om eitjes af te zetten. De volwassen dieren gebruiken weinig voedsel, hooguit wat nectar. De larven leven van afval in de grond. Het is een mooi getekend dier, ook het achterlijf dat hier schuil gaat onder de vleugels in ruststand. De lange poten breken bij aanraking, zeker bij vastgrijpen, gemakkelijk af. De mannetjes zijn veel kleiner dan de vrouwtjes. Zij hebben geen legboor, waardoor het achterlijf er anders uitziet. Zoals bij veel mannelijke insecten zijn ook bij deze soort de antennen van de mannetjes groter dan die van de vrouwtjes. Hier zijn de dieren parend te zien, waardoor het verschil goed zichtbaar is. De poten van de mannetjes lijken relatief nog langer te zijn dan die van de vrouwtjes. Let eens op de zg. haltertjes, die bij het mannetje zeer fraai te zien zijn.
Op de buitenmuren en ramen van mijn huis zitten veel langpootmuggen van de Tipula familie, vooral in het najaar. Deze langpootmug is waarschijnlijk de zeer algemene Tipula oleracea (Tipola, subgenus tipola), de enige voorjaarssoort, die echter ook later in het jaar te zien is. Deze soort heeft antennen bestaand uit 13 segmenten, hier in een close-up te zien. De segmenten 3 t/m 13 zijn samen de zogenaamde flagel (11 flagellomeren). De verwante soort T. palludosa heeft 14 leedjes en heeft dus 12 flagellomeren. Ze lijken erg veel op elkaar en zijn in het veld moeilijk te onderscheiden. De vrouwtjes hebben een puntig achterlijf. Ze leggen eitjes waaruit de bekende emelten komen, die wortels van planten eten en zeer schadelijk kunnen zijn. Voor veel vogels, bijvoorbeeld spreeuwen en kauwen zijn emelten overigens belangrijke voedselbronnen in de broedtijd. Sommige eten nauwelijks iets anders. Dit exemplaar had groene ogen (waarvan er slechts één te zien is) doch ook donkerbruine ogen komen voor, zowel bij mannetjes als vrouwtjes. Mogelijk is de reflectie van het licht op de facetten van de ogen ook een factor. In close-ups van de ogen zijn allerlei kleuren te zien. Het exemplaar van de foto zat aan de buitenkant van een venster en is van binnenuit gefotografeerd. De onderkant is dus te zien. De spikkels op de foto zijn het vuil op de ruit.
Hier is nog een close-up van een andere grote langpootmug, zeer waarschijnlijk een exemplaar van het Tipula subgenus pterelachisus, waarbij de ingewikkelde structuren van kop en snuit te zien zijn. Met dank aan de expert dr. Pjotr Oosterbroek voor commentaar en nadere informatie. Deze foto laat de mooie vleugelstructuur zien van een Pterelachisus-soort, waarvan dit een groot exemplaar (23 mm) is van april 2008. In april 2009 maakte ik deze close-up van de kop en deze dorsale foto van de vleugels.
De langpootmug Dictenidia bimaculata heeft in iedere vleugel 2 donkere vlekken. Daar heeft het dier zijn soortnaam (bimaculata) aan te danken. De vrouwtjes hebben heel andere antennen dan de mannetjes. Opvallend bij de antennen van de vrouwtjes is dat de leedjes naar boven toe steeds korter worden, maar wel bijna overal even breed zijn. Bij de mannetjes zijn er per segment van de antennen 2 uitsteeksels om het oppervlak te vergroten, zodat de waarneming van geuren via de antennen optimaal is. Hier zijn de antennen van een mannetje van deze langpootmug nog eens te zien vanaf de bovenkant. Het is een prachtige indrukwekkende verschijning, maar hij heeft wel wat minder kleur op het lijf dan het vrouwtje. Als je ze parend tegenkomt is het verschil tussen man en vrouw goed te zien.
Gaasvliegen heten dan wel vliegen, maar ze hebben dubbele vleugelparen zoals de libellen en juffers. Het zijn dus geen vliegen, want die hebben slechts één vleugelpaar, maar ze behoren tot een aparte orde (Neuroptera), waartoe ook de mierenleeuwen en bastaardlibellen behoren. Het exemplaar op deze foto is misschien Chrysopa septempunctata, die 7 zwarte vlekjes op de kop zou moeten hebben, maar ze zijn niet zichtbaar op deze foto. Ze zijn zeer algemeen in tuinen en bossen. De dieren leven van dierlijk voedsel, vooral bladluizen. Ze lijken veel op de Chrysoperla carnea, die echter wat kleiner en bleker is. Gaasvliegen leggen eitjes, die worden vastgeplakt op plantenstengels. De eitjes staan op lange steeltjes en zijn erg klein, minder dan 1 mm lang. De larven van gaasvliegen eten vooral luizen en andere kleine beestjes, zoals insectenlarven. Het zijn maar kleine beestjes en dan is het opvallend dat ze voorzien zijn van relatief zeer forse kaken. Die lijken niet erg geschikt op bladluizen te vangen, maar ze zijn hol en zeer geschikt om trage prooien zolas luizen leeg te zuigen. De gaasvlieglarven hebben de gewoonte om de restanten van de pooien op hun eigen achterlijf te deponeren en zodoende camouflage te verkrijgen. Het kan er heel vreemd uitzien.
Tot mijn verrassing zag ik deze Zandgaasvlieg (Crysopa abbreviata) in het natuurgebied Braakman-Noord. Het is een kleinere (11 mm) soort die op zanderige grond in de kuststreken voorkomt, maar schaars is en niet veel wordt waargenomen. Omdat ik niet direct wist welke soort het was heb ik het dier mee naar huis genomen en even in een pot met wat blad bewaard voor enkele foto's. Het bleek een vrouwtje te zijn, want in het potje waren diverse gesteelde eitjes gelegd. Voor de determinatie is de vlekkentekening op de kop en de vorm van de dwarslijn tussen kop en pronotum van belang. Op deze foto's is dat allemaal wat beter te zien: foto 4, foto 5.
Bruine gaasvliegen (Hemerobiidae) behoren niet tot de groep van de grotere (merendeels groene) gaasvliegen (Chrysopidae), maar tot een aparte familie. De bruine gaasvliegen vallen nauwelijks op vanwege hun geringe grootte en onopvallende kleur. Dit is de Hemerobius humulinus die vrij algemeen is, maar toch weinig wordt gezien. Het dier heeft een lijfje van 6 mm. De vleugels steken daar ruim voorbij en daarmee lijkt het insect bijna twee maal zo lang. Evenals bij de groene verwanten eten de larven bladluizen. Deze larven hebben lange kromme kaken. Die kaken zijn hol en ze kunnen ze er luizen mee leegzuigen. Dergelijke kolossale kaken voor zo'n klein dier dat luizen eet zijn wel wat wonderlijk. Om luizen te vangen hebben ze die waarschijnlijk niet nodig. De larve van de foto is ongeveer 10 mm lang.
Schietmotten, waarvan de larven ook wel Kokerjuffers worden genoemd, behoren tot een aparte orde: de Trichoptera. Wereldwijd zijn er ongeveer 6000 soorten, waarvan er zo'n 200 in onze omgeving voorkomen. Dat zijn er dus vrij veel, maar ik kom ze toch niet dikwijls tegen. Deze insecten hebben een voor- en achtervleugel en lijken dus wat op vlinders. Er zijn soorten met en zonder puntogen. Ze hebben palpen en lange sprieten aan de kop. De poten hebben veel doorns. Ze danken hun naam aan de levenswijze van de larven. Die maken een soort koker van plantaardig materiaal en kleine steentjes, dat met spinsel wordt vastgekleefd en ze leven in het water. Ze verplaatsen zich met koker en al en leven van dierlijk materiaal, dat zij vanuit de gecamoufleerde koker vangen. Kokerjuffers verpoppen ook in de koker en pas bij het uitsluipen komen ze aan land. Die van dit plaatje is de Glyphotaelius pellucidus, een algemene soort die herkenbaar is aan de 'holle' rand in de voorvleugel.
Ook de Schorpioenvliegen hebben 2 paar vleugels en zijn dus geen echte vliegen. Het is een aparte orde (Mecoptera). De vlieg van dit plaatje is een vrouwtje van de Panorpa communis. De mannetjes hebben dikwijls het achterlijf met de tangen omhoog gebogen, waardoor zij lijken op schorpioenen. De kop heeft een lange naar beneden gerichte snuitachtige verlenging van de kop. De vliegen leven van dood dierlijk materiaal (vooral insecten), fruit en honingdauw van luizen. Ze houden niet van de volle zon. De larven lijken op rupsen van vlinders en leven in de bodem van dode insecten en dergelijke. Deze orde kent een volledige metmorfose, zelfs met een extra voorpopstadium. Ook de paring is interessant. Het mannetje lokt het vrouwtje met geurstoffen (feromonen) en een soort geschenken in de vorm van voedselresten en speekseluitscheidingsproducten. De paring zelf kan lang duren, meer dan 2 uur. Hier zijn nog wat aanvullende foto's die ik in 2010 in mijn tuin maakte, ook met prooi:
foto 1; foto 2; foto 3; foto 4; foto 5; foto 6; foto 7.
Springstaarten (orde Collembola) zijn kleine diertjes (3 mm) die altijd tot de insecten zijn gerekend, hoewel ze een iets afwijkende lichaamsbouw hebben. Ze hebben wel 6 poten, maar geen met facetten samengestelde ogen en het lijf is in andere segmenten opgebouwd. Deze dieren hebben een soort vorkachtig achterlijf-uitsteeksel (foto: Orchesella cincta). Het lijkt wat op de cerci van andere insecten en kreeftachtigen dat in normale toestand onder het lichaam zit geklemd. Bij onraad kan het dier de vergrendeling ontsluiten en dan schiet de springstaart meer dan 20 maal zijn eigen lichaamslengte schuin omhoog om elders weer te landen. Zo kan het dier aan belagers ontkomen.
Er zijn erg veel soorten springstaarten: meer dan 1500 en het op naam brengen is bijna onmogelijk. Tegenwoordig twijfelt men ook aan de indeling bij de insecten. De 6 poten lijken erop, maar allerlei andere lichaamskenmerken duiden meer op een kreeftachtige. Hier is nog een andere foto van een springstaartje (Orchesella villosa). Op deze foto is de vork onder het achterlichaam goed te zien. Dit springstaartje is 3,9 mm lang.
De zilvervisjes behoren tot de orde van de Zygentoma. Die orde is al net zo in discussie als die van de Collembola. Ook deze dieren hebben kenmerken van insecten, maar missen er ook veel. Er zijn enkele soorten, maar dit is de algemeen voorkomende Lepisma saccharina. Ze hebben een zilverachtige glans doordat het gehele lichaam bedekt is met schubben. In close-up zitten daar nog heel wat andere kleuren in. De beestjes zijn 15 tot 20 mm lang en hebben lange antennen. Ze hebben tevens aan het achtereind een aantal uitsteeksels (cerci), die ook vrij lang zijn. Ze houden van een iets vochtig milieu en leven van zetmeelachtig afval. Vrouwtjes leggen in hun leven in totaal slechts ongeveer 100 eitjes. Dat is voor een insect niet veel, maar deze dieren kunnen ondanks hun kwetsbaarheid zeer oud worden, tot maximaal 8 jaar. Bij de voortplanting geeft het vrouwtje met geursporen aan waar het mannetje zijn pakketje sperma (spermatofoor) moet afgeven. Daar haalt ze het op. Al met al een interessant dier, maar men ziet ze niet graag, want hun aanwezigheid duidt op enige vervuiling door zetmeelhoudende producten en op vochtigheid, die men ook liever niet heeft.
Oorwormen worden door sommigen verward met kevers. Daar hebben ze echter niets mee van doen. Het betreft een aparte orde: de Dermaptera. Dit een vrouwtje van de zeer algemene oorworm (Forficula auricularia). Opvallend aan het uiterlijk van deze insecten zijn de cerci (gebogen uitsteeksels) aan het achterlijf. Bij het mannetje zijn die iets anders van vorm (wijder) dan bij een vrouwtje. Sommige hebben voor- en achtervleugels, die zeer ingewikkeld onder de korte schilden zijn opgevouwen. Andere hebben geen vleugels of geen voor- en achtervleugels beide. Sommige soorten hebben ook geen schilden. Ze zijn dus nogal divers binnen de orde. Allemaal hebben ze gemeen dat ze een onvolledige metamorfose hebben, ongeveer zoals bij de wantsen. Daarmee lijken ze dus ook niet op kevers, want die hebben een volledige metamorfose. Veel soorten hebben bovendien broedzorg en dat is heel bijzonder. Oorwormen zijn carnivoren en leven dus van zowel dierlijk als plantaardig materiaal, meestal als opruimers van allerlei rommel. Ze zijn dus nuttig in de kringloop.
Bij bepaalde warme, broeierige weersomstandigheden is er soms ineens een grote massa onweersbeestjes aanwezig. Ze landen op alles en iedereen en zorgen voor veel gekriebel. Het zijn tripsen (orde: Thysanoptera; familie: Thripidae). Van die familie zijn in Nederland ongeveer 100 soorten bekend, de meeste klein en onopvallend. Ze leven merendeels op planten. Tripsen hebben 2 paar vleugels, die geheel gevederd zijn. Deze insecten hebben geen volledige metamorfose. Het larve- en popstadium, zoals andere insecten dat hebben, is hier vervangen door een nimf- en prepupastadium. Alleen tripsen kennen een dergelijke bijzondere metamorfose.
Spinnen en andere geleedpotigen (geen insecten)
Een zeer goede insectenplant is de Gulden roede. Bij het speuren naar insecten kom je soms ook wel eens wat anders tegen. In dit geval een wolfspin met eicocon, die zich tussen de bloemen schuil houdt en wacht tot er een prooi in de buurt komt. Omdat het op deze plant zeer druk is met insecten, is het voor de spin een goed plekje. Het is weliswaar geen insect maar toch wel een interessant dier om ook even te laten zien. Hier is nog een plaatje van een andere wolfspin uit mijn tuin, die haar kroost op de rug meedraagt.
Dit soort jagende spinnen tref je ook wel zonnend aan. Een zeer talrijke soort in mijn tuin is de Pisaura mirabilis. Als je die op een blad ziet zitten houden ze meestal de voorste paren poten recht vooruit en dicht naast elkaar. Zie deze foto. Spinnen hebben 8 ogen en dat is bij dit exemplaar goed te zien.
Spinnen vangen meestal prooien die niet veel groter zijn dan zijzelf. Toch komt er af en toe natuurlijk ook wel eens een te grote prooi in de webdraden vast te zitten. Deze penseelkever vloog in het web van een kleine spin, die ondersteboven bij een vorige prooi hangt tussen de bloemen van de gulden roede. De penseelkever is veel te groot en beschadigt ook nog het web. Na enkele pogingen om weg te vliegen lukte het.
De vorige spin had een grote prooi in het web, die ontsnapte, maar deze strekspin heeft een Azuurjuffer gevangen die ook groot lijkt, maar voor deze soort spin geen enkel probleem is. Deze strekspin is vermoedelijk een vrouwtje van de Tetragnata extensa. Ze heten strekspinnen, omdat ze de 4 voorste poten dikwijls strak naast elkaar naar voren houden. De poten zijn veel langer dan bijvoorbeeld die van een kruisspin. Opvallend aan deze spin zijn ook de relatief lange kaken. Ze maken een wat rommellig web met weinig wieldraden.
De Zebraspin (Salticus scenicus) behoort tot de springspinnen (Salticidae). Ze maken geen web maar kunnen snel lopen en ook springen om prooien te verschalken. Ze zijn erg algemeen en in iedere tuin te vinden. Je ziet ze dikwijls lopen op muren en schuttingen en ze verschuilen zich graag in spleten. Ze zijn maar klein, ongeveer 6 à 7 mm lang. De vrouwtjes zijn wat groter dan de mannetjes, maar dat is bij spinnen meestal het geval.
Het exemplaar van de foto heeft een relatief zeer grote prooi gevangen op de muur van mijn huis. Het is een langpootmug (Tipula sp.), die met een snelle gifbeet verlamd is. Bij het leegzuigen van de prooi zijn de dieren gemakkelijk benaderbaar zodat ik zeer dichtbij kon komen met met mijn fototoestel: close-up 1; close-up 2.
De Kruisspinnen (Araneus diadematus) zijn in de nazomer zeer talrijk. Ze vangen bij mij ook veel bijen. In het stalletje van mijn bijenkorven ruim ik bijna iedere dag nieuwe spinnenwebben op. Ze zijn hardnekkig en de volgende morgen hangt er meestal weer een nieuw web. Een betere plek is voor een spin ook nauwelijks denkbaar met zoveel heen en weer vliegende insecten. Ook de onderkant van een kruisspin is interessant om te bekijken.
In september 2006 zag ik voor het eerst de Sinaasappelspin (Araneus alsine) in mijn tuin. Het is een zeer grote spin met een opvallende oranje kleur. De spinnen zijn een flinke slag groter dan een forse Kruisspin. Ze maken een soortgelijk web.
Voor het bekijken van veel spinnenfoto's verwijs ik naar de mooie site van Ed Nieuwenhuys. Er staan ook heel veel links op naar andere spinnensites.
In een klein nieuw aangelegd natuurgebied dicht bij mij in de buurt, kwam ik deze Tijgerspin (Argiope bruennichi) tegen. Het zijn fraai gekleurde dieren en ze zijn vrij groot. Ze maken een wielweb met een soort laddertje erin. Dit exemplaar miste een poot, maar had er weinig last van. Ik heb het dier een prooi zien vangen en inwikkelen. Dat wikkelen met spindraad doen ze met de poten en het dier bleek er nog steeds erg handig in te zijn. Ze heten ook wel 'wespspin' vanwege de geelzwarte tekening. Het dier van de foto had haar web laag bij de grond gemaakt tussen bloeiende kamille. Die bloemen hebben ook gele kleuren en daarom viel de spin, ondanks het kleurig uiterlijk, niet erg op. De mannetjes zijn veel kleiner dan de forse vrouwtjes.
Veel bijen en hommels hebben last van mijten. Ze komen echter ook voor bij andere insecten zoals kevers en vlinders. Sommige mijten zijn slechts commensalen. Zij eten mee met de insecten wanneer het insect eet of in het broednest, waarbij ze ook de voorraden of afvalstoffen gebruiken. De mijten bij veel hommels en solitaire bijen zijn meestal commensalen. Ze verspreiden zich door zich te hechten aan het insect en mee te vliegen naar de bloemen, waar zij achterblijven en wachten op een volgend insect. Op het hier gegeven plaatje is een Osmia rufa vrouwtje te zien, dat zo veel mijten heeft, dat vliegen onmogelijk is. Dan werkt de verspreiding dus niet en is het voor beide, parasiet en gastvrouw, geen goede zaak. Op het onderliggende plaatje zijn parende osmia's te zien, waarop ook mijten aanwezig zijn, maar wel wat minder.
Bij toeval zag ik pas bij een foto op mijn beeldscherm dat een kleine solitaire bij (eind juni), waarvan ik de naam niet weet, compleet overvallen was door massa's kleine mijten. Het dier moet er veel last van hebben gehad. Dit is het slachtoffer.

Mijten behoren met hun 8 poten tot de spinachtigen; alle insecten hebben slechts 6 poten. De oranjebruin gekleurde varroamijt op honingbijen is geen commensaal maar een parasiet die ernstiger schade aanbrengt, omdat op het lichaam van de bij bloed wordt gezogen, terwijl de voorplanting van de mijt geschiedt via de verpoppende honingbijlarve. Ook dat gaat ten koste van die larve, waaraan lichaamssappen worden onttrokken. Een dergelijke honingbij is bij uitkomst na de verpopping misvormd, meestal te zien aan de gedegenereerde vleugels. Soms ook niet te zien, maar dan is vliegen onmogelijk door onvoldoende ontwikkelde vliegspieren of andere inwendige misvormingen. Indien een aantasting enkele jaren lang niet behandeld is, kan het bijenvolk er aan doodgaan. Dat kan ook het gevolg zijn van virusinfecties, die optreden via de opgelopen beschadigingen door het bloedzuigen bij de volwassen bijen. De parasiet komt oorspronkelijk van een Oosterse bijensoort, waarmee wél in enige harmonie kan worden samengeleefd. Als de mijten door de imker worden bestreden of bij natuurlijke sterfte, vallen ze op de bodem van de bijenkast. Hier zijn enkele dode varroamijten te zien op de bodem en bedenk dat ze slechts 1,2 mm breed zijn. Op deze foto is de voorkant van een varroamijt te zien met in het midden de palpen en daartussenin de kleine zuigsnuit (proboscis). Honingbijen kunnen ook nog een andere mijt hebben, namelijk de tracheemijt, die in de ademhalingsbuizen leeft. Die is veel kleiner dan de varroamijt en besmetting daarmee is moeilijk door de imker vast te stellen.
Er zijn heel veel soorten mijten (orde Acarina, waartoe ook de teken behoren) en vele zijn gespecialiseerd op één ander dier, bijv. een bepaald insect. Sommige insecten vinden wij schadelijk, maar we vergeten dikwijls dat dit prooidieren zijn van bijv. veel andere insecten, spinnen en vogels. Deze kleine rode mijten leven op een bladluizensoort (Macrosiphum sp.). De naam van de luis weet ik niet en ook de mijt kon ik niet op naam brengen. Toch is het wel leuk om te zien hoe deze dieren met elkaar samenleven. Of de mijten voor de luizen schadelijk zijn weet ik niet, maar het zou wel kunnen, bijv. als ze lichaamssappen zuigen bij de luizen. Sommige mijten leven echter als commensaal, dat wil zeggen: ze eten mee waar de gastheer van eet. Dat is misschien hier ook het geval.
Deze Langpootmug behoort waaarschijlijk tot het geslacht Dicarnomyia (familie Limoniidae). Van de familie zijn er binnen diverse geslachten in Nederland ongeveer 140 soorten, allemaal kleinere langpootmuggen. Deze meet slechts 7 mm. Opvallend is dat ook deze dieren dikwijls mijten bij zich hebben. De mug kon goed vliegen en had er zo te zien geen last van. De mijten schijnen de muggen te gebruiken om zich te verplaatsen. Het zijn immers maar kleine beestjes en lopend kom je dan niet zo ver. Voor de verspreiding van de soort is dus een gratis vervoermiddel erg handig. Deze mijten zijn voor onze begrippen erg klein, ongeveer 0,3 mm lang, maar er zijn nog soorten, die veel kleiner zijn.
Hier is nog een kleine vlieg (6 mm) waarop ook een mijt (Mesostigmata sp.) zit. De vlieg (vrouwtje) is een zg. Latrinevlieg (Fanniidae). Of deze roofmijt schadelijk voor de vlieg is, weet ik niet. Misschien wordt ook hier slechts een gemakkelijk vervoermiddel gebruikt.
De Fluweelmijt (Allothrombium cf. fuliginosum) is een vrij onschuldig diertje, dat merendeels op de grond leeft en er kleine insecten, de larven daarvan en andere kleine beestjes vangt voor het levensonderhoud. In mijn tuin zijn ze zeer talrijk. Ze zijn gemiddeld ongeveer 3 mm groot. Opvallend zijn de deuken en vouwen in het lijfje. Waarvoor die dienen weet ik niet, maar het biedt waarschijnlijk de mogelijkheid om wat uit te dijen als dat nodig is.
Teken zijn voor mens en dier vervelende parasieten. Mijn kat heeft er van voor- tot najaar zo'n 5 à 10 per week, maar vele zal ik ook wel missen, dus het zijn er nog veel meer. Het diertje ziet er best mooi uit. Deze vrouwelijke teek was net begonnen met bloedzuigen. De teek zal na een aantal dagen enorm in grootte toenemen. Dit exemplaar is ongeveer 3 mm lang, maar een volgezogen teek meet gemakkelijk 12 mm. Ze produceren met die vooorraad voedsel een grote kinderschare, die opnieuw ons het leven zuur zal maken. Bij mensen kunnen teken de bacterie Borrelia burgdorferi overbrengen, die de ziekte van Lyme veroorzaakt. Deze bacterie komt pas in de teek terecht bij het bloedzuigen op een besmette gastheer. De ziekte van Lyme is in een laat stadium moeilijk te behandelen en geeft dan veel ongemak. Bijengif schijnt een goede remedie tegen de ziekte van Lyme te zijn. Teken kunnen ook virussen overbrengen die een vorm van hersenontsteking (encefalitis) veroorzaken, maar in onze omgeving komt dat nauwelijks voor.
Er zijn veel soorten teken, wel een paar honderd. Dit is een Ixodes-soort, maar welke soort is op foto niet geheel zeker te bepalen. Zeer vermoedelijk is het Ixodes ricinus, want die komt het meest voor. Ze worden ook wel gewone teek of schapenteek genoemd. De hertenteek en hondenteek zijn aparte andere soorten, wat niet wil zeggen dat de Ixodes ricinus niet ook op die dieren kan voorkomen. Herten en reeën gelden ook in hun gebieden als sterke verspreiders van de gewone teek, omdat ze ver lopen. De egel in mijn tuin heeft diverse teken in en achter de oren zitten, maar die kan ik jammer genoeg niet verwijderen. Dat dier verspreidt dus de teken in mijn omgeving enorm, maar dat is meer plaatselijk, omdat de actieradius van een egel niet zo groot is. Katten, konijnen en hazen zijn in gebieden waar geen herten voorkomen, de belangrijkste verspreiders, doch teken kunnen ook op vogels voorkomen en dan kan het verspreidingseffect veel sterker zijn.
Teken zijn met hun 8 poten geen insecten, maar behoren tot de mijt- en spinachtigen. Ze zijn het meest verwant aan de mijten op grond van hun lichaamsbouw. Bij spinnen zijn de kop en de romp apart te onderscheiden lichaamsdelen; bij mijten en teken is dat niet het geval en zie je slechts één vorm die alles herbergt. Tekenvrouwtjes hebben een duidelijk schild (scutum) achter de kop en een zeer rekbaar lijf. De totale kop met ogen, tasters en zuigsnuit wordt het capitulum genoemd. De zuigsnuit (het hypostoom) zit tussen 2 puntige mes-achtige structuren (cheliceren), die de kwetsbare snuit beschermen en hulpmiddel zijn bij het boren in de huid van het slachtoffer. Aan de snuit zitten nog enkele weerhaakjes om te zorgen dat het geheel goed in de aangeprikte huid blijft zitten bij het bloedzuigen. De poten bestaan uit 7 delen: coxa, trochanter, femur, genu, tibia, tarsus en pretarsus. Op de tarsus (het laatste dikke lid van de voorpoten van teken) bevindt zich het 'orgaan van Haller'. Dat is een soort putje met voelharen, waarmee de teek bepaalde zintuiglijke waarnemingen kan doen, bijv. om een gastheer te vinden.
Het zijn dieren met een complexe leefwijze en voortplanting. De kleine teken die wij (mensen) zelf een enkele keer hebben zijn bijna steeds nimfen. Mijn kat heeft meestal volwassen teken en dat kunnen er veel zijn, soms meer dan 10 per week. Het volgezogen grote vrouwtje legt in het voorjaar of de zomer circa 2000 eieren in vochtige grond. Dat worden hele volksstammen nieuwe teken. Die eieren worden na ongeveer 4 weken larven en het bijzondere is dat die slechts 6 poten hebben, zoals bij de insecten, terwijl ze dat dus niet zijn.
Na een rustpauze wordt de larve nimf en die heeft 8 poten. Hier is de onderkant van een nimf te zien op millimeterpapier. Opvallend is de snuit die van veel haakjes is voorzien. Daarmee zitten ze goed vast in de huid van de gastheer. De nimfen zijn dus erg klein. Je ziet ze nauwelijks want ze meten slechts ruim 1 mm. De larven (1e stadium) zijn nog kleiner. Nimfen kunnen ook mensen bijten, sterker nog, het zijn bij de mens meestal nimfen (2e stadium van de teek) die je aantreft, zoals dit exemplaar op mijn huid. Nadat deze zich een aantal dagen hebben tegoedgedaan aan bloed van de gastheer vallen ze eraf en volgt een nieuwe pauze. Daarin wordt de nimf volwassen teek, waarvan de vrouwtjes circa 3 mm groot zijn als ze nog geen bloed hebben gezogen. Na het bloedzuigen kunnen ze opzetten tot ruim 12 mm. Ze paren op de laatste gastheer, laten zich vallen als ze volgezogen zijn met bloed, leggen daarna eitjes en de cyclus start opnieuw. Deze duurt meestal zo'n 3 jaar, namelijk ongeveer 1 jaar per verschijningsvorm inclusief de rustpauzes (z.g. diapauzes). Bij sommige soorten kunnen de pauzes een aantal jaren duren. Zo kunnen ze overleven in extreme omstandigheden en pas weer actief worden als de condities geschikt zijn.
Om een gastheer te vinden waarop de teken zich kunnen voortplanten kruipen ze op strategische plekken op takken van planten en struiken. Ze zijn ook dikwijls te vinden op de uiteinden van lange grashalmen. Als er een zoogdier langskomt kunnen ze dat door de temperatuurverschillen waarnemen en laten ze zich vallen op het slachtoffer. De gastheren zijn bijvoorbeeld: katten, honden, egels, herten, schapen, vogels, maar ook mensen. Ze worden ook wel waargenomen op reptielen, zoals zandhagedissen. De vrouwtjes zijn in dat beginstadium ongeveer 3 mm lang en de mannetjes 2 mm. Die laatste zijn op zoek naar vrouwtjes en groeien niet verder uit dan ruim 2 mm lengte. Zodra ze er eentje vinden klemmen zich met de poten daaronder vast en blijven eronder zitten tot de bevruchting is geschied. De vrouwtjes wurmen zich door de vacht tot op de huid, doorprikken die en zuigen daarna bloed. Door toegevoegde 'verdovingsstoffen' voelt het slachtoffer dat niet direct. Nadien onstaat er een verdikte plek die ook jeuk geeft. Aan het bloed wordt door de teek een stof toegevoegd die het vloeibaar houdt. Dat is een toxische stof en ook het vrouwtje zelf is giftig tijdens het eierleggen.
De mannetjes gaan in de vacht op zoek naar een vrouwtje en gaan daaronder hangen met de snuit bij de geslachtsopening van het vrouwtje. Op deze foto is 1 de geslachtsopening en 2 de anus van een vrouwtje (5 mm) dat al enig bloed heeft gezogen en vermoedelijk ook al bevrucht is. Dit is de voorkant van hetzelfde vrouwtje in de normale stand. Het mannetje gaat bij het gevonden maagdelijke vrouwtje met de snuit wroeten in haar geslachtsopening en die raakt daardoor in de juiste conditie om de paring te volmaken. Het mannetje brengt spermaforen (spermapakketjes) over in de geslachtsopening van het vrouwtje, waardoor de bevruchting tot stand komt. Als dat klaar is, zal het vrouwtje zich geheel volzuigen met bloed van de gastheer om de eitjesproductie te kunnen voltooien. De bevruchting kan plaatsvinden voorafgaand aan of tijdens het bloedzuigen.
Bij het mannetje wordt de sperma-aanmaak door bloedopname gestimuleerd, maar ze zuigen relatief weining bloed. Pas in de laatste minuten van de paring worden de spermacellen in spermaforen verpakt. Die pakketjes brengt het mannetje dan in de geslachtsopening van het vrouwtje over. Op deze foto is de onderkant van een vrouwtje te zien, dat nog niet of nauwelijks bloed heeft gezogen en waarschijnlijk ook nog niet bevrucht is. Het diertje is 2,8 mm lang. Ik ving het in de nek van mijn huiskat, die er jaarlijks zeer veel oploopt. Hier is een dergelijk nog klein vrouwtje (3,3 mm) te zien, in de normale stand.
Kijk op deze site voor meer informatie over de ziekte van Lyme.
Voor wie een heleboel wetenschappelijke informatie over teken zoekt is deze site een aanrader.
Wie een link naar dit deel van deze pagiana over de leefwijze van teken wil plaatsen dient deze URL te gebruiken.
De bastaard- of Pseudoschorpioenen zijn met hun 8 poten in ieder geval geen insecten, maar ook geen spinnen. Deze dieren behoren tot een aparte orde: Pseudoscorpiones. Ze zijn maar klein: gemiddeld slechts 2 mm lang. De scharen zijn ongeveer even lang als het lichaam, maar deze dieren missen de gifstekel op het achterlichaam van de echte (veel grotere) schorpioenen. De Pseudoschorpioenen leven van andere, nog kleinere dieren zoals stofluizen, tripsen, springstaartjes en hun nimfen. Dit exemplaar komt uit de kustduinen van Walcheren en zou daarom de Garyphus beauvoisi kunnen zijn, maar de juiste soort is moeilijk vast te stellen. Er zijn in onze streken zo'n 15 verschillende pseudoschorpioenen, die slechts met microscopisch onderzoek op naam kunnen worden gebracht.
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Overige vliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Terug naar boven