Een ander mooi huisvliegje is de Morellia aenescens. Ze foerageren bij mij in de tuin graag op Eryngium-bloemen. Ze vallen op door het metallic glimmend achterlijf.
Veel van de tot de bloemvliegen (Anthomyiidae) behorende soorten kunnen we vinden op bloemen, waarop ze foerageren. Ze planten zich voort in rottend materiaal en mest. Er zijn veel soorten en ze zijn moeilijk determineerbaar. Dit exemplaar is waarschijnlijk de Hylemyza partita. Er zijn echter soorten van dit genus die er sterk op lijken. Deze vlieg is maar klein en zit op madeliefje.
Van de bloemvliegen (Anthomyiidae) zijn in Nederland ongeveer 30 geslachten aanwezig met samen meer dan 100 soorten. Dat zijn er dus heel wat. Ze hebben veel gemeen met de huisvliegen (Miscidae). Deze Anthomyia procellaris is lichtgrijs van kleur en heeft opvallende donkere vlekken. De vleugels komen verder dan de achterlijfpunt. Het is een prachtig vliegje van ongeveer 4 à 5 mm, zoals hier op een bovenaanzicht op millimeterpapier te zien is. Deze soort schijnt zich voort te planten in vogelnesten. De larven eten dan de vervuilde restanten van de jonge vogels, zoals veerschubben en uitwerpselen. Andere soorten bloemvliegen kunnen schadelijk zijn door vraat aan plantenwortels door de larven, zoals bijv. de koolvlieg dat doet. Koolvliegen (genus Delia) behoren ook tot de familie der Anthomyiidae.
De huisvliegen zijn in soorten vrij talrijk. Ik tref ze dikwijls aan in de buurt van mijn huis of in de tuin. Deze Musca autumnalis-vliegen doen hun best om te zorgen voor nageslacht. Ze zitten op de leuning van een tuinstoel.
In de buurt van woningen komt ook de huisvlieg Muscina stabulans veelvuldig voor. Dit is een vrouwtje. De ogen staan iets wijder uit elkaar dan bij een mannetje. Het is in detail een mooi vliegje: leuke kleuren en fraaie haarborstels. Het dier wordt ook wel stalvlieg genoemd. Ze komen voor in grote delen van de wereld. De larven leven in kadavers en organisch afval. Hier zijn nog wat aanvullende foto's, waaronder een deatail van de kop: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5.
De meest bekende huisvlieg is de gewone huisvlieg (Musca domestica). Het is een soort die qua kleur veel lijkt op Musca autumnalis, maar iets slanker is. Ze zijn wereldwijd verspreid en komen veel voor in de omgeving van woningen, zeker als er ook wat mest en ander organisch afval aanwezig is. Het is een soort die ook graag binnenshuis vertoeft. Ze hangen dan aan lanpen en andere wat hogere objecten en poepen daar ook op. Dat wordt meestal niet zo gewaardeerd. Het is een soort die binnen niet sterk naar het licht vliegt. Ze hebben geen behoefte om naar buiten te vertrekken. Ze zijn ook te herkennen aan het vlieggedrag: ze vliegen met hoekige wendingen in driehoekjes. Het is de soort waarvoor men vroeger ook wel plakstrips in de woning ophing om ze te vangen. Het was niet zo'n smakelijk zicht met al die aangeplakte vliegenlijkjes. Hier zijn nog wat aanvullende foto's, waaronder een detail van de kop van dit mannetje: foto 2, foto 3.
Ik geef ook nog wat foto's van een vrouwtje (de ogen staan veel wijder): foto 4; foto 5; foto 6; foto 7; foto 8; foto 9.
Een vliegje dat ook binnenshuis voorkomt is de kleine kamervlieg (Fannia canicularis), ook wel kleine huisvlieg of hondsdagenvlieg genoemd. Het genus Fannia behoort tot de familie der Latrinevliegen (Fanniidae). Deze soort is een flinke slag kleiner dan de vorige en meet ruim 6 mm. Het is een zeer algemeen voorkomend vliegje met soortgelijk gedrag als de gewone huisvlieg. Hier is een exemplaar te zien met een oranje mijt op het lijf.
Deze prachtige vlieg zat in oktober 2010 te zonnen op een muurtje in mijn tuin. Het is een verwant van de huisvliegen (familie Muscidae), van het geslacht Phaonia, dat in Nederlnad ongeveer 25 soorten kent. Een kenmerk van deze vliegen zijn de dorsale haarborstels op de achterscheen, dus op de bovenkant (foto 5). Dit is een vrouwtje Phaonia valida die prachtige goudkleurige beharing heeft achter de kop (foto 4 en 6). Pas op enkele foto's werd dit zichtbaar, want in het veld is dat niet te zien. Het scutellum (schildje) heeft in de punt een roodbruine kleur. Opvallend zijn de poten die roodbruin zijn, behalve de tarsen die zwart van kleur zijn. Bij deze soort lijken de aders van de vleugels roodbruin omrand. De sprietborstels zijn opvallend lang behaard (foto 4).
Hier zijn wat nadere foto's van deze vlieg: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6.
Hier zijn nog 2 foto's van een mannetje van deze soort: foto 7, foto 8.
Van hetzelfde geslacht (Phaonia) kwam enkele dagen na de vorige vlieg een soortgenoot tegen. Het bleek een mannetje Phaonia tuguriorum te zijn. Hier zijn er wat foto's van: foto 1, foto 2, foto 3.
Een grote vlieg, die ook tot de huisvliegen behoort is de schorsvlieg (Mesembrina meridiana). Die zag ik echter nooit in mijn buurt. Ik kwam deze vlieg tegen in het natuurgebied Braakman-Noord te Terneuzen. Het is een mannetje. Deze vliegen hebben oranje kleuren op de vleugels en de voorkant van de kop en vallen daarmee wel wat op. De vliegen foeageren op bloemen voor de nectar. Vrouwtjes hebben koeienvlaaien nodig om er een eitje in te leggen. De sprietborstel (arista) van vliegen is een instrument om ondere andere geuren mee waar te nemen. Sommige hebben onbehaarde sprietborstels; bij andere zoals deze vliegensoort is die arista sterk behaard. Ze kunnen er dan meer mee waarnemen. Het vrouwtje zal er koeienvlaaien mee kunnen opsporen; het mannetje zal er waarschijnlijk een vrouwtje mee kunnen vinden om mee te paren.
In die uitwerpselen van koeien zitten altijd veel larven van andere insecten en dat is het voedsel van de schorsvlieglarve. Ze vreten ze allemaal op. De vrouwtjesvliegen van deze soort leggen in hun leven maar zeer weinig eitjes. Bij veel insecten kan dat gemakkelijk oplopen tot vele honderden. Bij deze vlieg schijnt het maximum ongeveer 5 eitjes te zijn. Die verdelen ze dan goed over verschillende vlaaien, zodat een optimaal voortplantingsresultaat bereikt wordt, dus slechts 1 eitje per vlaai.
Hierna worden de vleesvliegen (Calliphoridae) getoond en beschreven. Zeer bekende en talrijke soorten zijn de groene vleesvliegen van het genus Lucilia. Enkele vliegen van het genus Muscidae (huisvliegen) lijken er op het eerste gezicht sterk op. Dat is ook het geval met Neomyia cornicina. ze hebben een even fraai groen-metallic uiterlijk, maar missen veel haarborstels op de bovenkant van de thorax. Ze zijn daar dus veel kaler en zijn daaraan te herkennen.
Een verwante soort (Muscidae, huisvliegen) is de Dasyphora cyanella. Deze vlieg is te herkennen aan de afwijkende vleugelbeadering (4e lengte-ader heeft geen scherpe, maar een geleidelijke bocht). De jonge vlieg is eerst groen en verkleurt bij het ouder worden ook naar koperkleurig.
De vleesvliegen (Calliphoridae), zijn talrijk in soorten. Het zijn meestal wat grotere vliegen, die nectar op bloemen zuigen en zich voortplanten op dood dierlijk materiaal, waarin en waarvan de larven leven. Ze hebben een waaier van haarborstels bij de halters en lijken daardoor een beetje op sluipviegen. Het postscutellum (metanotum) van de sluipvliegen ontbreekt merendeels bij de vleesvliegen en dat onderscheidt ze dus ook.
De blauwe vleesvlieg (Calliphora vomitoria) is een zeer algemeen insect, dat zijn eitjes graag legt op vis of vlees. De maden leven dan van dit voedsel en er blijft weinig meer van over dan de graten of botten. De vliegen zitten graag op muren om te zonnen. Dit exemplaar zit op een klimopblad van een haag in mijn tuin.
De roodwangbromvlieg (Calliphora vicina) lijkt heel veel op de blauwe vleesvlieg, maar heeft in plaats van donkergrijze wangen zalmkleurige wangen. De kleur van het borststuk is wat meer grijsachtig dan blauwzwart. Het zijn mooie vliegen en even algemeen als genoemde soortgenoot. Ze hebben dezelfde levenswijze. Hier zijn nog wat andere foto's van deze fraaie vlieg (vrouwtje), o.a. met een kopportret: foto 2, foto 3.
En hier nog soortgelijke foto's van een mannetje: foto 4, foto 5.
Een zeer forse vlieg die wat op de roodwangbromvlieg lijkt, is de lijkenvlieg (Cynomya mortuorum). De kop is echter duidelijk anders gekleurd. Niet alleen de wangen (gena) zijn oranjegeel, maar ook het gehele gebied tussen de wangen en de kruin. De inplant van de antennen is meer roodachtig. Het achterlijf is fraai blauwgroen.
De soortnaam (mortuorum) doet vermoeden dat deze vlieg op kadavers te vinden zal zijn om de eitjes af te zetten. Ze zijn veel minder talrijk dan de eerder genoemde soorten vleesvliegen. Hier zijn nog enkele foto's van deze mooie vlieg: foto 2, foto 3.
Er is ook een groene vleesvlieg (Lucilia caesar), die zeer algemeen is, maar er zijn sterk gelijkende soorten die ook algemeen zijn, zoals L. sericata. Opvallend zijn bij deze vliegen de mooie ogen en de metaalachtige kleuren. De groene vleesvlieg varieert in kleur van groen, goudkleurig tot blauwgroen-achtig. Oude exemplaren van de groene vleesvlieg zijn prachtig roodkoperkleurig. Deze vliegen leggen hun eitjes op kadavers van allerlei dieren. Deze dode huismuis wordt geheel opgevreten door de vliegenlarven. Het is niet zo'n smakelijk gezicht, maar zo zorgt de natuur zelf voor opruiming.
Andere groene vliegen die op het eerste gezicht wat lijken op Lucilia zijn de vliegen van het genus Bellardia. Hier is een dergelijke vlieg te zien in het voorjaar op appelbloesem.
Deze parende vliegen (Pollenia sp.) behoren ook tot de vleesvliegen. Dat het vleesvliegen van dit genus zijn is onder andere te zien aan de vorm van de vlieg en de golvende (oranje) beharing op de zijkanten van de thorax. De naam is niet gemakkelijk vast te stellen door de vele gelijkende soorten.
Al deze vliegen zijn in de buurt van bijna iedere woning te vinden. Een mooie Pollenia-soort is de Pollenia rudis. Een mannetje van die soort zit hier op een bezemsteel naast mijn keukendeur.
Een algemene vlieg in de buurt van huizen is ook deze dambordvlieg (Sarcophaga carnaria). Ze planten zich voort op aas en behoren evenals de vorige soort tot de vleesvliegen. Op het achterlijf hebben ze een zwart-witte tekening. Opvallend zijn de bruinrode ogen en de grote voetjes. Hier zijn ze parend te zien. Een bijzonderheid is dat de vrouwtjes geen eitjes leggen, maar larven baren. Hier is de achterkant van de vlieg met de dambordtekening wat beter te zien. Of dit echter allemaal dezelfde soort dambordvliegen betreft is twijfelachtig. Er zijn enkele tientallen soorten die sterk op elkaar lijken. Ze zijn alleen op het genitaal van de mannetjes te determineren.
De familie der Sarcophagidae (dambordvliegen) heeft 17 geslachten (totaal ruim 70 soorten). Het geslacht Brachicoma heeft slechts 1 soort Brachicoma devia. Het is een fraaie vlieg die ik in mijn tuin zag terwijl deze vermoedelijk net was uitgekomen. Het dier was erg traag en dat lag niet aan de temperatuur, want die was prima op 29 mei 2011. Deze vlieg heeft een grijsblauw uiterlijk met 3 strepen op de thorax en het achterlijf is geblokt, zoals bij veel dambordvliegen het geval is. Deze soort heeft kale sprietborstels (arista's). Vliegen die hierop lijken - en dat zijn er wel wat - hebben dikwijls behaarde sprietborstels en zijn dan van een andere soort. Deze vliegen parasiteren op het broed van hommels.
Hier zijn nog enkele aanvullende foto's: foto 2; foto 3; foto 4.
Eerst dacht ik met een sluipvlieg te maken te hebben, maar die parasiteren niet op wespen en bijen. Deze zit op een nestblok voor solitaire bijen en wespen en zoekt er naar broed om haar eitje te leggen. Het is de in/uitgang van een nestpijpje.
In Nederland komt van dit geslacht maar 1 soort voor: Amobia signata. Dit is een vrouwtje en zekerheid voor determinatie geeft alleen het mannetje (genitaliën). Determinatie geschiedde op foto door dr. Theo Zeegers. Wel zeker is, dat het een Amobia is. Het geslacht Amobia is een onderdeel van de familie der dambordvliegen (Sarcophagidae) waarvan er tientallen soorten zijn binnen diverse geslachten.
Volgens Theo Zeegers is deze waarneming bij de gastheerinsecten bijzonder, omdat deze vlieg niet dikwijls wordt gezien en dus bepaald niet algemeen is. Het succes van aangeboden nestmateriaal (holle stengels van kaardenbol) geldt dus niet alleen voor de diverse solitaire wespen en bijen die er gebruik van maken, maar ook voor diverse broedparasieten. Ook in jaren na 2007 zag ik deze vlieg bij de nestholtes van de bijen.
Veel solitaire bijen worden geparasiteerd door koekoeksbijen en sluipwespen; sommige ook door vliegen, zoals de eerder vermelde Amobia signata. Van metselbijen als Osmia rufa en O. cornuta zijn geen koekoeksbijen bekend. Ze hebben wel kans nog geparasiteerd te worden door kleine sluipwespjes (bronswespen) en vliegen. Het parasiteren door koekoeksinsecten, waarbij de parasiet haar eitjes legt in de voedselcel van de gastheer, noemt men ook wel een cleptoparasiet. Ze gebruiken dus het verzamelde voedsel dat voor de gastheerlarve bestemd was.
De fruitvlieg (genus Drosophilidae) Cacoxenus indagator parasiteert bij mij in de tuin op de nesten van Osmia rufa. De vliegjes zijn voor een fruitvlieg vrij groot met een lengte van 4,3 mm. Van deze vliegjes zag ik er minstens 30 tegelijk, dus ze zijn vrij talrijk. De Osmia's zijn dat ook, met minstens 10 nestelende vrouwtjes. De vliegjes zoeken de nestelplaatsen af tot de broedcel van de metselbij voldoende gevuld is met stuifmeel en nog niet afgesloten is. Dan leggen ze er snel enkele eitjes in en de larve van de bij vist mogelijk achter het net en heeft dan geen of te weinig voedsel, want het is dan al merendeels opgegeten door de vliegenlarven die dat snel doen. Op deze plaatjes is de vlieg te zien op de nestelplekken: foto 2, foto 3. Dat ze de cellen bezoeken is goed te zien aan de stuifmeelresten op het lichaam, die niet afkomstig zijn van bloembezoek: foto 4.
Ook de zogenaamde satellietvliegen behoren tot de koekoeksvliegen, die hun eitje in het nest van een ander leggen. De vlieg Leucophora obtusa heeft als waard enkele zandbijsoorten. Ze zijn bekend van onder andere Andrena fulva en A. nitida. Dit vrouwtje vond ik middenin een kolonie van Andrena clarkella. Het genus Leucophora behoort tot de familie Anthomyiidae (bloemvliegen). De Leucophora's hebben een opvallend afgeplat voorhoofd. Om het nest van de gastheerbij te vinden vliegen ze op beperkte afstand achter het thuiskomende vrouwtje aan en zo vinden ze de nestingang. Daarom heten ze satellietvliegen.
Dazen behoren tot de paardevliegen en de wijfjes van deze vliegen hebben scherpe monddelen, waarmee ze bloed kunnen zuigen. Het bloed hebben ze nodig als voedsel voor de aanmaak van eitjes. Dit is een zeer algemene soort, die je dikwijls zonnend ziet op door de zon opgewarmde plekken, zoals muren en boomstammen, maar ook op bijvoorbeeld auto's kun je ze aantreffen. Dit is de grijze runderdaas (Tabanus autumnalis), die ongeveer 20 mm lang is. De larven zitten vooral in vochtige grond of modder. Deze soort zuigt bloed bij koeien en paarden, maar er zijn ook beten bij mensen bekend. Paarden kunnen er zeer onrustig van worden, want het zijn venijnige beten met nadien bultvorming en jeuk. Op nevenstaande foto zijn de 2 lichtkleurige naar beneden gebogen monddelen de messcherpe instrumenten die ze nodig heeft bij het bloedzuigen. Eerst prikt ze het slachtoffer aan en daarna zuigt ze het bloed op. Achter de 'messen' is de donkerkleurige tong te zien. Daarboven, nog tussen de ogen, staan de korte puntige antennen, die ze nodig hebben om geuren waar te nemen. Zo kunnen ze elkaar (mannetje en vrouwtje) en de slachtoffers gemakkelijk vinden.
De grijze runderdaas heeft evenals veel soortgenoten driehoekige lichte vlekken op het achterlijf, zoals bij dit vrouwtje goed te zien is. Ook het mannetje heeft deze tekening. Het zijn indrukwekkend dieren. Hier is nog een foto, waarop een vrouwtje te zien is, dat zit op de bloem van heelblaadje. Het mannetje mist de snijdende monddelen en bij hem staan de ogen tegen elkaar aan; bij het vrouwtje is er een kleine ruimte tussen de facetogen. Opmerkelijk is dat het midden-bovendeel van het oog van een mannetje veel grotere facetten heeft dan de rest van het oog. Er ligt als het ware een zadel overheen.
Een kleine daas die erg hinderlijk kan zijn is de regendaas (Haematopota pluvialis). De dieren kunnen met vele tientallen tegelijk een zoogdier (ook de mens) aanvallen. Ze gaan op de huid zitten met de bedoeling (vrouwtjes) om bloed te zuigen als voedsel voor de aanmaak van eitjes. Ze doen dat razend snel en je voelt ze pas als ze geniepig in de huid prikken. Je komt ze tegen in veel natuurgebieden tegen omstreeks juli-augustus en dan is het daar niet echt leuk meer. Kleding met lange mouwen en een lange broek is gewenst, ook om teken minder kansen te geven. Na de beet van een daas onstaat een vervelende bult die nog enkele dagen jeuk geeft, ook als het dier maar heel kort heeft gestoken. Hier zit een vrouwtje regendaas op mijn arm en dit exemplaar is bezig op mijn hand te steken en bloed te zuigen. Het zijn bij vergroting mooie vliegen met een kleurig oog, prachtig gevlekte vleugels, vrij stevige puntige antennen, een grote grijze tong en messcherpe lichtkleurige monddelen. De tekening in de ogen is bij alle exemplaren iets verschillend. Hier is nog een ander vrouwtje te zien.
Een andere kleine daas, die net zo vervelend is als de vorige is de goudoogdaas (Chrysops relictus). Omstreeks eind juli-begin augustus zijn het vliegen die de bezoeker van natuurterreinen het leven zuur maken. Deze soort is ook maar klein en de ogen zijn heel bijzonder, zoals bijna alle dazen die hebben: opvallend kleurig. De vleugels van de goudoogdaas hebben iets donkerder vlekken dan de regendaas. De larven leven in vochtig rottend plantenmateriaal van andere insectenlarven die daar ook leven. De volwassen insecten foerageren ook wel op schermbloemen als pastinaak en wilde peen. Ik kwam op zo'n bloem ook een mannetje tegen. De ogen van mannetjes raken elkaar en de dieren zijn geheel onschuldig. Alleen de vrouwtjes hebben bloed nodig van grotere zoogdieren om eitjes aan te maken en daarom steken ze. Dit vrouwtje heeft mijn hand uitgekozen om bloed te zuigen. Dat heeft overigens niet zo lang geduurd. Het was een van de vele die het probeerde. Ze kunnen in augustus zeer hinderlijk zijn bij massaal optreden.
Sommige insecten kunnen zeer veel kou verdragen. Deze strandvliegsoort Heterocheila buccata zag ik eind november 2010 in redelijke aantallen op het strand van valkenisse (Koudekerke, Walcheren). Het was fris weer en 's nachts vroor het licht. De vliegjes waren gewoon aanwezig en nog actief, want ik zag ook enkele parende stellen. Ze ziten graag op aangespoeld blaaszeewier (Fucus vesiculosus). Vermoedelijk worden daarop ook de eitjes afgezet en leven de larven daarin. De adulte vliegen zijn ongeveer 7-8 mm lang, waarbij de vleugels voorbij de achterlijfpunt uitsteken. De vrouwtjes hebben een soort legboortje; bij de mannetjes is de punt van het achterlijf meer rond van vorm. De vliegjes behoren tot de familie Heterocheilidae, waaronder slechts 1 genus (Heterocheila) behoort met alleen deze ene soort. Hier zijn nog enkele andere foto's van dit vliegje:
mannetjes: foto 4; foto 5; foto 6; foto 7; foto 8; foto 9.
vrouwtjes: foto 10; foto 11; foto 12.
Aan de rand van mijn vijver is een klein moerasje. In de buurt daarvan trof ik deze mooie kleine wapenvlieg. aan. Het vliegje meet ongeveer 6 mm en heet Oxycera trilineata naar de 3 zwarte strepen op het borststuk. De larven leven graag in met water doordrenkte grond of nat mos. Misschien is het vliegje dus afkomstig uit mijn eigen tuin. Ze schijnen niet zeldzaam te zijn, maar ik zie ze uiterst zelden.
In mijn tuin zie ik frequenter een ander wapenvliegje, waarvan de larven in het water leven. Dat is Oplodontha viridula, die grijsgroen met zwart is en op bloemen foerageert. Het exemplaar van de foto is een mannetje en dit foerageert op Erynchium planum.
Volgens sommigen heten ze 'wapenvliegen' vanwege de mooie kleurrijke tekening, die doet denken aan wapenschilden. Anderen zeggen dat de bij veel wapenvliegen voorkomende stekels op het scutellum de aanleiding tot de naam zijn. Niet alle wapenvliegen hebben echter deze stekels. Een algemeen kenmerk van de wapenvliegen is de kleine ingesloten discale cel in de vleugels. Bij de hierna volgende soorten is dat goed zichtbaar.
Hier zijn nog enkele andere foto's van dit vliegje en dat betreft een vrouwtje: foto 1; foto 2; foto 3; foto 4; foto 5.
Een zeer algemeen klein wapenvliegje (zonder stekels op het schildje) is de Chloromyia formosa. Opvallend is de sterke beharing van de ogen en andere lichaamsdelen. Bij de vrouwtjes is dat wat minder. Ook de kleur van mannetjes en vrouwtjes is verschillend. De mannetjes hebben een goudkleurig achterlijf. Bij de vrouwtjes is dat metaalblauw. Het borststuk is bij beide groenachtig gekleurd. Bij mij bezoeken ze graag bloeiende perterselie. Daar zijn ze overigens niet alleen, want ook veel andere vliegen, kevers, wantsen en solitaire bijen zijn er te vinden op de bloemschermen. Elders zag ik ze op dille, ook een schermbloem. Van deze soort leven de larven in bladstrooisel en vochtige grond. Hier is nog een mannetje te zien vanaf de zijkant, zodat de grote tong ook zichtbaar is, waarmee hij foerageert.
In de loop van de jaren zie ik steeds meer soorten wapenvliegen in mijn tuin. In 2007 zag ik voor het eerst enkele exemplaren van deze soort (10 mm): Odontomyia tigrina. Ze zijn op het eerste gezicht niet zo spectaculair, maar toch zijn het wel aardige vliegjes. De onderkant van zowel vrouwtje als mannetje is licht geelgroen. De haltertjes zijn ook groen. Ze hebben de typische vorm van een wapenvlieg met het brede eind van het achterlijf en de gesloten kleine discale cel in het midden van de vleugels, zoals op dit bovenaanzicht van het vrouwtje te zien is.
In de vijver trof ik in september 2005 een larve van een veel grotere wapenvlieg aan. Het dier is ongeveer 40 mm lang, heeft geen poten, 10 geledingen van chitine-achtig materiaal, niet rond maar afgeplat en een staartje (adembuis) met een kort pluimpje. De snuit is klein en heeft geen direct zichtbare kaken. Het dier eet algen en ander plantaardig materiaal. De onderkant is ongeveer gelijk aan de bovenkant maar iets donkerder. Het zou de larve kunnen zijn van een Stratiomys of Odontomyia. Deze larve is waarschijnlijk van de langspriet wapenvlieg (Stratiomys longicornis) kunnen zijn. Op 8 mei 2006 vond ik daarvan 2 exemplaren, die net waren uitgekomen. Ze zaten op het blad van sedumplanten die in een droge schuine kant bij mijn vijver staan. Het aardige is dat het een mannetje en een vrouwtje waren. Het vrouwtje is 16 mm lang; het mannetje een paar mm korter. Opvallend zijn de lange sprieten en de dikke beharing. Voor wapenvliegen is dat bijzonder, want de meeste soorten hebben weinig haren. Ook op de kop zitten er veel haren, zoals hier te zien is bij het vrouwtje. Wapenvliegen hebben dikwijls een kleurige, contrastrijke tekening op de thorax en het achterlijf, maar die tekening is bij deze wapenvlieg niet opvallend. Ruim een week later zag ik opnieuw een pas uitgekomen vrouwtje, waarvan het achterlijf iets beter zichtbaar is.
Een andere grote wapenvlieg is de noordelijke kameleonwapenvlieg (Stratiomys singularior), die begin juli 2006 bij mij in de moestuin dikwijls op bloeiende peterselie te zien was. Beide geslachten waren aanwezig. Ze hebben vermoedelijk eenzelfde soort levenwijze als de S. longicornis. Deze soort is echter wat fraaier van tekening. De mooie zwart-wit vlakken op het achterlijf maken het een opvallend dier. Dit is een vrouwtje, te herkennen aan de wijdere stand van de ogen. Dit vrouwtje was bezig op het bloemblad van een gele lelie om het daarop gevallen stuifmeel op te likken met haar grote tong. Het zijn vrij grote dieren, waarvan de mannetjes iets kleiner zijn dan de vrouwtjes (24 mm). Om de verhoudingen met andere insecten weer te geven, is hier nog een plaatje van een vrouwtje dat wordt geflankeerd door enkele spektorren. Die vallen geheel in het niet bij de wapenvlieg.
Een klein mooi wapenvliegje is de Nemotelus pantherinus (5-6 mm), waarvan nevenstaand het mannetje te zien is. Het beestje foerageerde ook op bloeiende peterselie en daarbij is de vrij lange zuigsnuit goed te zien. De mannetjes zijn aan de onderzijde van het achterlijf ook wit. Op de bovenzijde hebben ze enkele zwarte vlekken. Bij de vrouwtjes is de onderkant van het achterlijf bijna geheel zwart. Opvallend bij deze soort zijn de prachtige witte haltertjes die op deze vergrote foto goed zichtbaar zijn.
Sommige vliegen zijn schitterend van kleur, zoals veel wapenvliegen. Er zijn echter nog andere soorten die er niet veel voor onder doen. Dit is de sluipvlieg Eriothrix rufomaculata, die in mijn tuin op een muntsoort zat, maar ook op andere bloemen foerageert. Sluipvliegen zijn o.a. te herkennen aan de haarborstels op borststuk en achterlijf en de aanwezigheid van een postscutellum. Dat zijn bij deze soort de witte schildjes aan de zijkanten van het scutellum. De larven van sluipvliegen parasiteren op rupsen en larven van andere insecten. Hier zijn nog andere foto's van deze kleurige vlieg: foto 2, foto 3.
Niet alle soorten sluipvliegen zijn even kleurig. Deze Eurithia anthophila is merendeels zwart, maar met roodbruine ogen en witte postscutellum-schildjes. De openingsfoto dateert van 2006 en dat is vermoedelijk een mannetje. Ze zijn ieder jaar in mijn tuin aanwezig. In 2010 fotografeerde ik een vrouwtje. De ogen staan wat wijder en 2 extra haarborstels aan de buitenkant van de oogkas zijn sterk naar voren gericht, wat kenmerkend is voor vrouwtjes. Hier zijn de foto's van het vrouwtje: foto 1, foto 2, foto 3.
De sluipvlieg Mintho rufiventris lijkt wel wat op de Eriotrix rufomaculata, maar is iets anders van vorm. Het dier heeft ook rode zijvlekken op het achterlijf, maar is minder plat. Het achterlijf lijkt in de hoogte te zijn samengeknepen. Het is een mooie vlieg die zich af en toe laat zien. Ze parasiteren meestal op rupsen van de nachtvlinder Ocrasa glaucinalis (Lepidoptera, Pyralidae), maar schijnen ook de Maisboorder (Ostrinia nubilalis, Crambidae) als gastheer te gebruiken. Ze zijn dus nog nuttig ook, want die vlinder geldt als schadelijk.
Deze mooi gekleurde sluipvlieg bezocht mijn tuin in 2006. Het is de Leskia aurea. Deze fraaie vlieg parasiteert op Synanthedon-rupsen (glasvleugel- of wespvlinders). Die vlinders zie ik maar zeer sporadisch en daarom is het des te opvallender dat deze vlieg te zien was op hertsmunt. De rupsen van de vlinders leven in hout van bessenstruiken, wilgen en vruchtbomen. De vliegen weten deze plekken te vinden. De larve van de vlieg vreet de rups van de vlinder van binnenuit geheel leeg, maar begint met de minst kwetsbare delen, waar reservevoedsel is opgeslagen. De gastheer overleeft deze aantasting niet, maar het duurt dikwijls tot aan de verpoppingstijd van de gastheerrups voordat deze doodgaat. Deze sluipvliegen zijn zeer zeldzaam en in Nederland slechts bekend van enkele verspreide geïsoleerde gebieden. Een van die gebieden is Walcheren, waar ik woon. De vlieg is voor mij gedetermineerd door de sluipvliegenexpert dr. Theo Zeegers.
In 2010 zag ik deze sluipvlieg opnieuw, foeragerend op kruisdistel.
In 2011 zag ik een mannetje (nauwere ogenstand) in mijn tuin: foto 1, foto 2, foto 3.
Toen ik in 2008 probeerde de geparasiteerde rups van een groot koolwitje uit te kweken, had ik als resultaat 20 kleine sluipwespjes (3 mm) en 1 kleine sluipvlieg (5 mm). Die vlieg herkende ik niet goed en heb de naam gebraagd op het Diptera-forum. Theo Zeegers wist het diertje te benoemen: een mannetje van de sluipvlieg Phryxe nemea. Ze staan bekend als parasiet van koolwitjes, maar ook andere rupsen. De vrouwelijke vlieg legt haar eitje op de buitenkant van de rups. Als het larfje uitkomt vreet het zich naar binnen. Omdat bij deze rups ook nog vrij veel sluipwespjes actief waren, moest er waarschijnlijk gedeeld worden, maar er was voor ieder voedsel genoeg, want het vliegje had de normale grootte van ongeveer 5 mm. Hier zijn nog extra foto's van deze sluipvlieg: foto 2, foto 3. Zie ook bij de dagvlinders: groot koolwitje.
De sluipvlieg Zophomyia temula lijkt wat op een kleine versie van de schorsvlieg. Ze hebben dezelfde kleuren. Deze sluipvlieg parasiteert vermoedelijk op de rupsen van nachtvlinders.
Deze grote vlieg behoort ook tot de grote familie van de sluipvliegen. Het is een algemene vlieg, maar ik zie ze toch niet zo veel in mijn omgeving. Elders (Braakman-Noord) zag ik er vele tientallen tegelijk. Het is de Tachina magnicornis, die een mooi oranjekleurig achterlijf heeft waarop in het midden een donkere streep loopt. Ze vertoeven meestal op de wat meer vochtige plaatsen van een terrein, zoals waterkanten, natte plekken in bossen e.d. De vlieg legt haar eitjes op diverse planten in de buurt van vlinderrupsen. De uitgekomen larfjes gaan daarna op zoek naar die rupsen van zowel dag- als nachtvlinders. Ze dringen daarin binnen, vreten die helemaal leeg en verpoppen daarna. De volwassen vlieg is aan alle kanten bezet met stekelige haren. Ook de kop is indrukwekkend om te zien. Deze soort kan verward worden met T. fera, welke er erg veel op lijkt, maar ondermeer lichtere poten heeft.
Een sluipvliegensoort waarvan ik in de beboste omgeving van de Braakman (Terneuzen) enkele exemplaren tegenkwam is de Thelaira solivaga. Dit is een mannetje en dat is direct te zien aan de oranjezijvlekken op het achterlijf, die het vrouwtje mist. Het is een grotere soort van ongeveer 11 mm lengte. Het zijn redelijk opvallende vliegen door hun kleur en tekening. Ze vielen ook op door het gedrag. Er waren enkele mannetjes op een plek steeds aan het ruziën over de beste plekjes in de zon op brandnetels onder bomen.
Hier zijn nog wat andere foto's van deze vlieg: foto 2, foto 3, foto 4; foto 5.
In een ander natuurgebied (de Schotsman, Noord-Beveland) zag ik de fraaie sluipvlieg Dexiosoma caninum. Het beestje heeft een zwart-geel gestreept achterlijf en een goudkleurig borststuk. De vleugeladers zijn bij de basis oranjekleurig. De rode ogen completeren dit mooie beeld. De soortnaam begrijp ik niet goed. 'Caninum' betekent: 'op een hond lijkend' of 'van een hond'. De vliegen parasiteren op de larven van bepaalde bladsprietkevers.
De sluipvlieg Nemorilla floralis is een algemene soort die in allerlei biotopen, ook tuinen, voorkomt. Dit exemplaar is aan de grote kant met een lengte van 9,7 mm. Meestal hebben ze een afmeting van 4,5 tot 8 mm en ze zijn wat dat betreft dus erg variabel. Om te foeragen zitten ze graag op schermbloemen. De vliegen parasiteren op de rupsen van allerlei dag- en nachtvlinders, bijv. gehakkelde aurelia, dagpauwoog en gammavlinder. Het zijn fraaie dieren en ze vallen op door de bontkraag achter de kop, die op deze foto's nog wat duidelijker te zien is: foto 2, foto 3.
In mei 2011 zag ik in mijn tuin een niet zo algemene verschijning. Ik dacht eerst aan een dambordvlieg-achtige vanwege de fraaie rode ogen en de vlekken op het achterlijf, maar het bleek de sluipvlieg Sturmia bella te zijn. Deze vlieg is weinig algemeen. In de sluipvliegentabel van Theo Zeegers wordt de soort 'zeldzaam' genoemd. Dan is het des te leuker om die in je tuin te zien. Deze vlieg parasiteert op dagvlinderlarven van de vossen en verwanten zoals Vanessa atalanta. Het scutellum (schildje na de thorax) heeft een opvallende roodachtige achterrand.
Hier zijn nog wat aanvullende foto's van deze vlieg: foto 2, foto 3.
Deze kleine sluipvlieg Subclytia rotundiventris valt meteen op door het oranjerode achterlijf. Het is een vliegje dat graag foerageert op schermbloemen als pastinaak en wilde peen. De vlieg parasiteert op de nimfen van enkele wantsensoorten, waaronder Pizodorus literatus en Elasmucha grisea. De vliegt haar eitjes op de nimfen en het larfje van de vlieg zal uiteindelijk binnendringen in het lijf van de wantsnimf en deze geheel leegeten. Hier zijn nog 2 aanvullende foto's te zien: foto 2, foto 3.
Ook de snipvliegen (ook wel: snavelvliegen, Rhagionidae) zijn prachtig van kleur. Dit is waarschijnlijk de Rhagio tringarius. Ze hebben een snavelachtige snuit (op de foto niet te zien), waarmee ze andere insecten leegzuigen. Ook de larven van deze roofvliegen, die ondergronds leven en verpoppen, eten dierlijk voedsel dat ze zelf vangen.
De snipvlieg Chrysopilus cristatus doet qua kleur niet onder voor de vorige. Deze heeft een goudkleurig uiterlijk en sommigen noemen hem daarom ook wel: gouden vlieg. Het dier van de foto is een vrouwtje.
Snipvliegen zijn meestal fraai van kleur. Sommige hebben ook prachtige ogen. Deze Chrysopilus asiliformis (mannetje) is maar klein, maar heeft zeer fraaie blauwgroene ogen en enkele opvallende vlekken in de vleugels.
Hier zijn nog 2 vergrotingen van de ogen: foto 2, foto 3.
Op uitwerpselen, bijvoorbeeld hondepoep, kun je de strontvlieg (Scathophaga stercoraria) tegenkomen. Ze zijn zeer algemeen. Hoewel het wat onsmakelijk lijkt, hebben ook deze dieren een belangrijke opruimfunctie in de natuur. Dat geldt trouwens ook voor veel andere vliegen die hun eitjes in kadavers leggen. De vliegen zitten soms bij tientallen op een 'hoop' en dikwijls tref je ze parend aan. De uitwerpselen hebben nog voldoende voedingsmiddelen om de larven van deze vliegen te voeden. De mannetjes zijn fraaie dieren, mooi goudgeel behaard en met een prachtig groenglanzend borststuk met wat stekelige haren. Om aan de kost te komen vangen deze vliegen andere vliegensoorten op de mest of elders.
Bij mij in de tuin zie ik ze soms ook gewoon op bladeren zitten. Deze vlieg zat met een aantal andere op het blad van frambozen. Van deze vliegen is bekend dat er bijna altijd veel meer mannetjes dan vrouwtjes zijn. Hier zijn deze vliegen parend te zien. Dit exemplaar heeft een vrouwte van de mooie wapenvlieg Sargus bipunctatus gevangen. Dat lijkt me een flinke maaltijd voor de strontvlieg.
Ze kunnen erg vroeg in het seizoen al actief zijn. Op 21 maart 2009 was dit vrouwtje al in mijn tuin te vinden. Opvallend is het wat miezerige achterlijfje. Ik vermoed dat het een vrij vers exemplaar is dat nog wat in conditie moet komen. Het achterlijf zal in omvang wat toenemen als de eierstokken zullen groeien. Hier zijn nog enkele andere foto's van ditzelfde exemplaar: foto 2; foto 3; foto 4, waarbij de laatste foto een close-up van de kop is die leuke details laat zien van een facetoog en de antennen.
Blaaskopvliegen zijn te herkennen aan de lange proboscis (soort zuigsnuit om voedsel mee op te nemen) en de puntige anale cel aan de achterrand van de vleugel. Dit is waarschijnlijk de Conops quadrifasciata. De vliegen foerageren graag op schermbloemen en composieten. Van die laatste familie is vooral het mooie jacobskruiskruid in trek bij deze soort vliegen. De rupsen van de sint-jacobsvlinder hebben bij wijze van toeval dezelfde geel-zwarte tekening als de vlieg.
Blaaskopvliegen parasiteren op hommels. De larven van Conops quadrifasciata groeien op als endoparasiet van steenhommels. Die worden dus inwendig geparasiteerd door de larven van deze vlieg. In de gastvrouw worden uiteindelijk ook essentiële onderdelen opgegeten en ze sterft dan. De vliegenlarve is dan al volgroeid en verpopt in het karkas van het dode insect. Na verloop van tijd kruipt de jonge vlieg uit deze behuizing.
Het jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) vervult voor zeer veel insecten (meer dan 150 soorten, waaronder diverse vliegen, vlinders, hommels en solitaire bijen) een belangrijke rol als drachtbron van nectar en stuifmeel en zelfs voor meer dan 30 soorten als waardplant voor de voortplanting. Ook honingbijen vliegen soms op kruiskruiden in de late zomermaanden, omdat veel andere planten dan reeds uitgebloeid zijn, maar ze hebben een duidelijke voorkeur voor het bezemkruiskruid en zijn op jacobskruiskruid niet veel te vinden. In 2005 is er jammer genoeg een soort hetze tegen deze prachtige plant op gang gekomen, omdat de gedroogde plant in hooi niet goed is voor paarden. De levende plant wordt nauwelijks door zoogdieren gegeten. Schapen schijnen er wel eens wat van te eten en dan werkt de plant wormafdrijvend door de in de plant aanwezige PA's (Pyrrolizidine alkaloïden).
Dat is de reden waarom velen deze plant (en de soortgenoten, die ook PA's hebben) willen bestrijden. Het liefst zou men de plant uitroeien, want dat zou gemakkelijk zijn. Dan heb je geen risico meer om de PA's binnen te krijgen, die de lever kunnen aantasten. Dat is echter wel erg kort om de bocht. Men vergeet de enorme natuurwaarde van deze planten. De oogkleppen van de paarden zijn door mensen opgezet en alle insecten die bij vernietiging verloren gaan, worden op de koop toe genomen. Insecten hebben nu eenmaal niet de aaibaarheid van een paard, maar voor mij zijn ze minstens evenveel waard, zo niet waardevoller. Paarden zijn gekweekte dieren en hebben nauwelijks nog iets met natuur van doen. Insecten daarentegen zijn voor de gehele natuur zeer waardevol, maken er een onderdeel van uit en hebben daarom mijn voorkeur. De kruiskruiden moeten dus beschermd en gestimuleerd worden om de vele soorten insecten die deze planten bezoeken en gebruiken, waaronder ook zeldzame, een dienst te bewijzen.
Paardenliefhebbers moeten gewoon alert zijn op de kwaliteit van het hooi. Als dat afkomstig is van bermen is het ook vervuild met allerlei andere stoffen en is de prijs laag. Goedkoop blijkt dan duurkoop te zijn. Dit soort 'liefhebbers' zijn een paard niet waard, maar ze maken wel heel veel ongenuanceerd en onkundig kabaal.
Toen ik in augustus 2007 in een buitendijks gebied in Zuid-Beveland was voor insecten, kwam er een tractor op de dijk om het pas gemaaide gras te keren. Dat leek me een aanwijzing dat het bestemd was voor diervoeder. Het hooi van de dijk zelf is van prima kwaliteit, maar aan de onderkant stonden akkerdistels en jacobskruiskruid. Die planten zijn gewoon meegemaaid en hier en daar zag ik de gele bloemen uit het hooi steken. Ook gedroogde distel lijkt me voor een paard of koe niet zo aangenaam in de bek. Het hooi zal ongetwijfeld zijn weg vinden. Hier was geen vervuiling van het gras door verkeer, maar een paar kilogram hooi minder door iets nauwkeuriger (minder) te maaien was kennelijk geen optie. Zo wordt de koper van dit hooi dus ook nog bedrogen als het verkocht is als 'schoon' dijkhooi.
Er zijn tot op heden nauwelijks wetenschappelijk aangetoonde gevallen van de dood van een paard of ander groot zoogdier door het eten van jacobskruiskruid. Ook al zou dat wel het geval zijn, dan nog kan dat de plant niet verweten worden, maar moet de 'paardenliefhebber' bij zichzelf te rade gaan. Gelukkig laat deze schitterende plant zich letterlijk niet zo snel uit het veld slaan. Ze staan vooral op wat drogere, arme gronden en zaaien zich met en zonder hulp gemakkelijk uit. In de duinen bloeit de plant soms zonder straalbloemen. Het is een zeer bijzondere plant vanwege zijn grote natuurwaarde, die gekoesterd moet worden. Kijk hier voor goede neutrale informatie over jacobskruiskruid en laat u niet gek maken door opgeklopte verhalen van enkele paardensites.
Ook deze blaaskopvlieg Myopa testacea parasiteert op andere insecten, voornamelijk hommels, bijen, wespen en sprinkhanen. De volwassen insecten bezoeken bloemen voor de nectar. Deze 2 vliegen zitten in mijn tuin op het blad van look-zonder-look om te paren. De vliegen hebben merkwaardige dikke koppen met een wit aangezicht. Het achterlijf houden ze dikwijls gekromd naar beneden.
Een andere blaaskopvlieg, die ik ook in mijn tuin zag, en die het achterlijf nog meer gekromd houdt is de Sicus ferrugineus. Ook het vrowtje doet dat zelfs nog bij het begin van de paring en dat lijkt wat minder handig. De close-up van de kop van deze vliegensoort laat ook goed een gedeelte van de scharnierende zuigsnuit zien. Ook deze soort parasiteert op hommels, maar ook op graafbijen.
Niet alle blaaskopvliegen houden het achterlijf zo gekromd als de vorige soorten. De Physocephala rufipes doet dat in mindere mate en valt op door het gesteelde achterlijf. Het is een wat grotere soort met rode poten.
De familie der Dolichopodidae heeft ongeveer 40 geslachten en een paar honderd soorten. Er zijn er dus vrij veel. Deze vliegen worden in Nederland slankpootvliegen genoemd. In mijn tuin was deze kleine vlieg (circa 7 à 8 mm) in de 2e helft van mei 2006 aanwezig in een aantal exemplaren. De larven van deze soorten leven van andere ongewervelden op vochtige plaatsen. Ook de meeste volwassen vliegen zijn predators van kleine andere ongewervelden, zoals larven van steekmuggen. Ze worden meestal bij de roofvliegen geplaatst in de insectengidsen.
Tot de slankpootvliegen behoort ook deze bijzondere verschijning: Poecilobothrus nobilitatus, die opvalt door de witte vleugeltippen. Daarnaast zijn ze geweldig mooi gekleurd: allerlei metallic-kleuren. De ogen zijn merendeels fel groen met een rode waas. Dat het rovers zijn is te zien aan de bedoornde poten. Daarmee kunnen andere insecten gemakkelijk vangen en vasthouden om ze leeg te zuigen.
Ook deze vlieg behoort tot een groep vliegen die merendeels rovend aan de kost komt. Dit is de akkerdisteldansvlieg (Empis livida), die een zeer lange zuigsnuit (proboscis) heeft om prooien leeg te zuigen. Deze soort wordt ook gezien op bloemen, vooral akkerdistel, en eet daar ook nectar en stuifmeel. Op deze foto is het dier met de voorpoten de kop aan het poetsen en is de zuigsnuit mooi zichtbaar.
Een andere wat kleinere dansvlieg is de gele dansvlieg (Empis lutea), die ik in juli 2009 in mijn tuin zag. Het is een fraai beestje dat ook rovend aan de kost komt. Ze zijn in mijn omgeving (Koudekerke, Zeeland) niet zo algemeen en worden merendeels in het rivierengebied en in Limburg waargenomen. Hier zijn nog enkele foto's van dit dier: foto 2, foto 3.
Op 23 april 2009 vlogen boven mijn tuinvijver een stuk of 10 dansvliegen (familie Empididae; geslacht Rhamphomyia). Ze vlogen in cirkels, laag boven het water en sommige tipten het oppervlak af en toe even aan. Vermoedelijk waren dat vrouwtjes die eitjes afzetten. Navraag leverde op dat het de dansvlieg Rhamphomyia crassirostris betrof. De correcte naam kreeg ik van vliegenexpert Paul Beuk. De volwassen dieren zijn net als de meeste andere dansvliegen predators van andere insecten die ze met hun zuigsnuit leegzuigen. Relatief weinig soorten leven ook van nectar en stuifmeel van bloemen. Van deze soort leven de larven kennelijk in het water. Dat is voor dansvliegen niet bijzonder, want van sommige is dat bekend; andere leven in de bovenste grondlagen. Deze larven eten dierlijk voedsel.
Dit exemplaar van deze soort was 8,6 mm lang. De vleugels steken uit buiten het achterlijf. Op deze dorsale foto op millimeterpapier is de afmeting goed te zien. Tevens is opvallend dat het dier in de vleugels een zeer langgerekt pterostigma heeft. Dat is de donkere vlek langs de voorrand van de vleugel. Ze hebben een relatief kleine kop. Bij deze close-up is de kop nog wat beter te zien, onder andere ook de 3 puntogen (ocelli) op de kruin en de puntig uitlopende 3e antenneleden. De soortnaam 'crassirostris' duidt op de vorm van de zuigsnuit (rostrum) die bij deze soort stevig en dik (crassus) is.
In droge zanderige gebieden kun je de zandroofvlieg Philonicus albiceps aantreffen. Ze houden van redelijk veel warmte en van kale stukken in het terrein, waaronder ook belopen paden. Deze vlieg is vrij groot (18 mm) en vangt merendeels vliegen als prooi, die ze met hun zuigsnuit leegzuigen. De eitjes worden afgezet in de grond en de larven leven tussen wortels en wortelstokken van grassoorten. De soortnaam 'albiceps' betekent hier: wit gezicht en dat is duidelijk te zien. De ruimte tussen de ogen is licht van kleur en de indruk van een wit kopaanzicht wordt versterkt door de witte beharing aan de voor- en zijkanten van de kop.
Een bekende en algemene grote roofvlieg is Machimus atricapillus. Deze vlieg is te vinden aan bosranden en in open plekken in het bos. Ze zitten dikwijls op een uitkijkpost om voorbijvliegende andere insecten (dikwijls vliegen) te grijpen en daarna op dezelfde plek leeg te zuigen. Ze hebben sterk bedoornde poten en die zijn nuttig bij het vangen van prooien. De vrouwtjes hebben een puntig uitlopend achterlijf, een soort legboortje, waarmee eitjes in de grond worden gedeponeerd. De larven van deze vlieg leven in de grond van andere insecten. Ze overwinteren als larve en verpoppen pas in de volgende zomer.
Leuke insecten, die vanaf half maart al actief zijn, zijn de wolzwevers. Ze hebben een relatief lange zuigsnuit, die niet kan worden ingetrokken. Daarmee zuigen ze nectar uit bloemen. Dit is de grote wolzwever (Bombylius major), die bij mij in de tuin op diverse bloemen vliegt, zelfs op maarts viooltje. Daarop zie je niet veel insecten. Hier is te zien hoe de vlieg voor het viooltje hangt met de lange snuit helemaal naar binnen gestoken om bij de nectar te komen. Voor de voortplanting parasiteren deze vliegen op diverse soorten solitaire bijen en wespen. Ze leggen de eitjes in de buurt van de gastheerbroedgangen. De larfjes hebben een sterke instinctmatige drift om zo snel mogelijk die gangen in te kruipen. Ze vreten daar de eitjes of larven van de gastheer op en groeien verder met het opgeslagen voedsel. Aan de bovenranden van de vleugels heeft deze soort donkere vlekken. Dit exemplaar zit te zonnen op een houtsnipperpad in mijn tuin en daarbij is de zuigsnuit zeer goed zichtbaar. Hier is nog een foto van een wolzwever foeragerend op longkruid. Aan de bovenranden van de vleugels heeft deze soort donkere vlekken.
Sommige soorten wolzwevers worden ook wel rouwzwevers genoemd. Ze hebben gedeeltelijk donkere vleugels. De wolzwever Villa modesta heeft heldere vleugels, doch de gehele voorrand is bruinachtig. Ze hebben een korte zuigsnuit, dus geheel anders dan de vorige soort. Ook zijn de geslachten duidelijk te herkenen door verschillen in tekening. De mannetjes hebben zilverwitte tegulaevlekken (vleugelschubben) en op de achterrand van het abdomen 2 spierwitte plukken haar. Het vrouwtje heeft die witte plekken niet, maar wel lichtgele. Ze heeft bovendien gele dwarsstrepen op het achterlijf, die het mannetje mist. Hier is de voorkant van de kop van een vrouwtje te zien. De larven van deze soort leven in rupsen van diverse vlinders. De volwassen dieren foerageren graag op schermbloemen, zoals pastinaak. Hier zijn nog wat extra foto's van dit fraaie insect: vrouwtje; vrouwtje; mannetje.
Steltvliegen zijn zo genoemd, omdat ze relatief zeer lange poten hebben. Ze hebben bovendien een zeer slank lijfje. Bij mij zitten ze begin juni in de moestuin meestal op tuinbonenplanten. Daar zaten ze niet voor niets, want het zijn vliegen die luizen eten. Ze zijn dus erg nuttig. Tuinbonen staan bekend om hun aantrekkelijkheid voor de zwarte bonenluis. Die zitten er dan ook ieder jaar op. Met het uitbreken van de toppen van de planten ben je de meeste kwijt. Ook lieveheersbeestjes en larven van bepaalde zweefvliegen eten bijna uitsluiten luizen en die kun je er dan ook dikwijls op aantreffen. Dit is een vrouwtje van de steltvlieg Micropeza corrigiolata, met haar extreem lange achterpoten.
Boorvliegen (Tephritidae) zijn te herkennen aan de gevlekte vleugels, die de meeste andere vliegen niet hebben. In Nederland komen ongeveer 80 verschillende soorten voor. Het zijn gemiddeld maar kleine vliegjes van zo'n 6 mm lengte. Ze zijn dikwijls gebonden aan een bepaald soort plant. Zelfs op de schorren is er deze zulteboorvlieg (Campiglossa plantaginis) actief, die zich op zeeaster voortplant. De vrouwtjes van de boorvliegen hebben een korte legboor en leggen hun eitjes in de waardplant of in de vruchten daarvan. Dat veroorzaakt bij die plant een gal waarin de larve zich ontwikkelt. Boorvliegen hebben meestal mooi gekleurde ogen: ogen 1; ogen 2; ogen 3.
Deze mooie boorvlieg is de klitboorvlieg (Terellia tussilaginis) die dikwijls op gewone klit te zien is. In mijn tuin foerageren ze ook wel eens op Eryngium planum. Er is nog een andere soort boorvlieg die zich ook op klit heeft gespecialiseerd en dat is de Temphritis bardanae.
Op de klitbladeren zag ik ook een andere boorvlieg ijverig stuifmeel eten, dat daarop gevallen was. Het is de Philophylla caesio die wat lijkt op de hierna volgende soort. De vlekkenpatronen op de vleugels zijn bij alle soorten verschillend, maar soms lijken de verschillen niet zo groot en is het flink opletten. Ook de Anomoia purmunda zit graag op die grote bladeren. Het is een soort die op het eerste gezicht wat op de Philophylla caesio lijkt. De vleugeltekening is toch iets anders van vorm.
Op klitplanten, maar ook op andere planten met flinke bladeren zag ik ook een andere boorvlieg ijverig stuifmeel eten, dat daarop gevallen was. Het is de Euleia heraclei (Ned.: selderijvlieg). Deze fraaie boorvlieg zal de selderijplant dus waarschijnlijk als waardplant voor de eitjes en larfjes gebruiken. Ik zie ze wel regelmatig in de tuin vanaf het voorjaar. Net als de meeste boorvliegen heeft deze soort ook prachtige ogen. Met een kleine legboor deponeren ze de eitjes in bladeren of stengels van planten. Op deze foto is de legboor van deze vlieg te zien.
Boorvliegen zijn sterk aan bepaalde planten gebonden. De heggenrankboorvlieg (Goniglossum wiedemanni) vind je dus alleen op heggenrank. Ze zitten meestal op de bloemen waar ze nectar en stuifmeel eten. Heggenrank is tweehuizig en dat is voor deze vliegjes van belang, want de eitjes worden afgezet op de vruchtjes. Die zitten uiteraard alleen aan de vrouwelijke planten. Ze boren er een gaatje in om een eitje te leggen en die actie doet op het vruchtje een gal ontstaan, waarin de larve van de boorvlieg leeft en groeit. De Engelse benaming voor een boorvlieg (Gall fly) wijst op deze gallen. In mijn tuin laat ik heggenrank een beetje woekeren op bepaalde plaatsen. Het is een plant die aantrekkelijk is voor veel soorten insecten. Ik zag er naast deze vliegjes ook honingbijen, enkele Andrena's waaronder de heggenrankbij, Lasioglossum-bijen en andere kleinere bijen, enkele wespen en diverse andere vliegen op foerageren.
Dat de vliegjes van plan waren om zich er ook voort te planten bleek uit de aanwezigheid van enkele parende stellen; hier een paar gezien vanaf de bovenkant. Ze zijn niet zo groot (5 mm) maar zeer fraai getekend en gekleurd, ook weer met prachtige ogen. Soms zijn ze in de paringsdrift wat onoplettend en vallen ze ten prooi aan een zebraspinnetje.
De meidoornboorvlieg (Anomoia purmunda) is algemeen in tuinen aanwezig. Ze zijn echter maar klein en vallen niet op. De eitjes worden gelegd in de vruchtjes van meidoorns, diverse bessen en cotoneasters. Als ze op bloemen foerageren wenken ze steeds met de vleugels. Hier is nog een detail van de kop van deze soort.
Deze borstelbekboorvlieg is nog maar sedert omstreeks 2000 bekend in Nederland. Het is een soort waarvan weinig bekend is. Ik zag deze vlieg op kamperfoelie (Lonicera) in mijn tuin in april 2011. Deze plant wordt genoemd als mogelijke waardplant van deze boorvlieg. De mannetjes zijn zeer opvallend en hebben zeer lange vooruitstekende haarborstels op de mondrand. Bij het vrouwtje zijn deze wel aanwezig maar veel korter en op bijgaande foto niet te zien. Helaas heb ik maar 1 foto van dit dier en kijk ik uit naar een volgend exemplaar en dan liefst een mannetje om de borstelbek in close-up te kunnen tonen.
Een zeer algemene boorvlieg is de akkerdistelboorvlieg (Xyphosia miliaria), die in de buurt van akkerdistels te zien is. Dat is de waardplant voor de larven. De vrouwtjes bezitten een legboor die gebruikt wordt om de eitjes in de bloemhoofdjes van de plant te deponeren. Daar vormen ze een gal, waarin de larve zich bevindt. Ze zijn overigens ook aangetroffen op diverse andere distelsoorten, zoals wollige distel, speerdistel, kale jonker en nog enkele andere. Van dit vrouwtje zijn hier nog enkele extra foto's: foto 2, foto 3.
Een mannetje van deze soort heeft uiteraard geen legboor en heeft dus een iets anders gevormd achterlijf.
Van veel vliegenfamilies is meer bekend dan van andere. De Pallopteridae betreft zo'n familie, waarvan niet zo veel bekend is. Dat kan komen door de schaarsheid van de insecten of de verborgen levenswijze. Mogelijk zijn beide argumenten van toepassing. De dieren hebben een geringe grootte, net zoiets als boorvliegjes en daar lijken ze ook wat op. De meeste soorten hebben ook gevlekte vleugels en mooi gekleurde ogen. De larven van sommige soorten predateren op larven van schorskevers en boktorren; andere leven op en in plantenstengels, maar of die fytofaag (plantenetend) zijn of ook carnivoor (dieren etend) is tot op heden onbekend.
Deze Palloptera muliebris wordt reglematig binnenshuis aangetroffen, zo ook met mijn exemplaar. Wat het beestje in mijn huis te zoeken had weet ik niet, maar ze willen na verloop van tijd weer naar buiten en dan vind je ze tegen het vensterglas. Het is een fraai beestje met een opvallend donkere omlijsting van de vleugels. Ze lopen dikwijls met de vleugels zeer breed gespreid.
Een vliegenfamilie, waarin ook geslachten voorkomen met gevlekte vleugels, betreft de Lauxaniidae (12 geslachten). De vlieg van de foto is de Meiosimyza decempunctata (vertaald dus: met 10 vlekken) en zat bij mij op een vensterbank. Het beestje is ongeveer 8 mm lang. Van het genus Meiosimyza komen in Nederland 8 soorten voor. De larven van dit soort vliegen schijnen te leven in vochte beschaduwde plekken, bossen e.d. en ze leven dan van micro-organismen in paddenstoelen, schimmels in de bovenste bodemlaag en rottend plantenmateriaal. Andere leven in vogelnesten of als bladmineerder.
Een vliegje dat qua kleur wel op de vorige lijkt is de wortelvlieg (Psila fimetaria). Dat is dan ook alles, want het dier is van een andere familie, de Psilidae. Ze hebben ook geen gevlekte vleugels. Ik kwam het beestje tegen, zonnend op een blad van look-zonder-Look in een binnenduinbos (Valkenisse) bij mij in de buurt. Het is waarschijnlijk een mannetje.
De wortelvliegen worden als schadelijk gezien voor wortelgewassen. Ze leggen hun eitjes op de wortelhals van de plant en de maden (larven) vreten gangen in de wortel, die daardoor niet meer verkoopbaar is. De larven verpoppen in de grond op een diepte van 10 - 15 cm. In Nederland zijn er 3 generaties per jaar. Ze zijn dus het gehele groeiseizoen van de wortels een lastige vlieg. De vliegen zelf (imago) worden slechts enkele weken oud. De poppen van de laatste generatie overwinteren en komen pas in het voorjaar uit.
Veel huisvliegen en andere soorten zijn in de herfst niet veilig voor de parasitaire schimmel Entomophthora muscae. De sporen van die schimmel zijn kleverig en de vlieg moet door poetsen de buitenkant van zijn lijf schoonhouden. Je ziet vliegen dat ook vaak doen: met de poten ontdoen ze het lijf en de vleugels van allerlei stof en andere ongerechtigheid. De sporen van de schimmel zijn echter zeer klein en groeien snel. Een overgebleven spore vormt een schimmeldraad (hyfe) en die weet zich dan een weg te banen langs het chitinepantser. Daarin zitten veel delen die redelijk gemakkelijk toegang tot het lijf van de vlieg bieden, bijvoorbeeld via de scheidingen van achterlijfsegmenten (tergieten en sternieten). Zodra de schimmel zich heeft genesteld in de vlieg vermenigvuldigt deze zich in het vliegenbloed (hemolymfe). Uiteindelijk tast de schimmel ook de hersenen van het insect aan en de vlieg gaat zich dan vreemd gedragen. Ze willen meestal wat omhoog lopen. Ze proberen zich met de zuigsnuit (proboscis) op de ondergrond vast te zuigen, maar dat helpt ze niet en na wat stuiptrekkingen gaan ze daar uiteindelijk dood en blijven daar hangen. De dode vliegen hebben dikwijls een houding met gespreide vleugels, die op het eerste gezicht aan een nog levende vlieg doet denken. Na verloop van enige tijd zijn er dan witachtige banden van sporendragende hyfen op het achterlijf te zien. Die hyfen hebben zich uit het dode lichaam van de vlieg naar buiten gewerkt. De rijpe sporen worden krachtig weggestoten en zullen zo weer nieuwe slachtoffers vinden.
De vlieg van de foto is vermoedelijk een vleesvliegsoort (Calliphoridae) van het genus Pollenia en ik vond deze in mijn tuin.
Ook binnenshuis kan deze schimmel optreden en dan met name bij de kamervlieg (Musca domestica). Die zal soms het licht opzoeken en tegen de binnenkant van een raam omhoog lopen. Daar plakt ze zich vast en kun je de schimmelsporen op het raam vinden rondom de vlieg. Alles uiteraard alleen als de ramen niet te dikwijls worden schoongemaakt.
Muggen
De muskieten en muggen hebben niet zo'n goede naam. We kennen ze immers vooral van het steken en de muggenbulten na afloop. Toch zijn het niet allemaal stekers. Deze mug is vooral in de winter te zien. Bij rustig weer en wat zon zie je de manntejes soms met vele tientallen tegelijk paarzwermen vormen. Dit is de de zogenaamde wintermug, maar die naam wordt gegeven aan een groep soortgelijke muggen. Dit is het vrouwtje van de Trichocera annulata, die een mooi geel-zwart gebandeerd achtelijfje heeft. Veel van deze soorten worden mede gedetermineerd op de vleugelbeadering. De vleugels zijn aanzienlijk langer dan het achterlijf. Een zeer algemene familiegenoot is de Trichocera relegationis, die echter wat minder kleurig is. Deze muggen hebben wel een zuigsnuit (proboscis), maar gebruiken die voor ander voedsel dan bloed. De larven leven niet in water maar in rottend bodemmateriaal. De bekende muggenlarven in stilstaand water zijn meestal van de algemene steekmug Aedes punctor, die een stevige lange steeksnuit hebben om bloed mee op te zuigen.
Mannetjesmuggen hebben dikwijls sterk geveerde antennen. Daarmee kunnen ze zeer goed ruiken. Hier is een mannetje te zien van de Chironomus plumosus op bloeiende peterselie, doch deze soort gebruikt als volwassen insect nauwelijks voedsel. De soort behoort tot de zogenaamde 'dansmuggen', waarvan de rode larven in water leven. Opvallend bij deze mug is dat de vleugels het achterlijf slechts voor een deel bedekken.
Dit kleine mugje lag dood binnen op mijn vensterbank. Het is slechts 5 mm lang. Het heeft ook geveerde antennen en ongeveer dezelfde vleugeladers. Daarom denk ik dat het ook een mannetje van een Chironomus-soort is.
Omstreeks eind april-begin mei is er dikwijls een explosie van de zwarte vlieg (Bibio marci). Bij het vliegen laten ze de vrij lange achterpoten hangen en zijn daarmee direct herkenbaar. Ze behoren tot de zg. rouwvliegen, die zijn ingedeeld bij de muggen. De korte antennen staan onder de ogen ingeplant. Zoals bij veel insecten zijn de ogen van de mannetjes groter en deze staan tegen elkaar aan. Bij de vrouwtjes staan deze gescheiden van elkaar. Aan de voorschenen hebben ze een opvallend dikke scherpe spoor. De vlieg van dit plaatje lag in mijn glazen regenmeter en zweefde onder water. Ik vond het wel een bijzonder plaatje, waarop bepaalde kenmerken goed zijn te zien. In de korte tijd dat ze er zijn kun je ze ook dikwijls parend aantreffen. De larven leven in de grond in rottend plantaardig materiaal. Hier is nog een ander paartje.
Ze heten ook wel maartse vlieg, naar de naam 'marci'. Die naam slaat echter niet op de maand maart, maar op de heilige Sint Marcus, wiens dag gevierd wordt op 25 april. Omstreeks die datum verschijnen de vliegen meestal.
Een andere rouwvlieg, die meestal ook vrij massaal optreedt is de Dilophus febrilis (Ned.: koortsvlieg), die veel kleiner is dan de vorige (4 - 8 mm). Dit exemplaar zat in september op een ruit van mijn woonhuis. Evenals de andere is dit ook een vrouwtje. Het is gefotografeerd vanaf de binnenkant, door de ruit dus, zodat de onderkant te zien is.
De larven van deze soort leven in de grond en vreten aan wortels, vooral van grassen. Ze gedragen zich als een soort kleine emelten (larven van langpootmuggen) en zien er ook zo uit, maar dan veel kleiner. Ze kunnen behoorlijk schadelijk zijn.
De langpootmuggen leven in het larvestadium in de grond. Als het er veel zijn kunnen ze voor tuinliefhebbers een plaag zijn. Dit is het vrouwtje van de Nephrotoma appendiculata. Dat het een vrouwtje is, is te zien aan het eind van het achterlijf. Dat eind is erg puntig en dat is dus een soort korte legboor om eitjes af te zetten. De volwassen dieren gebruiken weinig voedsel, hooguit wat nectar. De larven leven van afval in de grond. Het is een mooi getekend dier, ook het achterlijf dat hier schuil gaat onder de vleugels in ruststand. De lange poten breken bij aanraking, zeker bij vastgrijpen, gemakkelijk af. De mannetjes zijn veel kleiner dan de vrouwtjes. Zoals bij veel mannelijke insecten zijn ook bij deze soort de antennen van de mannetjes groter dan die van de vrouwtjes. Hier zijn de dieren parend te zien, waardoor het verschil goed zichtbaar is. De poten van de mannetjes lijken relatief nog langer te zijn dan die van de vrouwtjes. Let eens op de zg. haltertjes, die bij het mannetje zeer fraai te zien zijn.
Op de buitenmuren en ramen van mijn huis zitten veel langpootmuggen van de Tipula familie, vooral in het najaar. Deze langpootmug is waarschijnlijk de zeer algemene Tipula oleracea (Tipola, subgenus tipola), de enige voorjaarssoort, die echter ook later in het jaar te zien is. Deze soort heeft antennen bestaand uit 13 segmenten, hier in een close-up te zien. De segmenten 3 t/m 13 zijn samen de zogenaamde flagel (11 flagellomeren). De verwante soort T. palludosa heeft 14 leedjes en heeft dus 12 flagellomeren. Ze lijken erg veel op elkaar en zijn in het veld moeilijk te onderscheiden. De vrouwtjes hebben een puntig achterlijf. Ze leggen eitjes waaruit de bekende emelten komen, die aan de wortelhalzen van planten vreten en zeer schadelijk kunnen zijn. Voor veel vogels, bijvoorbeeld spreeuwen en kauwen zijn emelten overigens belangrijke voedselbronnen in de broedtijd. Sommige eten nauwelijks iets anders. Op deze foto is de achterkant van een emelt te zien en die is best bijzonder, want het lijkt de kop, maar is het dus niet. Hier zijn 2 tracheale openingen (adembuizen, stigma's) te zien met er omheen wat uitsteeksels. Hier is er een uitvergroting van.
De mug van deze foto had groene ogen (waarvan er slechts één te zien is) doch ook donkerbruine ogen komen voor, zowel bij mannetjes als vrouwtjes. Mogelijk is de reflectie van het licht op de facetten van de ogen ook een factor. In close-ups van de ogen zijn allerlei kleuren te zien. Het exemplaar van de foto zat aan de buitenkant van een venster en is van binnenuit gefotografeerd. De onderkant is dus te zien. De spikkels op de foto zijn het vuil op de ruit.
Hier is nog een close-up van een andere grote langpootmug, zeer waarschijnlijk een exemplaar van het Tipula subgenus pterelachisus, waarbij de ingewikkelde structuren van kop en snuit te zien zijn. Met dank aan de expert dr. Pjotr Oosterbroek voor commentaar en nadere informatie. Deze foto laat de mooie vleugelstructuur zien van een Pterelachisus-soort, waarvan dit een groot exemplaar (23 mm) is van april 2008. In april 2009 maakte ik deze close-up van de kop en deze dorsale foto van de vleugels.
De langpootmug Dictenidia bimaculata heeft in iedere vleugel 2 donkere vlekken. Daar heeft het dier zijn soortnaam (bimaculata) aan te danken. De vrouwtjes hebben heel andere antennen dan de mannetjes. Opvallend bij de antennen van de vrouwtjes is dat de leedjes naar boven toe steeds korter worden, maar wel bijna overal even breed zijn. Bij de mannetjes zijn er per segment van de antennen 2 uitsteeksels om het oppervlak te vergroten, zodat de waarneming van geuren via de antennen optimaal is. Hier zijn de antennen van een mannetje van deze langpootmug nog eens te zien vanaf de bovenkant. Het is een prachtige indrukwekkende verschijning, maar hij heeft wel wat minder kleur op het lijf dan het vrouwtje. Als je ze parend tegenkomt is het verschil tussen man en vrouw goed te zien.
Motmuggen zijn kleine insecten (3 mm) die behoren tot de Psychodidae. Dat is een aparte familie onder de vliegachtigen (Diptera). De motmuggen leggen hun eitjes in vervuild water. Binnenhuis zijn ze soms aanwezig als er toegang tot riolen is. In moderne huizen met stankafsluiters op waterafvoeren hebben ze minder kansen. De volwassen mugjes hebben afgerondere vleugels met wat haren en soms schubben erop. De cyclus van ei toto volwassen mug duurt erg kort: maximaal 3 weken. Schadelijk zijn ze niet.
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven