Netwantsen heten zo vanwege het netvormig patroon op hun rugzijde. Ze wijken wat af van de standaardvorm die we van de meeste wantsen kennen. Door celvergroeiingen komen op chitinelagen netwerkstructuren tot stand. De soort Tingis ampliata is ongeveer 4 mm lang. De kop is vóór de ogen iets verlengd en er zijn wat uitsteeksels extra. Ze hebben geen puntogen. De antennen zijn vierledig evenals de steeksnuit. Het halsschild van deze soort heeft 3 duidelijke kielen. Op de bovenzijde van het insect zijn er hier en daar nog meer opstaande randen. Bij netwantsen is er geen vliezig membraam aan het eind van de voorvleugels, zoals bij de meeste andere wantsen het geval is. Alles is hier verhoornd. De vleugels van netwantsen kunnen verschillend van lengte zijn: kort (brachypteer), bijna volledig ontwikkeld (submacropteer), nagenoeg volledig ontwikkeld (pseudomacropteer) of volledig ontwikkeld (macropteer), zoals bij dit exemplaar, waarvan de vleugels over de achterrand van het achterlichaam reiken.
Netwantsen zijn planteneters (phytofaag). Zij zuigen het bladgroen uit en zo ontstaan rossige vlekken op de waardplanten. Er is vermoedelijk slechts 1 generatie per jaar. Er zijn in onze contreien ongeveer 75 soorten verdeeld over een vijftiental genera.
Deze prachtig gekleurde wants heeft een moeilijke naam: Acanthosoma haemorrhoidale (Acanthosomatidae). Het is een wat grotere soort, waarvan dit exemplaar ongeveer 13 mm lang was. Ze foerageren op blad van bessen, meidoorns en andere bomen. Deze soort heeft 2 tarsleden. De meeste insecten hebben meer tarsleden. De tarsen zijn de onderste delen van de poten waaraan de voetjes vastzitten. Schildwantsen hebben 5-ledige antennes; andere wantsen 4-ledige. Deze soort heeft aan de onderkant van de thorax een eigenaardige vooruitstekende punt. Bij het dier dat op de rug ligt, is die geelgroen gekleurde punt goed te zien. Daarnaast houdt het dier zijn snavel (zie toelichting bij Coreus marginatus) naar achteren gericht, onder het lijf en dat is hier te zien.
Pas in november 2005 zag ik de Berkenwants (Elasmucha grisea, Acanthosomatidae) voor het eerst in mijn tuin. Dat is een opvallend laat tijdstip in het jaar. Vanwege het relatief zeer warme najaar was deze schildwants waarschijnlijk nog actief. In mijn tuin staan geen berken en dat is misschien een reden waarom ik deze algemeen voorkomende wants niet eerder zag. Het bijzondere van dit insect is dat de vrouwtjes een vorm van zorg voor de jongen hebben. Bij de meeste insecten wordt het nageslacht aan het lot overgelaten. De broedzorg bij deze wants betreft het geven van bescherming aan eieren en nimfen tegen parasieten en andere insecten. De berkenwants voedt zich met het sap van bladeren en vruchten van de berk, maar ook wel van andere bomen en planten. Half september 2008 zat dit exemplaar op het blad van pronkbonen in mijn moestuin. Het is maar een kleine wants van ongeveer 7 mm lengte. Ze zijn mooi gepuncteerd, zoals op deze foto te zien is. De onderkant laat zien dat het een vrouwtje is. Op een close-up is een deel van de zuigsnuit te zien, waarmee het diertje op het moment van de foto sap zuigt uit een bonenblad.
Bij de schildwantsen worden sommige soorten die op planten leven en daaraan sappen onttrekken, als schadelijk aangemerkt. Dit is waarschijnlijk de Eurygaster testudinaria (Scutelleridae), die vooral op grassen, russen en zeggen leeft. De wants kan allerlei kleurschakeringen hebben van geelbruin tot zwart, met of zonder strepen, maar die van de foto is een veel voorkomende verschijningsvorm. De uitstekende punten van het halsschild zijn een kenmerk van deze soort. Dat is ook hier goed te zien (Eurygaster maura: minder uitstekend pronotum doch licht uitstekende tylus (middelste deel van de kop), waarbij de tylus (met name het voorste deel) niet verzonken is, maar in één vlak ligt met de wangen). Bij deze soorten is opvallend dat het gehele achterlijf wordt bedekt door het scutellum. Deze grote vorm van het scutellum, waaronder de vleugels verborgen zitten, is bij andere schildwantsen meestal meer taps aflopend naar de achterkant, zie bijv. ook de Graphosoma lineatum. Bij de meeste wantsen is het slechts een kleine driehoek. Deze wants zat in mijn tuin op grote klis. Op dit plaatje is de achterkant in beeld gebracht.
Hier zijn nog wat foto's met meer details van een in 2010 gefotografeerd exemplaar (met een betere camera), dat meer roodachtig is: foto 1, foto 2, foto 3.
Wantsen schijnen schadelijk te zijn voor telers van groenten en fruit. Ik kan er in mijn tuin geen opvallende schade van ontdekken. Het zijn over het algemeen fraai gevormde en gekleurde dieren. Zo ook deze Groene stinkwants (Palomena prasina, Pentatomidae) met zijn fraaie groene kleur, ook wel groene stinkwants genoemd. Ik vond deze begin september in mijn tuin. In het najaar verkleuren de dieren naar bronskleurig, maar na de winter worden ze weer groen. Dat zal ze helpen om predatie te voorkomen, want zo zijn ze minder goed zichtbaar. Begin mei kun je ze parend aantreffen. Er zaten 4 exemplaren op een bloeiaar van Russchische rabarber in mijn tuin, waaronder 2 stuks parend. Op het fraai gekleurde blad van de rabarber zat ook dit exemplaar. Soms tref je wel eens een bijzonder exemplaar aan. In 2006 zat er een Groene stinkwants op mijn frambozen, welke een fel zalmrood gekleurde onderkant had. Normaal is de onderzijde van deze wantsen meer licht geelgroen van kleur. Waarschijnlijk zijn de mannetjes iets kleuriger. Bij dit paartje is het iets kleinere mannetje donkerder groen en ook de onderzijde is een beetje zalmkleurig. Hier is nog een ander paartje, ook op Russchische rabarber.
De Groene stinkwants is algemeen in tuinen, maar geeft geen schade. Dat geldt overigens ook voor andere algemeen voorkomende soorten als bijv. de Zuringwants. Soms wordt gemeend dat de schadelijkheid van sommige soorten groot is, maar het is een fabel. Ik heb zeer veel plantensappen zuigende wantsen in mijn tuin en zie nooit schade van enig belang.
Hier zijn nog wat foto's van nimfen van de Groen stinkwants:
2e stadium (op een aardbei), 3e stadium, 3e stadium, 3e stadium, 4e stadium, 4e stadium met volwassen exemplaar, 5e stadium, 5e stadium, 5e stadium.
Dit is een andere wantsensoort die in de winter en het voorjaar een andere kleur heeft dan in de zomer. Deze Piezodorus lituratus (Pentatomidae) is 's zomers roodbruin tot bronskleurig; in april is de kleur groenachtig met blauwgrijze zijkanten. Dit exemplaar was in november 2005 in mijn tuin aanwezig. Het is merendeels bronskleurig. Let ook eens op de naar achteren onder het lichaam gehouden snavel. De soort leeft op vlinderbloemige struiken als brem en gaspeldoorn. De nimfen van deze wantsen zijn vrij donker. Hier is een nimf van het 5e stadium te zien.
De kleuren van wantsen zijn dikwijls zeer spectaculair. Deze schildwants heeft een knalrood pyjamapak aan. Het is de Pyjamawants (Graphosoma lineatum, Pentatomidae), die vroeger in Nederland zeldzaam was, maar sedert 2003 een opmars naar het Noorden is begonnen. De dieren behoren tot de Pentatomidae. Ze hebben een voorkeur om te foerageren op de zaden van schermbloemigen. Deze wants vond ik in mijn tuin onder andere op engelwortel, fluitenkruid en peterselie. Ik heb ze ook parend aangetroffen en ze zijn sindsdien een vaste bezoeker van mijn tuin geworden in redelijke aantallen. De bovenkant is gestreept; de onderkant heeft rode stippen in plaats van strepen. Dit exemplaar zat in juli 2007 op Eryngium giganteum 'Miss Wilmott's Ghost' en deze (2009) op de zaden van Grote engelwortel. Hier zijn nog enkele stadia van de nimfen van de Pyjamawants, die de felle kleuren nog niet hebben van het volwassen insect:
3e stadium, 4e stadium, 5e stadium, 5e stadium.
De Bessenwants (Dolycoris baccarum, Pentatomidae) was in 2006 van mei tot in augustus in mijn tuin te zien. Het is geen zeldzame wants, maar in eerdere jaren zag ik ze niet. Het is een prachtig gekleurde schildwants, die op allerlei planten foerageert en bij mij zeker niet alleen op bessen. Ik zag ze er zelfs nooit op, dus waar die naam vandaan komt is een beetje raadselachtig. De dieren zijn opvallend behaard. Dat geldt ook voor de nimfen, waarvan hier wat foto's van een nog zeer jonge nimf van 2,3mm (7 juli 2010) uit mijn tuin: foto 1, foto 2, foto 3.
Twee weken later (21 juli 2010) zag ik ook een imago.
Een schadelijke wants zou de Koolwants (Eurydema oleracea, Pentatomidae) zijn, vooral als plaag op koolplanten. Ik heb altijd wel wat koolplanten in mijn moestuin, maar zag er nooit schade van. De aantallen wantsen zijn ook zeer beperkt. Elders is het misschien anders, maar hier valt het dus reuze mee. Het is een kleinere soort van ongeveer 6 à 7 mm lengte. De dieren kunnen anders gekleurd zijn dan op deze foto. Wat lichtgeel is kan ook rood zijn, zoals bij dit exemplaar.
De Arma custos behoort tot de schildwantsen (Pentatomidae), maar gedraagt zich als een roofwants. Het dier wordt ook wel Snuitkeverwants genoemd, naar de belangrijkste prooidieren, die het met zijn zuigsnuit belaagt en leegzuigt. Ze leven dus van dierlijk voedsel, merendeels snuitkevers, maar ook wel andere insecten. Opvallend aan het uiterlijk is de rij dubbele stippen op het achterlijf (schild), de uitstekende punten van het halsschild en de oranje-gele kleur van het laatste antennelid. Ze zijn verder wat variabel in kleur van licht geelbruin tot vrij donker.
Een bijzondere verschijning was deze Peribalus strictus (Pentatomidae) in juni 2006. Eerder heette deze soort: Holcostethus strictus. Het dier was steeds samen met een andere wants aanwezig op een kogeldistel (Echinops). Ik meende eerst dat ze bij elkaar hoorden maar de andere wants bleek de Dolycoris baccarum te zijn, die bij nadere beschouwing veel kleuriger is en bijv. ook geheel andere antennen heeft. De Peribalus is bezig met een opmars naar het Noorden en mijn tuin ligt vrij Zuidelijk en is dus een goede plek voor dit soort waarnemingen. Het is een schildwants die sappen zuigt uit geschikte planten. De onderkant van het insect is vrij licht van kleur met wat stipjes. De antennen zijn opvallend van kleur, omdat de rest van het dier er vrij saai uit ziet. De nimfen van deze soort zag ik daarna (augustus 2006) ook in mijn tuin op peterselie en die zien er veel kleuriger uit. Het zijn werkelijk schitterende dieren.
Bij sommige wantsen zijn de nimfen fraaier gekleurd dan de imago's (volwassen dieren). De Zicrona caerulea (Pentatomidae) is daar een voorbeeld van. Het imago is metallic groenblauw van kleur, maar de nimfen hebben fel rood op het achterlijf. Bijgaande foto toont het 4e nimfstadium van deze wants. Deze soort is een carnivoor en predator van keverlarven of van de volwassen kevers, zoals bij dit exemplaar te zien is. Bij mij in de tuin zijn ze te vinden op teunisbloem, waarop altijd een kleine groenzwarte bladhaan (Altica oleracea) actief is. De larven van die kevers worden door de zicronanimfen leeggezogen. Hier is ook nog een foto van het 5e nimfstadium, waar de aanleg van de vleugels al wat meer zichtbaar is. Ook de blauwgroene kleur van het imago schemert al wat door.
Door de opwarming van het klimaat komen steeds meer soorten, die hier vroeger zeldzaam waren, Noordelijker ook voor. Een voorbeeld daarvan is deze Grauwe veldwants (Rhaphigaster nebulosa), een grote wants, waarvan dit een nimf van het 5e stadium is. Ik zag deze in Thorn (L). Het imago is wat minder kleurig dan de nimf.
Deze graafwants Sehirus luctuosus (7 mm) zag ik in maart 2010 in het natuurgebied Braakman-Noord in Zeeuws-Vlaanderen. Het is een vrouwtje van 7 mm lengte. Een soort die er zeer sterk op lijkt is S. morio, maar die is veel groter (9-11,5 mm). Ze houden van een wat zandige bodem, waarin ze kunnen graven. De waardplanten zijn merendeels ruwbladigen (Boraginaceae), soms ook onder rozetten van toortsen, maar erg plantvast zijn ze niet. Ze worden ook op of onder andere soorten aangetroffen. Ze zuigen sappen uit zaden. Vrouwtjes bewaken hun broed in de beginperiode.
Hier zijn nog wat extra foto's:
foto 2, foto 3, foto 4.
Een zwart-wit gekleurde wants die graag op bepaalde lipbloemen (vooral lamium-, ballota- en stachyssoorten) zit is de Dovenetelwants (Tritomegas bicolor), behorend tot de Cydnidae. Ze zuigen sappen uit de stelen en bladeren. De wantsen zijn wat variabel in grootte, maar gemiddeld zo'n 5 tot 6 mm lang. Dit is de wants van bovenaf gezien. Ik vond deze wantsen, omdat ik op zoek was naar een soortgenoot (T. sexmaculatus), die uitsluitend op Stinkende ballote (Ballota nigra) voorkomt. Beide soorten waren aanwezig, maar de T. bicolor had op een eerdere datum reeds imago's. Van de andere soort zag ik toen alleen nimfen. Na enkele weken ben ik teruggegaan en vond er van de andere soort ook de imago's.
De dieren zijn gemakkelijk te verwarren, want ze lijken heel veel op elkaar als volwassen insect. Het belangrijkste uiterlijke verschil betreft de witte vlekken op het halsschild. Die zijn bij de T. bicolor net vleugeltjes met hier en daar wat lobjes; bij de T. sexmacalatus zijn die eerste vlekken veel strakker, gladder en wat langgerekter.
De nimfen van die soorten zijn goed te onderscheiden. Die van de T. bicolor zijn zeer kleurig met een mooie tekening. Dit zijn de laatste 2 stadia:
4e stadium, 5e stadium.
Dit is de Tritomegas sexmaculatus waar ik het bij de vorige soort over had. Deze wants is een van de soorten die vroeger zeer zeldzaam waren in Nederland, maar die door de opwarming van het klimaat in Noordelijker richting iets opschuiven. Deze wantsen waren in ons land slechts bekend van 2 vindplaatsen (Sint Pietersberg en Cadzand). In 2007 vond ik deze in redelijk aantal in Dishoek op Walcheren, waar ik ze zocht op verzoek van dr. Berend Aukema, die eerder over deze soort ook publicaties heeft gedaan. Hier zijn nog wat andere foto's van deze wants:
foto 3, foto 4, foto 5.
Ze lijken heel veel op de vorge soort (T. bicolor), maar de witte vlekken op het halsschild hebben een strakkere lijn. Een drngende voorwaarde voor de aanwezigheid van deze wants is de Stinkende ballote, een lipbloemige plant waarop de soort monofaag is, dus uitsluitend daarop voorkomt voor de voedselvoorziening. Dat maakt het dier kwetsbaarder dan de meer algemene T. bicolor, die op diverse lipbloemen leeft.
Deze wantsen hebben minder kleurige nimfen dan de Dovenetelwants. Van de laatste 3 stadia maakte ik foto's en die zijn hier te zien:
3e stadium, 4e stadium, 5e stadium.
Bij een bezoek aan het natuurgebied Braakman-Noord te Terneuzen zag ik ook deze wat saai gekleurde wants. Het is de Enoplops scapha, een randwants van de familie Coreidae, waartoe ook de zuringwants behoort. Ik zag er verschillende exemplaren van, dus ze zijn daar algemeen. Hier is nog een exemplaar, dat niet grijs, maar meer geelbruin gekleurd is. Er is dus ook wat variatie. Let ook eens op de puntige uitsteeksels naast de antenneschachten. Ook het halsschild heeft een typische vorm, omlijst met een licht randje.
De wants Corizus hyoscyami (Ned.: Kaneelwants) is bij mij in de tuin redelijk talrijk en regelmatig aanwezig. De wants behoort tot de familie van de Rhopalidae (Glasvleugelwantsen) en is algemeen in de kustgebieden. Ze voeden zich op allerlei planten, maar ik zie ze meestal op geurige planten als hysop en muntsoorten. Het zijn prachtig gekleurde dieren, die goed kunnen vliegen. Bij het uitvouwen van de vleugels zijn de kleuren nog fraaier. Helaas kon ik dat niet fotograferen, want dat is in een fractie van een seconde voorbij. Ze zijn maar klein (9 mm), zoals blijkt uit een exemplaar op mijn duim.
De nimfen van deze soort hebben een dik buikje in het laatste stadium. Eerder misschien ook al, maar die zag ik nog niet. Hier zijn achtereenvolgens foto's van een nimf (5e stadium) en het imago in de eerste dagen na de laatste vervelling:
nimf 5e stadium, imago na dag 1, imago na dag 2.
Het blijven diertjes die de aandacht blijven vragen vanwege de mooie kleuren. Je kunt ze ook dikwijls parend aantreffen. Een goed plekje daarvoor is de dichte (uitgebloeide ) knop van een paardebloem. Hier zijn ze op het blad van een andere plant gelopen.
De wants Rhopalus subrufus (familie Rhopalidae) schijnt algemeen te zijn, maar ik zag er pas in september 2005 een exemplaar van in mijn tuin. Ze vliegen eerder op dan veel andere wantsen en zijn dus voor een fotograaf wat moeilijker, ook al omdat het formaat niet groot is (8 mm). Deze zag ik in het voorjaar van 2007 in mijn tuin. Dit exemplaar is van latere datum en is veel dieper van kleur.
Laat in het seizoen laat deze Stictopleurus punctatonervosus (Rhopalidae) zich pas zien. Deze wants is bij mij aan het eind van de zomer in de tuin te vinden op zaden van bijvoorbeeld Gulden roede. Hier is er nog een andere foto van. Dit is een nimf 5e stadium van deze soort.
Een soort die er op lijkt, maar veel bleker van kleur is, is de Stictopleurus abutilon. Deze heeft ook minder punctering.
Een algemene wants in mijn omgeving is deze Kleidocerys resedae. Ze zijn echter vrij klein met zo'n krap 4 mm lengte en vallen daarom niet erg op. Toch wel een erg mooi wantsje dat ik ook wel aantref op diverse planten, maar het zijn grondwantsen, die van zaden in de strooisellaag leven. Soms zoeken ze op planten de zaden op. Ze zijn volkomen onschadelijk, zoals de meeste wantsen.
De merendeels doorzichtige bovenvleugels zijn bij deze soort heel goed te zien en daarmee lijken ze op de glasvleugelwantsen. Ze behoren echter tot de onderfamilie Ischnorhynchinae van de Lygaeidae. Het scutellum is bruinrood met enige licht-crèmekleurige omlijsting. Ze hebben zwarte voetjes en ook het laatste antennelid is zwart. Dit fraaie exemplaar trof ik begin april 2009 aan in de duinen van Oranjezon.
De Heterogaster urticae behoort tot de familie der Lygaeidae, waarvan de meeste op de grond leven. Daarom heten ze ook wel grond- of aardwantsen. Ze leven merendeels van zaden, maar sommige zijn deels ook predator van andere insecten. Het is een grote wantsenfamilie, maar ik heb er slechts weinig soorten van gefotografeerd. Hier is nog een andere foto van deze Heterogaster.
Deze Eremocoris podagricus behoort ook tot de Lygaeidae. In april 2007 was deze wants in mijn tuin aanwezig en dat is heel bijzonder. De wants is slechts één keer eerder in Zeeland gezien door de heer Brakman in 1950. Elders in Nederland is de wants slechts bekend als schaarse bewoner van schrale kalkgraslanden in Limburg. Het is een wants van circa 6 mm lengte en de kleur is onopvallend, zeker op de grond tussen allerlei plantenresten. Opvallend bij deze soort zijn de verdikte dijen van de voorpoten. Op de femur en de tibia van de voorpoten zitten bij deze wants ieder 2 stekels.
Een wants die net als de vorige soort op de grond leeft van zaden en dergelijke is Drymus sylvaticus. Dit exemplaar was 4,7 mm lang en lijkt qua kleur ook wat op de vorige wants, maar is veel minder zeldzaam. De naam is vanaf foto niet met 100% zekerheid vast te stellen, want er is een dubbelganger (D. reyii) die bijvoorbeeld een iets breder en boller halsschild heeft en meestal met wat donkerder vleugels, maar er verder zeer veel op lijkt.
Deze Scolopostethus affinis (Lygaeidae) heeft evenals de vorige soort dikke voordijen. Ze zijn 3 - 4 mm lang en dus vrij klein. Het zijn dieren die sappen zuigen uit zaden die op de bodem liggen of nog aan de planten zitten, vooral van brandnetels, maar bij in de tuin zag ik ze ook op aardbeien. Ze zijn dikwijls kortvleugelig (brachypteer). Ze kunnen zowel als nimf en imago overwinteren. Dit exemplaar mist het laatste segment van de rechterantenne. Het lijkt afgebroken. Het komt ook voor, dat een segment gewoon afwezig is of wellicht in het nimfstadium is beschadigd. Zowel in 2009 als in 2010 zag ik een wants van deze soort met een antenne van slechts 3 segmenten, waarvan het laatste deel niet lijkt te zijn afgebroken: een aangeboren afwijking misschien? Het exemplaar van 2010 is hier te zien. Het is een mannetje, te zien aan het haakje onder de thorax. Dit is een zwanger vrouwtje van omstreeks dezelfde datum in 2010 (begin juni).
Een soort die erg veel lijkt op de vorige is Scolopostethus grandis. Ze zijn iets groter. Beide soorten hebben doorns op de voordijen, een stuk of 10, waarvan er één aanzienlijk groter is dan de andere. Ook op de onderkant van de schenen zitten nog wat doorns. Dit exemplaar was 4,2 mm lang. Het is een mannetje dat submacropteer is, dus bijna langvleugelig. Bij mannetjes van S. affinis komt dat niet voor. Zowel mannetjes van affinis als grandis zijn te kerkennen aan de haakjes aan de achter-onderkant van de thorax (mesosternum). Op is zo'n haakje te zien. Bij vrouwtjes van die soorten zijn dat knobbeltjes.
Op een foto van 2008 uit mijn tuin is een zwanger vrouwtje te zien, dat geheel macropteer is.
Hier zijn nog wat foto's van een ander submacropteer mannetje (juni 2010): foto 1; foto 2; foto 3.
Ook deze Lisdoddewants (Chilacis typhae) behoort tot de Lygaeidae. Het zijn kleine wantsen (4 à 5 mm), die in het zaadpluis van lisdodden leven. Ze zuigen sappen uit de zaden en overwinteren in de rietsigaren. Ze kunnen die prestatie alleen leveren als het pluis niet verwaait en daarvoor zorgt de kleine rups (8 mm) van een nachtvlinder (Limnaecia phragmitella), die ook in het zaadpluis leeft en daarin spinsels maakt, zodat de pluizen niet door de wind verspreid worden maar aan elkaar blijven kleven. De vlinder overwintert dus als rups en verpopt pas in het voorjaar. De wants doet zijn voordeel met die cyclus, die precies past. De Lisdodde heeft er het minst voordeel van, want die kan op die wijze zijn zaden niet goed verspreiden. De nimfen van de wants zijn maar klein, maar wel herkenbaar. Hier geef ik nog een foto van een nimf 5e stadium van deze soort.
Een klein wantsje dat talrijk kan voorkomen op composieten is de Nysius senecionis (Lygaeidae). Bij mij zijn ze te zien op heelblaadje, dat ik talrijk in mijn tuin heb staan voor allerlei insecten. Ze zijn gemiddeld ruim 4 mm groot. Ze zijn meestal op bloemen te vinden en minder op de bodem. De dieren kunnen meerdere generaties per jaar hebben en overwinteren meestal als imago, maar ook eitjes kunnen de winter doorstaan en komen dan uit in het volgende voorjaar. Bij mij zijn ze vrij talrijk en je kunt ze dan ook dikwijls parend aantreffen. Op deze foto is de typische hoge keelplaat van deze soort te zien. Bij de meeste wantsen loopt het halsschild aan de zijkant verder door naar beneden.
Bij een wandeling op 20 mei 2010 in het natuurgebied 'de kaloot' te Borssele kwam ik op biestarwegras wantsjes tegen in grotere groepen, dikwijls ook met parende stellen erbij. Het is Ischnodemus sabuleti (Lygaeidae). Ze zijn gemiddeld tussen 4 en 6 mm lang, waarbij de vrouwtjes de grootste zijn. Ze komen veel voor in kustgebieden, maar zijn ook elders niet zeldzaam. Ze vertoeven merendeels in de onderste regionen van de grassen waarop ze leven. Hier zijn nog wat andere foto's van deze wants:
foto 2, foto 3, foto 4.
Al deze exemplaren zijn kortvleugelig. Ze kunnen ook langvleugelig zijn.
Er zijn ook enkele families van roofwantsen. Tot de Nabidae-familie behoort deze Himacerus mirmicoides. Ze leven meestal op de grond en zoeken daar prooien om leeg te zuigen. De vrouwtjes zijn meestal brachypteer (kortvleugelig). Op een foto vanaf de zijkant is goed de lange zuigsnuit te zien. nimfen van deze soort zijn in de loop van de zomer ook te vinden op bloemen, waarop ze nectar zuigen. Ze lijken op het eerste gezicht veel op mieren. In het begin zijn nimfen erg klein en bij deze soort zijn de nimphen in de beginstadia ook nog anders van kleur: oranje. Hier is zo'n nimfje van het 2e stadium. De mannetjes van deze soort zijn dikwijls macropteer (langvleugelig).
Ook deze wants behoort tot de Nabidae. Het is de roofwants Nabis ferus. Ze schijnen niet op een bepaalde insectensoort te predateren, maar pakken alles wat te grijpen is. De eieren worden omstreeks mei-juni afgezet in holtes van grashalmen. Er is slechts 1 generatie die als imago overwintert in hooi of tussen bladresten. Beide seksen hebben normale vleugels.
Een prachtig gekleurde wants is de Vuurwants (Pyrrhocoris apterus) van de familie Pyrrhocoridae. Ze zijn in het najaar vooral te zien in het Oosten en Zuiden van Nederland. Het zijn zaadeters en het is opvallend dat ze er dikwijls voor kiezen om bij elkaar te blijven. Dat lijkt het voedsel vergaren te bemoeilijken, maar daar hebben ze kennelijk geen last van. Je ziet ze meestal op de schors van de bomen, waarvan ze sappen zuigen uit de zaden, bijvoorbeeld linden, maar ook zitten dikwijls op de grond eronder. Daar liggen immers de zaden. Bij wijze van uitzondering eten ze ook wel dode insecten, waaruit ze dan de lichaamssappen zuigen. Als het buiten koud wordt willen ze ook wel eens binnenshuis komen om te overwinteren. Ze gebruiken dan geen voedsel. Deze wantsen zijn meestal kortvleugelig (brachypteer), maar een enkel exemplaar in de massa is soms langvleugelig (macropteer). Ook de nimfen zijn oranje tot rood gekleurd. Op deze foto zijn alleen nimfen te zien: de meeste van het 5e stadium, maar ook een van het 3e en 4e stadium.
Hier zijn volwassen wantsen te zien, met bovenin nog nimfen van het 3e t/m 5 stadium. Hier zijn nog foto's van close-ups van nimfen 4e stadium en 5e stadium van deze prachtige wantsen.
Het is voor mij onbevredigend om een diertje in mijn tuin te zien, dat ik niet thuis kan brengen. Dat laatste geldt eigenlijk voor heel veel soorten, maar vele ontsnappen gelukkig aan de aandacht, anders werd het dagwerk. Deze wants behoort tot de familie van de Miridae. Sommige zuigen niet alleen plantensappen, maar ook dierlijke sappen, zoals de vloeibare inhoud van andere insecten, te denken aan bijvoorbeeld bladluizen. Deze betreft de Pantilius tunicatus, een soort die wel in mijn insectengids staat, maar waaraan ik eerder twijfelde. Later is de naam mij bevestigd door dr Berend Aukema. De onderkant heeft een mooie lichtgroene kleur. Ze zijn er pas laat in het jaar.
De wants op bijgaande foto is de Brandnetelwants (Liocoris tripustulatus, Miridae), die ook wel in kassen voorkomt op komkommer, aubergine en paprika en daar enige schade toe kan brengen. Het is een kleinere soort met een lengte van krap 5 mm. Let ook eens op het spinnetje, dat onder de bladrand kijkt wat er aan prooien langskomt.
Dat brandnetel toch wel een favoriete plant is bewijst dit exemplaar dat sap zuigt op de onderkant van brandnetelblad. Hier loopt het diertje op de bovenzijde van het blad. Enkele brandnetelnaalden zijn ook zichtbaar.
Veel wantsen hebben voorkeuren voor bepaalde waardplanten om sappen te zuigen en/of zich erop voort te planten door er de eitjes op te leggen. Deze Polymerus nigrita noem ik voor het gemak maar Kleefkruidwants. Dat is een van de planten waarop ze graag zitten, maar ook andere walstro-achtigen versmaden ze niet. Bij in de tuin zat dit exemplaar op Perzisch kruisjeskruid (Phuopsis stylosa, vroeger Crucianella), ook een kransbladige.
Het is een fraaie wants met een gemiddeldelde grootte van circa 4,5 mm. De grondkleur van het dier is donker, bijna zwart, maar de beharing is goud-bruinachtig en dat geeft een bijzonder effect. Hier zijn nog wat andere foto's van dit exemplaar:
foto 2, foto 3, foto 4, foto 5.
Er zijn zeer veel miriden en de meeste hebben ongeveer deze vorm, dus een wat langwerpig ovaal lijfje met relatief lange sprieten. Dit exemplaar zat op de uitgebloeide knop van een akkerdistel en de kleur en vorm van distel en wants harmoniëren mooi. Het is de Adelphocoris lineolatus (Miridae). Hier is nog een ander exemplaar te zien.
Ook deze soort behoort tot de Miridae. Het is de Deraeocoris ruber, die diverse kleurtekeningen kan hebben. De cuneus is bij deze wants altijd rood. Dat is hier de plek tussen de 3 witte reflectiestippen die op de rechtervleugelpunt (voor het vliezige deel) te zien zijn. Dit exemplaar voldoet dus aan die eis, maar heeft ook elders veel rood. Meestal zijn ze verder meer grijs-bruin of zelfs zwart gekleurd. Ze zijn altijd bijzonder glimmend. Dit is een wants uit de zomerperiode. Dan zijn ze bijna geheel roodbruin gekleurd. In mei 2007 kwam ik een nimf van deze soort tegen in mijn tuin. Dit is een 4e nimfstadium (er zijn er totaal 5). Het is nog maar een beestje van 4 mm, maar deze nimfen zijn al schitterend gekleurd.
Een andere miride, die erg veel op de vorige lijkt, is deze mooie Deraeocoris olivaceus. Het gemakkelijkste zichtbare verschil betreft de bandjes op de poten. Ze leven zowel van jonge vruchten als van kleine insecten, merendeels op sleedoorn. Sleedoorn heb ik niet in mijn tuin, maar wel andere prunussen en misschien dat de verklaring voor zijn aanwezigheid.
Van een soortgenoot van de vorige 2 wantsen, de Deraeocoris flavilinea vond ik zowel de mannelijke als de vrouwelijke nimfen in mijn tuin. Ze zijn (zonder de antennen) circa 4 - 5 mm lang. De foto hiernaast toont een mannelijke nimf van het 5e (laatste) stadium. Ze zijn iets kleuriger dan de vrouwtjes. Ook bij de imago's van deze soort zijn de geslachten verschillend van kleur. Het volwassen mannetje is veel donkerder dan het vrouwtje. Beide hebben duidelijke lichte randen bij het halsschild en het scutellum.
Er zijn soorten wantsen, die plaatselijk algemeen zijn, maar waarvan slechts weinig andere vindplaatsen bekend zijn. Van deze Deraecoris-soort was in Nederland in 2007 slechts 1 vindplaats bekend (in Middelburg). Het is de Deraeocoris punctulatus. Deze wantsen foerageren graag op hopklaver en andere klavers. De mannetjes zijn iets slanker dan de vrouwtjes. Op de vindplaats waren ook nimfen aanwezig. De nimf van de foto is een exemplaar van het 5e (laatste) stadium.
Deze Graswants (Megaloceroea recticornis) leeft op ongecultiveerd grasland. Ze kunnen erg verschillend van kleur zijn, van bijna zwart met wat groene randen tot groenachtig of rosebruin. Het is mede afhankelijk van het jaargetijde waarin je ze ziet. Het is een dier met een smal lichaam. De antenen zijn zeer lang bij deze soort. Zowel de nimfen als de imago's zuigen uitsluitend plantensappen, hoofdzakelijk grashalmen en bladeren. Alleen de vrouwtjes overwinteren. De mannetjes gaan dus dood voor de winter. Ze behoren tot de grote groep van de Miridae (blindwantsen).
Als je wat beter kijkt zie je diverse soorten van dit type wants: slank, lange poten en antennen. Toch zijn er nog heel wat verschillen. Hier is bijvoorbeeld een bruine wants, waarvan er veel op elkaar lijken. Het is de Stenodema calcarata, die herkenbaar is aan de doorns aan de binnenkant van de achterdijen: een grote en een kleine stekel. De antennen zijn relatief wel wat korter dan die van de Graswants. Ook deze soort (en alle andere Stenodema's) zuigt uitsluitend plantensappen, waarbij de imago's merendeels de onrijpe zaden gebruiken en de nimfen meer de halmen en bladeren van grassen.
Een andere wants met ook zo'n slank uiterlijk is Notostira elongata, die ook op grassen leeft. Deze soort komt ook in mijn tuin voor en ik maakte van dit fraaie vrouwtje deze close-up.
Een nieuwe soort voor mijn tuin was de ontdekking van de Closterotomus norwegicus in juli 2006. Misschien was hij eerder wel aanwezig, maar het dier is vrij onopvallend. Bij een close-up-foto lijkt het een kleurig dier, maar in de natuur heeft het meestal een goede schutkleur, maar ze zijn wat variabel in kleur en tekenning. De donkere stippen op het halsschild ontbreken soms. De soort behoort ook tot de zeer uitgebreide familie van de Miridae (blindwantsen). Dat is de grootste wantsenfamilie. De cuneus (laatste verharde deel van de voorvleugel, hier lichtgeel-groen gekleurd) is bij deze soorten meestal goed ontwikkeld. Bij dit exemplaar is dat ook het geval. Dit is er waarschijnlijk ook een exemplaar van (op peterselie). Ze heten vermoedelijk Blindwantsen, omdat de ogen dikwijls heel licht van kleur zijn, zoals bijvoorbeeld bij deze lichter gekleurde wants van dezelfde soort te zien is. Bovendien missen ze de puntogen (ocelli) die andere wantsensoorten wel hebben. Hier is een nimf (5de stadium) van deze soort te zien.
Op een ruderaal terreintje in Middelburg waren in oktober 2007 diverse Lygus-wantsen aanwezig. Dit is de Lygus gemellatus. Sommige soorten komen ook voor in mijn tuin. De Lygus gemellatus heeft in het scutellum een soort letter W. Ze kunnen verder vrij variabel in kleur zijn, van geelachtig tot meer bruinrood. Ze zijn 5 mm lang. De nimfen van de diverse Lygus-soorten zijn niet te onderscheiden. Daarvoor moeten ze worden uitgekweekt tot imago om zekerheid te hebben. Onderstaand geef ik nog wat extra plaatjes van deze soort en van enkele andere Lygus-soorten:
een roodbruine variant van de Lygus gemellatus (voorzijde);
een nimf 5e stadium Lygus gemellatus, die ik heb uitgekweekt tot imago;
het uitgekweekte imago van de Lygus-nimf;
idem, de onderzijde van deze wants, waaruit blijkt dat het een vrouwtje is;
Lygus maritimus op de bloem van Kamille;
een mannetje van Lygus pratensis;
nog een Lygus pratensis met een geheel andere kleur;
de Lygus rugulipennis;
een nimf 5e stadium van een Lygus-soort in mijn tuin;
idem, bovenaanzicht van hetzelfde exemplaar.
Een grotere Miride die op diverse bomen en struiken leeft, is de Miris striatus, ruim 10 mm. De dieren zijn bovendien zeer opvallend geekleurd, dus je ziet ze niet gemakkelijk over het hoofd. Ze zuigen sappen van de bomen, maar zijn deels ook predator van andere insecten, een alleseter dus. Dit is er een nimf (5e stadium) van.
Veel insecten zijn gebonden aan bepaalde planten. De schermbloemigen hebben bij diverse wantsen een voorkeur. Deze kleine Miride is de Orthops basalis, waarvan ik diverse exemplaren op dille zag. De wants is hier vanaf de zijkant te zien. Ze zijn klein (4 à 5 mm) en daarom wat moeilijk te fotograferen. Vanaf de rugzijde gezien is bij deze soorten een mooie hartvormige vlek op het scutellum zichtbaar. Die zag ik ook bij een familiegenoot die op een andere schermbloem (Engelwortel) foerageerde, namelijk bij de Orthops campestris, die ongeveer even klein is.
Veel wantsen lijken op elkaar, maar ook heel wat soorten hebben kenmerkende uiterlijke vormen, die duidelijk afwijken van andere. Deze Miride heeft opvallend verdikte 2e antenneleden. Het is voorts een vrij langwerpige slanke wants. Het is overigens maar een klein beestje van circa 4 à 5 mm lengte. De naam van dit insect is Heterotoma planicornis en heeft dus duidelijk te maken met die brede afgeplatte antenneleden (plani = breed; cornis = spriet). Veel miriden zijn herbivoor (plantensappen), maar de heterotoma's willen ook nog wel eens een ander insect vangen en leegzuigen. Bij dit parende stel zijn de opvallende groene dijen goed te zien. Het achterlichaam heeft ook hier en daar nog wat rode kleuren. Ze zitten op de bloemknoppen van Boerenwormkruid.
Sommige wantsen vallen op door een bijzonder aspect, zoals dikke dijen, verdikte antennes of bijzondere kleuren. Deze Harpocera thoracica (Miridae, Phylinae) heeft op de top van het 2e antennelid een vreemde verdikking aan de onderkant. De wantsen zijn ruim 6 mm lang en het scutellum heeft een licht gekleurde punt. Ze leven op eiken en kennen een snelle ontwikkeling. Ze zuigen de sappen van knoppen en bloemen van de boom. Dit zal een verdwaald exemplaar zijn geweest, want in mijn tuin staan geen eiken. Ze zuigen overigens ook sappen van luizen die ze vangen en ze zijn dus een omnivoren.
De verdikking van het 2e antennelid hebben alleen mannetjes. Er staan ook haren op en het schijnt een orgaan te zijn dat bij de paring gebruikt wordt om zich aan het vrouwtje beter vast te kunnen houden.
In het water leven diverse wantsen, zoals bootsmannetjes. Op het wateroppervlak leven weer andere soorten. Dit is de Schaatsenrijder (Gerris lacustris, Gerridae), een zeer algemene wants met lange poten die geschikt zijn om op het water te lopen. Dat kunnen ze zeer snel. Ze leven van op het wateroppervlak vallende kleinere insecten en grijpen die met de voorpoten. Sommige exemplaren zijn gevleugeld doch bij andere zijn de vleugels korter of ontbreken geheel. De exemplaren die kunnen vliegen overwinteren als imago soms ver van het water. Hier is een gevleugeld exemplaar te zien met een gevangen prooi. Tot slot nog wat close-up-foto's uit 2010 van een brachypteer (kortvleugelig) mannetje: foto 1, foto 2, foto 3, foto 4.
De Vijverkoper (Hydrometra stagnorum) is een zeer slanke wants die rustig over het water loopt, meestal aan de oeverkanten om prooien te zoeken. De kop van dit dier is zeer lang en de ogen staan op ongeveer tweederde deel afstand vanaf de voorkant. De meeste exemplaren van deze soort zijn ongevleugeld en de verspreiding van de soort kan dan niet vliegend gebeuren.
Bootsmannetjes (Notonecta glauca, Notonectidae) zijn waterwantsen die ook goed kunnen vliegen. Zo bevolken ze vele stilstaande wateren, ook kleinere als een regenton e.d. Ze zwemmen op hun rug met aan de buikzijde een luchtbel. Je ziet ze regelmatig even naar boven komen voor een verse luchtbel. Het zijn wantsen die leven van dierlijk voedsel. Ze vallen ook wel kleine kikkervisjes aan.
Terug naar HOME
Kevers
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Overige vliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven