Het Zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) is een klein algemeen vlindertje. De geslachten zijn bijna gelijk van uiterlijk. De mannetjes hebben een smalle androconiënstreep op de bovenvleugels, die de vrouwtjes missen. De rupsen leven onder diverse grassen. Ze worden meestal ingedeeld bij de dagvlinders. De dikkopjes lijken qua vorm niet echt op onze dagvlinders met hun vreemd opgevouwen vleugels. Aan de dagvlinders zijn ze dan ook niet verwant, hoewel ze ook overdag vliegen. Dat doen overigens ook bepaalde nachtvlinders.
Deze vlinder is volgens de gidsen bekend van grazige plekken. Bij mij in de buurt ken ik ze merendeels van de duinen, tot aan de zeereep, maar een enkele waagt zich ook wel meer binenlands, zoals dit exemplaar in mijn tuin op Phuopsis stylosa. Het is de Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas), die in Nederland 3 generaties heeft. De 2e generatie vliegt in de zomer en is iets groter van formaat, al blijven het relatief kleine vlinders met een maximale spanwijdte van ruim 3 cm. De geslachten zijn ongeveer gelijk. De onderkant van de voorvleugel heeft ook een oranjerode kleur met zwarte stippen. De onderkant van de ondervleugel is merendeels grijsbruin. De vlinders leggen de eitjes graag op zuringplanten, waarop de rupsen voortreffelijk groeien.
Op grazige dijken en andere plekken met lang gras voelt het Hooibeestje (Coenonympha pamphilus) zich thuis. De geslachten hebben dezelfde tekening, maar de vlinders kunnen erg verschillend van kleur zijn. Het exemplaar van de foto is erg vaal van kleur. Op dezelfde plek zag ik een iets meer contrastrijk getekend exemplaar. Dit laatste dier heeft ook vaag wat witte puntjes in de ondervleugel. Bij dit exemplaar is de kleur heel wat feller en de 4 witte puntjes zijn goed zichtbaar. Met enig geluk tref je ze ook parend aan. Ze behoren tot de zandoogjes, waarvan de rupsen op grassen leven en het is een van de soorten die in mijn eigen tuin niet voorkomt. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld de heivlinder (Hipparchia semele) die ook tot de zandogen wordt gerekend. Het zijn dieren van andere biotopen (heide en duinen).
Direct na de winter is meestal het bont zandoogje (Pararge aegeria) bij mij al in de tuin te zien. Ze zijn er redelijk talrijk tot in de zomer. De vlinders zitten graag op marjolein en gewone klis. Op die laatste plant zitten veel vlinders om te zonnen op de grote bladeren. Ook het groot hoefblad is zo'n geliefde zonneplek. Om te foerageren zitten veel vlinders ook graag op Lysimachia clethroides (een wederik-soort die nogal woekert). De rupsen van alle zandoogjes leven op grassen, dus die van deze vlinder ook. De foto toont een mannetje, dat herkenbaar is aan de zg. androconiënvlekken op de voorvleugels. De tekening van deze vlindertjes is wat variabel. De aantallen vlekken en gesterde oogjes op de bovenkant van de vleugels zijn geen zekere factor bij het bepalen van het geslacht. Vrouwtjes hebben geen androconiënvlekken, doch de bovenkant moet dan wel zichtbaar zijn om het geslacht te kunnen bepalen. Dit is dan misschien een vrouwtje, want die (donkere) vlekken ontbreken. Dit is waarschijnlijk een mannetje, want de vlekken lijken aanwezig te zijn, maar niet zo duidelijk. Hier is nog een ander exemplaar van deze vlindersoort en op grond van de donkere vlekken is het misschien een mannetje, maar het wat puntige achterlijf doet eerder denken aan een vrouwtje; bij mannetjes is dat stomp en wat pluizig. Al met al is het moeilijk om het geslacht van deze soort te bepalen.
Witjes zijn in de moestuin bij mij eigenlijk niet welkom. Vooral het groot en klein koolwitje geven veel schade aan koolplanten. Dat zijn kruisbloemigen (cruciferen) die zeer aantrekkelijk voor deze vlinders zijn. Ze herkennen de planten zeer snel als geschikt en zijn fanatieke eitjes-legsters. Het klein koolwitje (Pieris rapae) leeft in ons land in maximaal 4 generaties van maart tot november. Soms gedragen ze zich als trekvlinder. Dan vliegen ze in zwermen van grote aantallen naar andere streken.
Het Groot koolwitje (Pieris brassicae) is een slag groter dan de kleine familiegenoot. Dit is de rups van het groot koolwitje op een houwtje van Look-zonder-look en hier is de pop te zien hangend aan de onderkant van een groene koolblad. Op koolbladen zitten ze dikwijls massaal en de eitjes worden door het groot koolwitje meestal in grote groepen afgezet onderaan de bladeren. Ook de rupsen zitten in een jong stadium in grotere groepen bij elkaar. Hier zijn ze iets ouder.
De rupsen van het groot koolwitje worden dikwijls geparasiteerd. Je kunt dit herkennen als de rups nog probeert een plekje te vinden om te verpoppen, maar dan niet meer verder kan, omdat inmiddels vitale delen van de rups zijn aangevreten. Dikwijls zijn het sluipwespen die deze rups belagen, maar ook bepaalde sluipvliegen gebruiken deze als gastheer. De sluipwespen maken cocons buiten de rups. Van de soort die ik enkele keren zag, waren die cocons helder geel. Toen ik zo'n cluster ccocons probeerde uit te kweken kwamen er 20 sluipwespjes van 3-4 mm lengte uit en 1 sluipvlieg (Phryxe nemea). De wespjes hebben lange antennen en een duidelijk pterostigma in de vleugel. Het is de algemeen voorkomende sluipwesp Cotesia glomerata (det. Hans Smid). Ze behoren tot de schildwespen (Braconidae). Het genus Cotesia omvat hier ongeveer 40 soorten. De larven van het Groot koolwitje worden zeer veel geparasiteerd, soms bijna allemaal. Er zijn er echter veel en er bijven genoeg ongeparasiteerde rupsen over om weer vlinders voort te brengen. Uit een andere rups van het Groot koolwitje kwam deze sluipwesp (4 mm) tevoorschijn. Het is een Lysibia nanus.
Dit is een witje, dat veel minder schadelijk is dan de vorige soort. Het is het Klein geaderd witje (Pieris napi), dat minder gebruik maakt van gekweekte kruisbloemigen (koolsoorten), maar meer de wilde soorten voor de voortplanting benut. Hier is van dit vlindertje nog een exemplaar te zien in het voorjaar, foeragerend op judaspenning.
Een klein vlindertje dat ook tot de witjes behoort, is de oranjetip (Anthocharis cardamines). Alleen de mannetjes hebben de oranje vlek op de vleugeltoppen. Ze zijn actief in het voorjaar als de geschikte planten voor de rupsen aanwezig zijn. Je vindt ze vooral op kruisbloemigen als: pinksterbloem, look-zonder-look, judaspenning en dergelijke. Ze lijken na 2000 wat talrijker te zijn in mijn omgeving. De vrouwtjes zijn zeer kieskeurig bij het zoeken naar een geschikte plant. Ze leggen slechts 1 eitje per plant, zodat de rupsjes weinig concurrentie hebben van elkaar.
Een soort die ook tot de witjes wordt gerekend. is de Oranje luzernevlinder, die bij warme zomers als trekvlinder wel eens te zien is. Ze zitten bijna altijd met gesloten vleugels en door de tekening op de vleugels en de kleur vallen ze niet op tussen dor blad. Dit exemplaar hangt in mijn moestuin aan oud erwtenloof.
De atalanta (Vanessa atalanta) is een trekvlinder. Deze dagvlinder wordt ook wel nummervlinder genoemd vanwege cijfers die in de ondervleugel te zien zou zijn. Daarvoor moet je echter wel veel fantasie hebben. De letter C bij de Gehakkelde aurelia is veel duidelijker. De vlinders zijn dol op zoetigheid. Je kunt ze veel zien op afgevallen fruit, maar ook de nectar van bloemen versmaden ze niet. De rupsen leven voornamelijk op brandnetel. Ze zijn in staat om van de Sahara naar Scandinavië te trekken met de zuidelijke wind. Onderweg komen de vlinders tot volwassenheid en leggen eitjes op de waardplanten. De vlinders die daaruit voortkomen proberen in het najaar weer zuidelijk te trekken, maar dat mislukt voor een groot deel vanwege de dan heersende te lage temperaturen. Hier kunnen ze niet overwinteren, zoals de dagpauwoog, kleine vos en gehakkelde aurelia wel doen. De atalanta's trekken solitair. Een andere trekvlinder is de distelvlinder (Cynthia cardui), die in groepsverband trekt. De rupsen van de atalanta zitten voornamelijk op brandnetel.
Een andere trekvlinder is de distelvlinder (Cynthia cardui), die in groepsverband trekt. De vlinder zit bij mij graag op verbena, heelblaadje, buddleia, sedum, rode zonnehoed en rudbeckia. Ook rottend fruit wordt niet versmaad. Het zijn mooie vlinders, die in sommige jaren redelijk talrijk zijn. Deze vlinder is minder aan brandnetel gebonden dan atalanta, dagpauwoog en kleine vos. De rupsen kunnen ook veelvuldig aangetroffen worden op andere planten, in het bijzonder op distels, waaraan de vlinder mogelijk zijn naam dankt. Ook de vlinder zit graag op distelbloemen. Deze rups zat in mijn tuin op Heelblaadje.
In het voorjaar 2009 was er een zeer sterke trek van deze vlindersoort. Dat was jarenlang niet meer voorgekomen. In april had ik al diverse exemplaren in mijn tuin en op 21 mei telde ik er meer dan 20 tegelijk. Hier is een van die vlinders te zien bij het foerageren op Phuopsis. In het najaar zitten ze graag op bloeiende klimop.
De argusvlinder (Lasiommata megera) behoort tot de zandogen. Hij is ongeveer van dezelfde grootte als een bont zandoogje of iets groter. Bij mij in de tuin waren er vroeger (voor 2000) af en toe in augustus enkele exemplaren. Inmiddels zijn ze zeldzaam. Het zijn schichtige vlinders, die zich slechts met moeite laten fotograferen. De vlinder heeft de sterke neiging om zich steeds met gesloten vleugels met de smalle zijde naar je toe te draaien of op te vliegen. Dat geeft de fotograaf weinig mogelijkheden. De onderkant van de ondervleugels biedt meer schutkleur dan die van de bovenvleugels. Vrouwtjes en mannetjes hebben bijna dezelfde tekening, maar de vrouwtjes zijn iets lichter van kleur en missen de androconiënvlek op de bovenkant van de voorvleugels, die alleen de mannetjes hebben. Bij mij bezoeken ze praktisch alleen de budleia en verbena. Verder zijn het zonaanbidders. Ze zitten graag op warme plekken op de grond of tegen muren. In het Duits heet hij dan ook 'Mauerfuchs' . De rupsen leven op grassen. In ons klimaat zijn er 2 of 3 generaties. De laatste rupsen in het seizoen overwinteren en de poppen van deze vlinder liggen gewoon op de grond.
Vanaf midden mei tot ver in augustus zijn er in mijn tuin veel licht gekleurde blauwtjes aanwezig. Het zijn de zogenaamde boomblauwtjes (Celastrina argiolus). Ze lijken bestoven met poeder. De bovenvleugel van een vrouwtje heeft een donkere rand; van een mannetje is de bovenvleugel geheel blauw, maar die zijde van de vleugels laten ze niet dikwijls zien. Hier is nog een foto van een parend stel.
Het icarusblauwtje (Polyommatus icarus) is een ander lid van de blauwtjesfamilie dat ook mijn tuin aandoet. Ze zijn er al in mei. Deze foto laat een vrouwtje zien. De mannetjes zijn op de bovenvleugels violetblauw. De rupsen van deze kleine vlinders leven op vlinderbloemigen. Ik laat hier nog een ander vrouwtje zien vanaf de zijkant. Dit exemplaar hangt te slapen aan een takje lavendel. Dit al wat gesleten vrouwtje zag ik in de duinen bij mij in de buurt.
De kleine vos (Aglais urticea) is de laatste jaren in mijn tuin zeer schaars geworden. Vroeger was deze soort zeer talrijk en dan zag ik er wel 20 tegelijkertijd. Soms lijkt de soort zich tijdelijk wat te herstellen en zag ik er weer redelijke aantallen van. Toch blijft het gemiddeld een sterk teruggelopen soort, die kennelijk kwetsbaar is. De rupsen leven op brandnetels. De laatste seizoensgeneratie van deze vlinders overwintert tot het volgende voorjaar op dezelfde wijze als dagpauwoog en gehakkelde aurelia in schuren en op zolders. Hier is de zijkant van de vlinder te zien en hier nog een keer vanaf de bovenkant.
De Gehakkelde aurelia was vroeger in mijn tuin een zeldzame vlinder. Vanaf ca. 1990 zien we de vlinder jaarlijks in enkele exemplaren, ook vroeg in het voorjaar. Dat zijn dus vlinders die hebben overwinterd. In mijn schuur met permanente opening komen ieder jaar vlinders om het volgend voorjaar af te wachten. In augustus beginnen ze daar al mee, zodat ze dus wel 6 maanden lang stil aan het dakbeschot hangen. De latijnse naam van de gehakkelde aurelia is duidelijk op het uiterlijk van de ondervleugel gericht: Polygonia c-album. De witte letter C is altijd markant aanwezig. De rups van deze vlinder is minder aan brandnetels gebonden dan die van de kleine vos en de dagpauwoog. De oranje-bruine kleur van de vlinder is naast wit en zwart al op de rups te zien. De oranje kant is de voorkant van de rups die veel-puntige uitsteeksels heeft. Ik vond hem bij mij in de tuin op witte bes. Ook andere waardplanten worden als voedsel voor de rupsen gebruikt, waaronder wilg en iep.
Een vlindertje, dat bij mij ieder jaar in vrij grote aantallen kan worden aangetroffen, is het oranje zandoogje (Pyronia tithonus). Het is niet zo spectaculair gekleurd, maar toch een aardige verschijning. Op de foto rechts is een mannetje te zien, dat midden op de voorvleugels een zogenaamde androconiënvlek heeft. Dat is een cluster van speciale geurschubben, die van belang zijn bij de balts. Het vrouwtje mist deze donkere vlekken. De ondervleugel heeft bij beide geslachten ongeveer dezelfde tekening, maar de diverse witte vlekjes op de achtervleugel kunnen ook minder prominent aanwezig zijn, zie voorbeeld. Om te foerageren zitten ze graag op Eryngium planum.
Hier zijn parende oranje zandoogjes te zien. Ze zitten hier op rabarberblad in mijn moestuin. Ze bleken al parend ook te kunnen vliegen bij verstoring en elders weer samen neer te strijken. Het mannetje is het linker exemplaar. Het is iets kleiner dan het vrouwtje.
De in mijn tuin het meest voorkomende zandoogjes zijn de bonte en oranje zandoogjes. In juli zijn meestal ook enkele exemplaren van het bruin zandoogje (Maniola jurtina) aanwezig. Ze zijn iets groter dan de vorige genoemde soorten. De vrouwtjes zijn iets soberder van kleur dan de mannetjes. Ze zijn van de oranje zandoogjes ook te onderscheiden door de oogjes in de vleugels. De witgesterde oogjes hebben ze zowel aan de onder- als bovenkant van de bovenvleugel. Bij de oranje zandoogjes zijn er 2 witte stippen en bij het bruin zandoogje slechts 1. Toch is er ook wel eens een afwijking. Bij dit mannetje van het bruin zandoogje is als speling der natuur wat extra wit in de zwarte oogjes terechtgekomen. Dit behoort dus slechts 1 stip te zijn.
Het landkaartje is een bijzondere vlinder die in de voorjaarsgeneratie (half mei) geheel anders van kleur is dan in de volgende generatie. In het voorjaar overheerst op de bovenvleugel de kleur oranje, daarna zwart en wit. De vlinder dankt zijn naam aan de landkaartachtige structuur van de ondervleugel. Vlinders hebben maar een beperkte levensduur. Als ze niet overwinteren zijn ze aan het eind van de zomer afgevlogen. Dit exemplaar is daar een duidelijk voorbeeld van. De vleugels zijn rafelig geworden en sommige stukken ontbreken. In de najaarszon tracht het insect nog wat warmte op te doen en nectar te vergaren.
Tot de schoenlappersfamilie behoren veel van onze bekende dagvlinders, zoals kleine vos, gehakkelde aurelia en landkaartje. Ook de dagpauwoog (Inachis io) behoort er toe. Deze vlinder is in onze streken het gehele jaar aanwezig, zij het dat in de winter slechts stil wordt gewacht op hogere temperaturen om weer uit te vliegen. De vlinder kan dus vorst verdragen. Bij mij hangen er ieder jaar aan het dakbeschot van mijn schuur, die een permanente opening heeft. Na de winter kun je ze zonnend aantreffen om wat energie op te doen. Verse exemplaren zijn echter wat dieper van kleur. De onderkant van de vleugels van deze vlindersoort is donker. De rupsen leven op brandnetel.
Om veel vlinders in de tuin te hebben is het bevorderlijk dat ook veel voor vlinders aantrekkelijke planten in de tuin bloeien. Goede vlinderplanten zijn onder andere: Echinacea purpurea, Rudbeckia fulgida 'Goldsturm', Lysimachia clethroides, Agastache 'Blue fortune', Sedum spurium en Verbena bonariensis. De laatste is de beste van alle. De verbena bloeit zeer lang, van juni tot oktober en is een gemakkelijke groeier. Ze zaaien zich hier en daar uit en ik laat ze maar wat doen. De bloemen van de verbena hebben een aantrekkelijke kleur, die gemakkelijk bij andere past. Ze worden tot ongeveer 1,50 m. hoog en vergen niet veel ruimte, want ze hebben een ijle groeiwijze. Steunen is niet nodig want de stengel is stevig. Ze kunnen dus gemakkelijk achterin in een border staan, maar liefst wel in de zon. Ook andere vlinders dan de 'gewone' dagvlinders laten zich op de bloemen van de verbena zien, bijvoorbeeld de fraaie kolibrievlinder.
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Overige vliegen
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven