Een ander mooi huisvliegje is de Morellia aenescens. Ze foerageren bij mij in de tuin graag op Eryngium-bloemen. Ze vallen op door het metallic glimmend achterlijf.
Veel van de tot de Huisvliegen (muscidae) behorende soorten kunnen we vinden op bloemen, waarop ze foerageren. Ze planten zich voort in rottend materiaal en mest. Er zijn veel soorten en ze zijn moeilijk determineerbaar. Deze Bloemvlieg is waarschijnlijk de Hylemyza partita. Er zijn echter soorten van dit genus die er sterk op lijken. Deze vlieg is maar klein en zit op madeliefje.
De huisvliegen zijn in soorten vrij talrijk. Ik tref ze dikwijls aan in de buurt van mijn huis of in de tuin. Deze Musca autumnalis-vliegen doen hun best om te zorgen voor nageslacht. Ze zitten op de leuning van een tuinstoel.
In de buurt van woningen komt ook de huisvlieg Muscina stabulans veelvuldig voor. Dit is een vrouwtje. De ogen staan iets wijder uit elkaar dan bij een mannetje. Het is in detail een mooi vliegje: leuke kleuren en fraaie haarborstels. Het dier wordt ook wel stalvlieg genoemd. Ze komen voor in grote delen van de wereld. De larven leven in kadavers en organisch afval. Hier zijn nog wat aanvullende foto's, waaronder een deatail van de kop: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5.
De meest bekende huisvlieg is de gewone huisvlieg (Musca domestica). Het is een soort die qua kleur veel lijkt op Musca autumnalis, maar iets slanker is. Ze zijn wereldwijd verspreid en komen veel voor in de omgeving van woningen, zeker als er ook wat mest en ander organisch afval aanwezig is. Het is een soort die ook graag binnenshuis vertoeft. Ze hangen dan aan lanpen en andere wat hogere objecten en poepen daar ook op. Dat wordt meestal niet zo gewaardeerd. Het is een soort die binnen niet sterk naar het licht vliegt. Ze hebben geen behoefte om naar buiten te vertrekken. Ze zijn ook te herkennen aan het vlieggedrag: ze vliegen met hoekige wendingen in driehoekjes. Het is de soort waarvoor men vroeger ook wel plakstrips in de woning ophing om ze te vangen. Het was niet zo'n smakelijk zicht met al die aangeplakte vliegenlijkjes. Hier zijn nog wat aanvullende foto's, waaronder een deatail van de kop: foto 2, foto 3
Een grote vlieg, die ook tot de huisvliegen behoort is de Schorsvlieg (Mesembrina meridiana). Die zag ik echter nooit in mijn buurt. Ik kwam deze vlieg tegen in het natuurgebied Braakman-Noord te Terneuzen. Het is een mannetje. Deze vliegen hebben oranje kleuren op de vleugels en de voorkant van de kop en vallen daarmee wel wat op.
De Vleesvliegen (Calliphoridae), zijn talrijk in soorten. Het zijn meestal wat grotere vliegen, die voedsel op planten zuigen en zich voortplanten op dood dierlijk materiaal, waarin en waarvan de larven leven. Ze hebben een waaier van haarborstels bij de halters en lijken daardoor een beetje op sluipviegen. Het postscutellum van de sluipvliegen ontbreekt merendeels bij de vleesvliegen en dat onderscheidt ze dus ook.
De Blauwe vleesvlieg (Calliphora vomitoria) is een zeer algemeen insect, dat zijn eitjes graag legt op vis of vlees. De maden leven dan van dit voedsel en er blijft weinig meer van over dan de graten of botten. De vliegen zitten graag op muren om te zonnen. Dit exemplaar zit op een klimopblad van een haag in mijn tuin.
De Roodwangbromvlieg (Calliphora vicina) lijkt heel veel op de Blauwe vleesvlieg, maar heeft in plaats van donkergrijze wangen zalmkleurige wangen. De kleur van het borststuk is wat meer grijsachtig dan blauwzwart. Het zijn mooie vliegen en even algemeen als genoemde soortgenoot. Ze hebben dezelfde levenswijze.
Een zeer forse vlieg die wat op de Roodwangbromvlieg lijkt, is de Lijkenvlieg (Cynomya mortuorum). De kop is echter duidelijk anders gekleurd. Niet alleen de wangen (gena) zijn oranjegeel, maar ook het gehele gebied tussen de wangen en de kruin. De inplant van de antennen is meer roodachtig. Het achterlijf is fraai blauwgroen.
De soortnaam (mortuorum) doet vermoeden dat deze vlieg op kadavers te vinden zal zijn om de eitjes af te zetten. Ze zijn veel minder talrijk dan de eerder genoemde soorten vleesvliegen. Hier zijn nog enkele foto's van deze mooie vlieg: foto 2, foto 3.
Er is ook een Groene vleesvlieg (Lucilia caesar), die ook zeer algemeen is, maar er zijn sterk gelijkende soorten die ook algemeen zijn, zoals L. sericata. Opvallend zijn bij deze vliegen de mooie ogen en de metaalachtige kleuren. De Groene vleesvlieg varieert in kleur van groen, goudkleurig tot blauwgroen-achtig. Oude exemplaren van de Groene vleesvlieg zijn prachtig roodkoperkleurig. Deze vliegen leggen hun eitjes op kadavers van allerlei dieren. Deze dode huismuis wordt geheel opgevreten door de vliegenlarven. Het is niet zo'n smakelijk gezicht, maar zo zorgt de natuur zelf voor opruiming.
Andere groene vliegen die op het eerste gezicht wat lijken op Lucilia zijn de vliegen van het genus Bellardia. Hier is een dergelijke vlieg te zien in het voorjaar op appelbloesem.
Een verwante soort (Muscidae, huisvliegen) is de Dasyphora cyanella. Deze vlieg is te herkennen aan de afwijkende vleugelbeadering (4e lengte-ader heeft geen scherpe, maar een geleidelijke bocht). De jonge vlieg is eerst groen en verkleurt bij het ouder worden ook naar koperkleurig.
Deze parende vliegen (Pollenia sp.) behoren ook tot de vleesvliegen. Dat het vleesvliegen van dit genus zijn is onder andere te zien aan de vorm van de vlieg en de golvende (oranje) beharing op de zijkanten van de thorax. De naam is niet gemakkelijk vast te stellen door de vele gelijkende soorten.
Al deze vliegen zijn in de buurt van bijna iedere woning te vinden. Een mooie Pollenia-soort is de Pollenia rudis. Een mannetje van die soort zit hier op een bezemsteel naast mijn keukendeur.
Een algemene vlieg in de buurt van huizen is ook deze Dambordvlieg (Sarcophaga carnaria). Ze planten zich voort op aas en behoren evenals de vorige soort tot de vleesvliegen. Op het achterlijf hebben ze een zwart-witte tekening. Opvallend zijn de bruinrode ogen en de grote voetjes. Hier zijn ze parend te zien. Een bijzonderheid is dat de vrouwtjes geen eitjes leggen, maar larven baren. Hier is de achterkant van de vlieg met de dambordtekening wat beter te zien. Of dit echter allemaal dezelfde soort Dambordvliegen betreft is twijfelachtig. Er zijn enkele tientallen soorten die sterk op elkaar lijken.
Eerst dacht ik met een sluipvlieg te maken te hebben, maar die parasiteren niet op wespen en bijen. Deze zit op een nestblok voor solitaire bijen en wespen en zoekt er naar broed om haar eitje te leggen. Het is de in/uitgang van een nestpijpje.
In Nederland komt van dit geslacht maar 1 soort voor: Amobia signata. Dit is een vrouwtje en zekerheid voor determinatie geeft alleen het mannetje (genitaliën). Determinatie geschiedde op foto door Theo Zeegers. Wel zeker is, dat het een Amobia is. Het geslacht Amobia is een onderdeel van de familie der Dambordvliegen (Sarcophagidae) waarvan er enige tientallen soorten zijn binnen diverse geslachten, waartoe ook de eerder genoemde Calliphoridae behoren.
Volgens Theo Zeegers is deze waarneming bij de gastheerinsecten bijzonder, omdat deze vlieg niet dikwijls wordt gezien en dus bepaald niet algemeen is. Het succes van aangeboden nestmateriaal (holle stengels van kaardenbol) geldt dus niet alleen voor de diverse solitaire wespen en bijen die er gebruik van maken, maar ook voor diverse broedparasieten. Ook in jaren na 2007 zag ik deze vlieg bij de nestholtes van de bijen.
Veel solitaire bijen worden geparasiteerd door koekoeksbijen en sluipwespen; sommige ook door vliegen, zoals de eerder vermelde Amobia signata. Van metselbijen als Osmia rufa en O. cornuta zijn geen koekoeksbijen bekend. Ze hebben wel kans nog geparasiteerd te worden door kleine sluipwespjes (bronswespen) en vliegen. Het parasiteren door koekoeksinsecten, waarbij de parasiet haar eitjes legt in de voedselcel van de gastheer, noemt men ook wel een cleptoparasiet. Ze gebruiken dus het verzamelde voedsel dat voor de gastheerlarve bestemd was.
De fruitvlieg (genus Drosophilidae) Cacoxenus indagator parasiteert bij mij in de tuin op de nesten van Osmia rufa. De vliegjes zijn voor een fruitvlieg vrij groot met een lengte van 4,3 mm. Van deze vliegjes zag ik er minstens 3 tegelijk, dus ze zijn vrij talrijk. De Osmia's zijn dat ook, met minstens 10 nestelende vrouwtjes. De vliegjes zoeken de nestelplaatsen af tot de broedcel van de metselbij voldoende gevuld is met stuifmeel en nog niet afgesloten is. Dan leggen ze er snel enkele eitjes in en de larve van de bij vist achter het net en heeft dus geen voedsel meer, want het is dan al opgegeten door de vliegenlarven die dat snel doen. Op deze plaatjes is de vlieg te zien op de nestelplekken: foto 2, foto 3. Dat ze de cellen bezoeken is goed te zien aan de stuifmeelresten op het lichaam, die niet afkomstig zijn van bloembezoek: foto 4.
Dazen behoren tot de paardevliegen en de wijfjes van deze vliegen hebben scherpe monddelen, waarmee ze bloed kunnen zuigen. Het bloed hebben ze nodig als voedsel voor de aanmaak van eitjes. Dit is een zeer algemene soort, die je dikwijls zonnend ziet op door de zon opgewarmde plekken, zoals muren en boomstammen, maar ook op bijvoorbeeld auto's kun je ze aantreffen. Dit is de Grijze runderdaas (Tabanus autumnalis), die ongeveer 20 mm lang is. De larven zitten vooral in vochtige grond of modder. Deze soort zuigt bloed bij koeien en paarden, maar er zijn ook beten bij mensen bekend. Paarden kunnen er zeer onrustig van worden, want het zijn venijnige beten met nadien bultvorming en jeuk. Op nevenstaande foto zijn de 2 lichtkleurige naar beneden gebogen monddelen de messcherpe instrumenten die ze nodig heeft bij het bloedzuigen. Eerst prikt ze het slachtoffer aan en daarna zuigt ze het bloed op. Achter de 'messen' is de donkerkleurige tong te zien. Daarboven, nog tussen de ogen, staan de korte puntige antennen, die ze nodig hebben om geuren waar te nemen. Zo kunnen ze elkaar (mannetje en vrouwtje) en de slachtoffers gemakkelijk vinden.
De Grijze runderdaas heeft evenals veel soortgenoten driehoekige lichte vlekken op het achterlijf, zoals bij dit vrouwtje goed te zien is. Ook het mannetje heeft deze tekening. Het zijn indrukwekkend dieren. Hier is nog een foto, waarop een vrouwtje te zien is, dat zit op de bloem van heelblaadje. Het mannetje mist de snijdende monddelen en bij hem staan de ogen tegen elkaar aan; bij het vrouwtje is er een kleine ruimte tussen de facetogen. Opmerkelijk is dat het midden-bovendeel van het oog van een mannetje veel grotere facetten heeft dan de rest van het oog.
Een kleine daas die erg hinderlijk kan zijn is de Regendaas (Haematopota pluvialis). De dieren kunnen met vele tientallen tegelijk een zoogdier (ook de mens) aanvallen. Ze gaan op de huid zitten met de bedoeling (vrouwtjes) om bloed te zuigen als voedsel voor de aanmaak van eitjes. Ze doen dat razend snel en je voelt ze pas als ze geniepig in de huid prikken. Je komt ze tegen in veel natuurgebieden tegen omstreeks juni - augustus en dan is het daar niet echt leuk meer. Kleding met lange mouwen en lange broek is gewenst, ook om teken minder kansen te geven. Na de beet van een daas onstaat een vervelende bult die nog enkele dagen jeuk geeft, ook als het dier maar heel kort heeft gestoken. Hier zit een vrouwtje Regendaas op mijn arm. Het zijn bij vergroting mooie vliegen met een kleurig oog, prachtig gevlekte vleugels, vrij stevige puntige antennen, een grote grijze tong en messcherpe lichtkleurige monddelen. De tekening in de ogen is bij alle exemplaren iets verschillend. Hier is nog een ander vrouwtje te zien.
Een andere kleine daas, die net zo vervelend is als de vorige is de Goudoogdaas (Chrysops relictus). Omstreeks eind juli-begin augustus zijn het vliegen die de bezoeker van natuurterreinen het leven zuur maken. Deze soort is ook maar klein en de ogen zijn heel bijzonder, zoals bijna alle dazen die hebben: opvallend kleurig. De vleugels van de Goudoogdaas hebben iets donkerder vlekken dan de Regendaas. De larven leven in vochtig rottend plantenmateriaal van andere insectenlarven die daar ook leven. De volwassen insecten foerageren ook wel op schermbloemen als pastinaak en wilde peen. Ik kwam op zo'n bloem ook een mannetje tegen. De ogen van mannetjes raken elkaar en de dieren zijn geheel onschuldig. Alleen de vrouwtjes hebben bloed nodig van grotere zoogdieren om eitjes aan te maken en daarom steken ze. Dit vrouwtje heeft mijn hand uitgekozen om bloed te zuigen. Dat heeft overigens niet zo lang geduurd. Het was een van de vele die het probeerde. Ze kunnen in augustsus zeer hinderlijk zijn bij massaal optreden.
Aan de rand van mijn vijver is een klein moerasje. In de buurt daarvan trof ik deze mooie kleine wapenvlieg. aan. Het vliegje meet ongeveer 6 mm en heet Oxycera trilineata naar de 3 zwarte strepen op het borststuk. De larven leven graag in met water doordrenkte grond of nat mos. Misschien is het vliegje dus afkomstig uit mijn eigen tuin. Ze schijnen niet zeldzaam te zijn, maar ik zie ze uiterst zelden. In de buurt van mijn vijver en later ook elders in de tuin zie ik frequenter een ander wapenvliegje, waarvan de larven in het water leven. Dat is de Oplodontha viridula, die grijsgroen met zwart is en op bloemen foerageert. Volgens sommigen heten ze 'wapenvliegen' vanwege de mooie kleurrijke tekening, die doet denken aan wapenschilden. Anderen zeggen dat de bij veel wapenvliegen voorkomende stekels op het scutellum de aanleiding tot de naam zijn. Niet alle wapenvliegen hebben echter deze stekels. Een algemeen kenmerk van de wapenvliegen is de kleine ingesloten discale cel in de vleugels. Bij de hierna volgende soorten is dat goed zichtbaar.
Een zeer algemeen klein wapenvliegje (zonder stekels op het schildje) is de Chloromyia formosa. Opvallend is de sterke beharing van de ogen en andere lichaamsdelen. Bij de vrouwtjes is dat wat minder. Ook de kleur van mannetjes en vrouwtjes is verschillend. De mannetjes hebben een goudkleurig achterlijf. Bij de vrouwtjes is dat metaalblauw. Het borststuk is bij beide groenachtig gekleurd. Bij mij bezoeken ze graag bloeiende perterselie. Daar zijn ze overigens niet alleen, want ook veel andere vliegen, kevers, wantsen en solitaire bijen zijn er te vinden op de bloemschermen. Elders zag ik ze op dille, ook een schermbloem. Van deze soort leven de larven in bladstrooisel en vochtige grond. Hier is nog een mannetje te zien vanaf de zijkant, zodat de grote tong ook zichtbaar is, waarmee hij foerageert.
In de loop van de jaren zie ik steeds meer soorten wapenvliegen in mijn tuin. In 2007 zag ik voor het eerst enkele exemplaren van deze soort (10 mm): Odontomyia tigrina. Ze zijn op het eerste gezicht niet zo spectaculair, maar toch zijn het wel aardige vliegjes. De onderkant van zowel vrouwtje als mannetje is licht geelgroen. De haltertjes zijn ook groen. Ze hebben de typische vorm van een wapenvlieg met het brede eind van het achterlijf en de gesloten kleine discale cel in het midden van de vleugels, zoals op dit bovenaanzicht van het vrouwtje te zien is.
In de vijver trof ik in september 2005 een larve van een veel grotere wapenvlieg aan. Het dier is ongeveer 40 mm lang, heeft geen poten, 10 geledingen van chitine-achtig materiaal, niet rond maar afgeplat en een staartje (adembuis) met een kort pluimpje. De snuit is klein en heeft geen direct zichtbare kaken. Het dier eet algen en ander plantaardig materiaal. De onderkant is ongeveer gelijk aan de bovenkant maar iets donkerder. Het zou de larve kunnen zijn van een Stratiomys of Odontomyia. Deze larve is waarschijnlijk van de Langspriet wapenvlieg (Stratiomys longicornis) kunnen zijn. Op 8 mei 2006 vond ik daarvan 2 exemplaren, die net waren uitgekomen. Ze zaten op het blad van sedumplanten die in een droge schuine kant bij mijn vijver staan. Het aardige is dat het een mannetje en een vrouwtje waren. Het vrouwtje is 16 mm lang; het mannetje een paar mm korter. Opvallend zijn de lange sprieten en de dikke beharing. Voor wapenvliegen is dat bijzonder, want de meeste soorten hebben weinig haren. Ook op de kop zitten er veel haren, zoals hier te zien is bij het vrouwtje. Wapenvliegen hebben dikwijls een kleurige, contrastrijke tekening op de thorax en het achterlijf, maar die tekening is bij deze wapenvlieg niet opvallend. Ruim een week later zag ik opnieuw een pas uitgekomen vrouwtje, waarvan het achterlijf iets beter zichtbaar is.
Een andere grote wapenvlieg is de Noordelijke Kameleonwapenvlieg (Stratiomys singularior), die begin juli 2006 bij mij in de moestuin dikwijls op bloeiende peterselie te zien was. Beide geslachten waren aanwezig. Ze hebben vermoedelijk eenzelfde soort levenwijze als de S. longicornis. Deze soort is echter wat fraaier van tekening. De mooie zwart-wit vlakken op het achterlijf maken het een opvallend dier. Dit is een vrouwtje, te herkennen aan de wijdere stand van de ogen. Dit vrouwtje was bezig op het bloemblad van een gele lelie om het daarop gevallen stuifmeel op te likken met haar grote tong. Het zijn vrij grote dieren, waarvan de mannetjes iets kleiner zijn dan de vrouwtjes (24 mm). Om de verhoudingen met andere insecten weer te geven, is hier nog een plaatje van een vrouwtje dat wordt geflankeerd door enkele spektorren. Die vallen geheel in het niet bij de wapenvlieg.
Een klein mooi wapenvliegje is de Nemotelus pantherinus (5-6 mm), waarvan nevenstaand het mannetje te zien is. Het beestje foerageerde ook op bloeiende peterselie en daarbij is de vrij lange zuigsnuit goed te zien. De mannetjes zijn aan de onderzijde van het achterlijf ook wit. Op de bovenzijde hebben ze enkele zwarte vlekken. Bij de vrouwtjes is de onderkant van het achterlijf bijna geheel zwart. Opvallend bij deze soort zijn de prachtige witte haltertjes die op deze vergrote foto goed zichtbaar zijn.
Sommige vliegen zijn schitterend van kleur, zoals veel wapenvliegen. Er zijn echter nog andere soorten die er niet veel voor onder doen. Dit is de sluipvlieg Eriothrix rufomaculata, die in mijn tuin op een muntsoort zat, maar ook op andere bloemen foerageert. Sluipvliegen zijn o.a. te herkennen aan de haarborstels op borststuk en achterlijf en de aanwezigheid van een postscutellum. Dat zijn bij deze soort de witte schildjes aan de zijkanten van het scutellum. De larven van sluipvliegen parasiteren op rupsen en larven van andere insecten. Hier zijn nog andere foto's van deze kleurige vlieg: foto 2, foto 3.
Niet alle soorten sluipvliegen zijn even kleurig. Dit exemplaar is een Eurithia anthophila en is merendeels zwart, maar met roodbruine ogen en witte postscutellum-schildjes.
De sluipvlieg Mintho rufiventris lijkt wel wat op de Eriotrix rufomaculata, maar is iets anders van vorm. Het dier heeft ook rode zijvlekken op het achterlijf, maar is minder plat. Het achterlijf lijkt in de hoogte te zijn samengeknepen. Het is een mooie vlieg die zich af en toe laat zien. Ze parasiteren meestal op rupsen van de nachtvlinder Ocrasa glaucinalis (Lepidoptera, Pyralidae), maar schijnen ook de Maisboorder (Ostrinia nubilalis, Crambidae) als gastheer te gebruiken. Ze zijn dus nog nuttig ook, want die vlinder geldt als schadelijk.
Deze mooi gekleurde sluipvlieg bezocht mijn tuin in 2006. Het is de Leskia aurea. Deze fraaie vlieg parasiteert op Synanthedon-soorten (glasvleugel- of wespvlinders). Die vlinders zie ik maar zeer sporadisch en daarom is het des te opvallender dat deze vlieg te zien was op Hertsmunt. De rupsen van de vlinders leven in hout van bessenstruiken, wilgen en vruchtbomen. De vliegen weten deze plekken te vinden. De larve van de vlieg vreet de rups van de vlinder van binnenuit geheel leeg, maar begint met de minst kwetsbare delen, waar reservevoedsel is opgeslagen. De gastheer overleeft deze aantasting niet, maar het duurt dikwijls tot aan de verpoppingstijd van de gastheerrups voordat deze doodgaat. Deze sluipvliegen zijn zeer zeldzaam en in Nederland slechts bekend van enkele verspreide geïsoleerde gebieden. Een van die gebieden is Walcheren, waar ik woon. De vlieg is voor mij gedetermineerd door de sluipvliegenexpert Theo Zeegers.
Toen ik in 2008 probeerde de geparasiteerde rups van een Groot koolwitje uit te kweken, had ik als resultaat 20 kleine sluipwespjes (3 mm) en 1 kleine sluipvlieg (5 mm). Die vlieg herkende ik niet goed en heb de naam gebraagd op het Diptera-forum. Theo Zeegers wist het diertje te benoemen: een mannetje van de sluipvlieg Phryxe nemea. Ze staan bekend als parasiet van koolwitjes, maar ook andere rupsen. De vrouwelijke vlieg legt haar eitje op de buitenkant van de rups. Als het larfje uitkomt vreet het zich naar binnen. Omdat bij deze rups ook nog vrij veel sluipwespjes actief waren, moest er waarschijnlijk gedeeld worden, maar er was voor ieder voedsel genoeg, want het vliegje had de normale grootte van ongeveer 5 mm. Hier zijn nog extra foto's van deze sluipvlieg: foto 2, foto 3. Zie ook bij de dagvlinders: Groot koolwitje.
De sluipvlieg Lydia aenea lijkt wat op een kleine versie van de schorsvlieg. Ze hebben dezelfde kleuren. Deze sluipvlieg parasiteert op de rupsen van allerlei nachtvlinders, waaronder diverse spanners.
Deze grote vlieg behoort ook tot de grote familie van de sluipvliegen. Het is een algemene vlieg, maar ik zie ze toch niet zo veel. Het is de Tachina magnicornis, die een mooi oranjekleurig achterlijf heeft waarop in het midden een donkere streep loopt. Ze vertoeven meestal op de wat meer vochtige plaatsen van een terrein, zoals waterkanten, natte plekken in bossen e.d. De vlieg legt haar eitjes op diverse planten in de buurt van vlinderrupsen. De uitgekomen larfjes gaan daarna op zoek naar die rupsen van zowel dag- als nachtvlinders. Ze dringen daarin binnen, vreten die helemaal leeg en verpoppen daarna. De volwassen vlieg is aan alle kanten bezet met stekelige haren. Ook de kop is indrukwekkend om te zien. Deze soort kan verward worden met T. fera, welke er erg veel op lijkt, maar ondermeer lichtere poten heeft.
Een sluipvliegensoort waarvan ik in de beboste omgeving van de Braakman (Terneuzen) enkele exemplaren tegenkwam is de Thelaira solivaga. Dit is een mannetje en dat is direct te zien aan de oranjezijvlekken op het achterlijf, die het vrouwtje mist. Het is een grotere soort van ongeveer 11 mm lengte. Het zijn redelijk opvallende vliegen door hun kleur en tekening. Ze vielen ook op door het gedrag. Er waren enkele mannetjes op een plek steeds aan het ruziën over de beste plekjes in de zon op brandnetels onder bomen.
Hier zijn nog wat andere foto's van deze vlieg: foto 2, foto 3, foto 4; foto 5.
Ook de snipvliegen (ook wel: snavelvliegen, Rhagionidae) zijn prachtig van kleur. Dit is waarschijnlijk de Rhagio tringarius. Ze hebben een snavelachtige snuit (op de foto niet te zien), waarmee ze andere insecten leegzuigen. Ook de larven van deze roofvliegen, die ondergronds leven en verpoppen, eten dierlijk voedsel dat ze zelf vangen.
De snipvlieg Chrysopilus cristatus doet qua kleur niet onder voor de vorige. Deze heeft een goudkleurig uiterlijk en sommigen noemen hem daarom ook wel: gouden vlieg. Het dier van de foto is een vrouwtje.
Op uitwerpselen, bijvoorbeeld hondepoep, kun je de Strontvlieg (Scathophaga stercoraria) tegenkomen. Ze zijn zeer algemeen. Hoewel het wat onsmakelijk lijkt, hebben ook deze dieren een belangrijke opruimfunctie in de natuur. Dat geldt trouwens ook voor veel andere vliegen die hun eitjes in kadavers leggen. De vliegen zitten soms bij tientallen op een 'hoop' en dikwijls tref je ze parend aan. De uitwerpselen hebben nog voldoende voedingsmiddelen om de larven van deze vliegen te voeden. De mannetjes zijn fraaie dieren, mooi goudgeel behaard en met een prachtig groenglanzend borststuk met wat stekelige haren. Om aan de kost te komen vangen deze vliegen andere vliegensoorten op de mest of elders.
Bij mij in de tuin zie ik ze soms ook gewoon op bladeren zitten. Deze vlieg zat met een aantal andere op het blad van frambozen. Van deze vliegen is bekend dat er bijna altijd veel meer mannetjes dan vrouwtjes zijn. Hier zijn deze vliegen parend te zien. Dit exemplaar heeft een vrouwte van de mooie wapenvlieg Sargus bipunctatus gevangen. Dat lijkt me een flinke maaltijd voor de Strontvlieg.
Ze kunnen erg vroeg in het seizoen al actief zijn. Op 21 maart 2009 was dit vrouwtje al in mijn tuin te vinden. Opvallend is het wat miezerige achterlijfje. Ik vermoed dat het een vrij vers exemplaar is dat nog wat in conditie moet komen. Het achterlijf zal in omvang wat toenemen als de eierstokken zullen groeien. Hier zijn nog enkele andere foto's van ditzelfde exemplaar: foto 2; foto 3; foto 4, waarbij de laatste foto een close-up van de kop is die leuke details laat zien van een facetoog en de antennen.
Blaaskopvliegen zijn te herkennen aan de lange proboscis (soort zuigsnuit om voedsel mee op te nemen) en de puntige anale cel aan de achterrand van de vleugel. Dit is waarschijnlijk de Conops quadrifasciata. De vliegen foerageren graag op schermbloemen en composieten. Van die laatste familie is vooral het mooie Jacobskruiskruid in trek bij deze soort vliegen. De rupsen van de Sint-Jacobsvlinder hebben bij wijze van toeval dezelfde geel-zwarte tekening als de vlieg.
De larven van deze blaaskopvlieg groeien op ten koste van hommels, vooral aardhommels. Die worden inwendig geparasiteerd door de larven van deze vlieg. In de gastvrouw worden uiteindelijk ook essentiële onderdelen opgegeten en ze sterft dan. De vliegenlarve is dan al volgroeid en verpopt in het karkas van het dode insect. Na verloop van tijd kruipt de jonge vlieg uit deze behuizing.
Het Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) vervult voor zeer veel insecten (meer dan 150 soorten, waaronder diverse vliegen, vlinders, hommels en solitaire bijen) een belangrijke rol als drachtbron van nectar en stuifmeel en zelfs voor meer dan 30 soorten als waardplant voor de voortplanting. Ook honingbijen vliegen soms op kruiskruiden in de late zomermaanden, omdat veel andere planten dan reeds uitgebloeid zijn, maar ze hebben een duidelijke voorkeur voor het Bezemkruiskruid en zijn op Jacobskruiskruid niet veel te vinden. In 2005 is er jammer genoeg een soort hetze tegen deze prachtige plant op gang gekomen, omdat de gedroogde plant in hooi niet goed is voor paarden. De levende plant wordt nauwelijks door zoogdieren gegeten. Schapen schijnen er wel eens wat van te eten en dan werkt de plant wormafdrijvend door de in de plant aanwezige PA's (Pyrrolizidine alkaloïden).
Dat is de reden waarom velen deze plant (en de soortgenoten, die ook PA's hebben) willen bestrijden. Het liefst zou men de plant uitroeien, want dat zou gemakkelijk zijn. Dan heb je geen risico meer om de PA's binnen te krijgen, die de lever kunnen aantasten. Dat is echter wel erg kort om de bocht. Men vergeet de enorme natuurwaarde van deze planten. De oogkleppen van de paarden zijn door mensen opgezet en alle insecten die bij vernietiging verloren gaan, worden op de koop toe genomen. Insecten hebben nu eenmaal niet de aaibaarheid van een paard, maar voor mij zijn ze minstens evenveel waard, zo niet waardevoller. Paarden zijn gekweekte dieren en hebben nauwelijks nog iets met natuur van doen. Insecten daarentegen zijn voor de gehele natuur zeer waardevol, maken er een onderdeel van uit en hebben daarom mijn voorkeur. De kruiskruiden moeten dus beschermd en gestimuleerd worden om de vele soorten insecten die deze planten bezoeken en gebruiken, waaronder ook zeldzame, een dienst te bewijzen.
Paardenliefhebbers moeten gewoon alert zijn op de kwaliteit van het hooi. Als dat afkomstig is van bermen is het ook vervuild met allerlei andere stoffen en is de prijs laag. Goedkoop blijkt dan duurkoop te zijn. Dit soort 'liefhebbers' zijn een paard niet waard, maar ze maken wel heel veel ongenuanceerd en onkundig kabaal.
Toen ik in augustus 2007 in een buitendijks gebied in Zuid-Beveland was voor insecten, kwam er een tractor op de dijk om het pas gemaaide gras te keren. Dat leek me een aanwijzing dat het bestemd was voor diervoeder. Het hooi van de dijk zelf is van prima kwaliteit, maar aan de onderkant stonden Akkerdistels en Jacobskruiskruid. Die planten zijn gewoon meegemaaid en hier en daar zag ik de gele bloemen uit het hooi steken. Ook gedroogde distel lijkt me voor een paard of koe niet zo aangenaam in de bek. Het hooi zal ongetwijfeld zijn weg vinden. Hier was geen vervuiling van het gras door verkeer, maar een paar kilogram hooi minder door iets nauwkeuriger (minder) te maaien was kennelijk geen optie. Zo wordt de koper van dit hooi dus ook nog bedrogen als het verkocht is als 'schoon' dijkhooi.
Er zijn tot op heden nauwelijks wetenschappelijk aangetoonde gevallen van de dood van een paard of ander groot zoogdier door het eten van Jacobskruiskruid. Ook al zou dat wel het geval zijn, dan nog kan dat de plant niet verweten worden, maar moet de 'paardenliefhebber' bij zichzelf te rade gaan. Gelukkig laat deze schitterende plant zich letterlijk niet zo snel uit het veld slaan. Ze staan vooral op wat drogere, arme gronden en zaaien zich met en zonder hulp gemakkelijk uit. In de duinen bloeit de plant soms zonder straalbloemen. Het is een zeer bijzondere plant vanwege zijn grote natuurwaarde, die gekoesterd moet worden. Kijk hier voor goede neutrale informatie over Jacobskruiskruid en laat u niet gek maken door opgeklopte verhalen van enkele paardensites.
Ook deze Blaaskopvlieg Myopa testacea parasiteert op andere insecten, voornamelijk hommels, bijen, wespen en sprinkhanen. De volwassen insecten bezoeken bloemen voor de nectar. Deze 2 vliegen zitten in mijn tuin op het blad van Look-zonder-look om te paren. De vliegen hebben merkwaardige dikke koppen met een wit aangezicht. Het achterlijf houden ze dikwijls gekromd naar beneden.
Een andere blaaskopvlieg, die ik ook in mijn tuin zag, en die het achterlijf nog meer gekromd houdt is de Sicus ferrugineus. Ook het vrowtje doet dat zelfs nog bij het begin van de paring en dat lijkt wat minder handig. De close-up van de kop van deze vliegensoort laat ook goed een gedeelte van de scharnierende zuigsnuit zien. Ook deze soort parasiteert op hommels, maar ook op graafbijen.
Niet alle blaaskopvliegen houden het achterlijf zo gekromd als de vorige soorten. De Physocephala rufipes doet dat in mindere mate en valt op door het gesteelde achterlijf. Het is een wat grotere soort met rode poten.
Tot de familie van de Dolichopodidae behoren in Europa ongeveer 55 soorten. Deze vliegen worden in Nederland Slankpootvliegen genoemd. In mijn tuin was deze kleine vlieg (circa 7 à 8 mm) in de 2e helft van mei 2006 aanwezig in een aantal exemplaren. De larven van deze soorten leven van andere ongewervelden op vochtige plaatsen. Ook de meeste volwassen vliegen zijn predators van kleine andere ongewervelden, zoals larven van steekmuggen. Ze worden meestal bij de roofvliegen geplaatst in de insectengidsen.
Ook deze vlieg behoort tot een groep vliegen die merendeels rovend aan de kost komt. Dit is de Akkerdisteldansvlieg (Empis livida), die een zeer lange zuigsnuit (proboscis) heeft om prooien leeg te zuigen. Deze soort wordt ook gezien op bloemen, vooral akkerdistel, en eet daar ook nectar en stuifmeel. Op deze foto is het dier met de voorpoten de kop aan het poetsen en is de zuigsnuit mooi zichtbaar.
Een andere wat kleinere dansvlieg is de Gele dansvlieg (Empis lutea), die ik in juli 2009 in mijn tuin zag. Het is een fraai beestje dat ook rovend aan de kost komt. Ze zijn in mijn omgeving (Koudekerke, Zeeland) niet zo algemeen en worden merendeels in het rivierengebied en in Limburg waargenomen. Hier zijn nog enkele foto's van dit dier: foto 2, foto 3.
Op 23 april 2009 vlogen boven mijn tuinvijver een stuk of 10 dansvliegen (familie Empididae; geslacht Rhamphomyia). Ze vlogen in cirkels, laag boven het water en sommige tipten het oppervlak af en toe even aan. Vermoedelijk waren dat vrouwtjes die eitjes afzetten. Navraag leverde op dat het de dansvlieg Rhamphomyia crassirostris betrof. De correcte naam kreeg ik van vliegenexpert Paul Beuk. De volwassen dieren zijn net als de meeste andere dansvliegen predators van andere insecten die ze met hun zuigsnuit leegzuigen. Relatief weinig soorten leven ook van nectar en stuifmeel van bloemen. Van deze soort leven de larven kennelijk in het water. Dat is voor dansvliegen niet bijzonder, want van sommige is dat bekend; andere leven in de bovenste grondlagen. Deze larven eten dierlijk voedsel.
Dit exemplaar van deze soort was 8,6 mm lang. De vleugels steken uit buiten het achterlijf. Op deze dorsale foto op millimeterpapier is de afmeting goed te zien. Tevens is opvallend dat het dier in de vleugels een zeer langerekt pterostigma heeft. Dat is de donkere vlek langs de voorrand van de vleugel. Ze hebben een relatief kleine kop. Bij deze close-up is de kop nog wat beter te zien, onder andere ook de 3 puntogen (ocelli) op de kruin en de puntig uitlopende 3e antenneleden. De soortnaam 'crassirostris' duidt op de vorm van de zuigsnuit (rostrum) die bij deze soort stevig en dik (crassus) is.
Leuke insecten die vanaf half maart al actief zijn, zijn de wolzwevers. Ze hebben een relatief lange zuigsnuit, die niet kan worden ingetrokken. Daarmee zuigen ze nectar uit bloemen. Dit is de Grote wolzwever (Bombylius major), die bij mij in de tuin op diverse bloemen vliegt, zelfs op Maarts viooltje. Daarop zie je niet veel insecten. Hier is te zien hoe de vlieg voor het viooltje hangt met de lange snuit helemaal naar binnen gestoken om bij de nectar te komen. Voor de voortplanting parasiteren deze vliegen op diverse soorten solitaire bijen en wespen. Dit exemplaar zit te zonnen op een houtsnipperpad in mijn tuin en daarbij is de zuigsnuit zeer goed zichtbaar. Hier is nog een foto van een wolzwever foeragerend op Longkruid. Aan de bovenranden van de vleugels heeft deze soort donkere vlekken.
Sommige soorten wolzwevers worden ook wel rouwzwevers genoemd. Ze hebben gedeeltelijk donkere vleugels. De wolzwever Villa modesta heeft heldere vleugels, doch de gehele voorrand is bruinachtig. Ze hebben een korte zuigsnuit, dus geheel anders van de vorige soort. Ook zijn de geslachten duidelijk te herkenen door verschillen in tekening. De mannetjes hebben zilverwitte tegulaevlekken (vleugelschubben) en op de achterrand van het abdomen 2 spierwitte plukken haar. Het vrouwtje heeft die witte plekken niet, maar wel lichtgele. Ze heeft bovendien gele dwarsstrepen op het achterlijf, die het mannetje mist. Hier is de voorkant van de kop van een vrouwtje te zien. De larven van deze soort leven in rupsen van diverse vlinders. De volwassen dieren foerageren graag op schermbloemen, zoals pastinaak. Hier zijn nog wat extra foto's van dit fraaie insect: vrouwtje; vrouwtje; mannetje.
Steltvliegen zijn zo genoemd, omdat ze relatief zeer lange poten hebben. Ze hebben bovendien een zeer slank lijfje. Bij mij zitten ze begin juni in de moestuin meestal op tuinbonenplanten. Daar zaten ze niet voor niets, want het zijn vliegen die luizen eten. Ze zijn dus erg nuttig. Tuinbonen staan bekend om hun aantrekkelijkheid voor de zwarte bonenluis. Die zitten er dan ook ieder jaar op. Met het uitbreken van de toppen van de planten ben je de meeste kwijt. Ook lieveheersbeestjes en larven van bepaalde zweefvliegen eten bijna uitsluiten luizen en die kun je er dan ook dikwijls op aantreffen. Dit is een vrouwtje van de steltvlieg Micropeza corrigiolata, met haar extreem lange achterpoten.
Boorvliegen (Tephritidae) zijn te herkennen aan de gevlekte vleugels, die de meeste andere vliegen niet hebben. In Nederland komen ongeveer 80 verschillende soorten voor. Het zijn gemiddeld maar kleine vliegjes van zo'n 6 mm lengte. Ze zijn dikwijls gebonden aan een bepaald soort plant. Zelfs op de schorren is er deze Zulteboorvlieg (Campiglossa plantaginis) actief, die zich op Zeeaster voortplant. De vrouwtjes van de boorvliegen hebben een korte legboor en leggen hun eitjes in de waardplant of in de vruchten daarvan. Dat veroorzaakt bij die plant een gal waarin de larve zich ontwikkelt. Boorvliegen hebben meestal mooi gekleurde ogen: ogen 1; ogen 2; ogen 3.
Deze mooie boorvlieg is de Klitboorvlieg (Terellia tussilaginis) die dikwijls op Gewone klit te zien is. In mijn tuin foerageren ze ook wel eens op Eryngium planum. Er is nog een andere soort boorvlieg die zich ook op klit heeft gespecialiseerd en dat is de Temphritis bardanae.
Op de klisbladeren zag ik ook een andere boorvlieg ijverig stuifmeel eten, dat daarop gevallen was. Het is de Philophylla caesio die wat lijkt op de hierna volgende soort. De vlekkenpatronen op de vleugels zijn bij alle soorten verschillend, maar soms lijken de verschillen niet zo groot en is het flink opletten. Ook de Anomoia purmunda zit graag op die grote bladeren. Het is een soort die op het eerste gezicht wat op de Philophylla caesio lijkt. De vleugeltekening is toch iets anders van vorm.
Op klisplanten, maar ook op andere planten met flinke bladeren zag ik ook een andere boorvlieg ijverig stuifmeel eten, dat daarop gevallen was. Het is de Euleia heraclei (Ned.: Selderijvlieg). Deze fraaie boorvlieg zal de selderijplant dus waarschijnlijk als waardplant voor de eitjes en larfjes gebruiken. Ik zie ze wel regelmatig in de tuin vanaf het voorjaar. Net als de meeste boorvliegen heeft deze soort ook prachtige ogen. Met een kleine legboor deponeren ze de eitjes in bladeren of stengels van planten. Op deze foto is de legboor van deze vlieg te zien.
Boorvliegen zijn sterk aan bepaalde planten gebonden. De Heggenrankboorvlieg (Goniglossum wiedemanni) vind je dus alleen op Heggenrank. Ze zitten meestal op de bloemen waar ze nectar en stuifmeel eten. Heggenrank is tweehuizig en dat is voor deze vliegjes van belang, want de eitjes worden afgezet op de vruchtjes. Die zitten uiteraard alleen aan de vrouwelijke planten. Ze boren er een gaatje in om een eitje te leggen en die actie doet op het vruchtje een gal ontstaan, waarin de larve van de boorvlieg leeft en groeit. De Engelse benaming voor een boorvlieg (Gall fly) wijst op deze gallen. In mijn tuin laat ik Heggenrank een beetje woekeren op bepaalde plaatsen. Het is een plant die aantrekkelijk is voor veel soorten insecten. Ik zag er naast deze vliegjes ook honingbijen, enkele Andrena's waaronder de Heggenrankbij, Lasioglossum-bijen en andere kleinere bijen, enkele wespen en diverse andere vliegen op foerageren.
Dat de vliegjes van plan waren om zich er ook voort te planten bleek uit de aanwezigheid van enkele parende stellen; hier een paar gezien vanaf de bovenkant. Ze zijn niet zo groot (5 mm) maar zeer fraai getekend en gekleurd, ook weer met prachtige ogen. Soms zijn ze in de paringsdrift wat onoplettend en vallen ze ten prooi aan een Zebraspinnetje.
Van veel vliegenfamilies is meer bekend dan van andere. De Pallopteridae betreft zo'n familie, waarvan niet zo veel bekend is. Dat kan komen door de schaarsheid van de insecten of de verborgen levenswijze. Mogelijk zijn beide argumenten van toepassing. De dieren hebben een geringe grootte, net zoiets als boorvliegjes en daar lijken ze ook wat op. De meeste soorten hebben ook gevlekte vleugels en mooi gekleurde ogen. De larven van sommige soorten predateren op larven van schorskevers en boktorren; andere leven op en in plantenstengels, maar of die fytofaag (plantenetend) zijn of ook carnivoor (dieren etend) is tot op heden onbekend.
Deze Palloptera muliebris wordt reglematig binnenshuis aangetroffen, zo ook met mijn exemplaar. Wat het beestje in mijn huis te zoeken had weet ik niet, maar ze willen na verloop van tijd weer naar buiten en dan vind je ze tegen het vensterglas. Het is een fraai beestje met een opvallend donkere omlijsting van de vleugels. Ze lopen dikwijls met de vleugels zeer breed gespreid.
Een vliegenfamilie, waarin ook geslachten voorkomen met gevlekte vleugels, betreft de Lauxaniidae (12 geslachten). De vlieg van de foto is de Meiosimyza decempunctata (vertaald dus: met 10 vlekken) en zat bij mij op een vensterbank. Het beestje is ongeveer 8 mm lang. Van het genus Meiosimyza komen in Nederland 8 soorten voor. De larven van dit soort vliegen schijnen te leven in vochte beschaduwde plekken, bossen e.d. en ze leven dan van micro-organismen in paddenstoelen, schimmels in de bovenste bodemlaag en rottend plantenmateriaal. Andere leven in vogelnesten of als bladmineerder.
Een vliegje dat qua kleur wel op de vorige lijkt is de Wortelvlieg (Psila fimetaria). Dat is dan ook alles, want het dier is van een andere familie, de Psilidae. Ze hebben ook geen gevlekte vleugels. Ik kwam het beestje tegen, zonnend op een blad van Look-zonder-Look in een binnenduinbos (Valkenisse) bij mij in de buurt. Het is waarschijnlijk een mannetje.
De wortelvliegen worden als schadelijk gezien voor wortelgewassen. Ze leggen hun eitjes op de wortelhals van de plant en de maden (larven) vreten gangen in de wortel, die daardoor niet meer verkoopbaar is. De larven verpoppen in de grond op een diepte van 10 - 15 cm. In Nederland zijn er 3 generaties per jaar. Ze zijn dus het gehele groeiseizoen van de wortels een lastige vlieg. De vliegen zelf (imago) worden slechts enkele weken oud. De poppen van de laatste generatie overwinteren en komen pas in het voorjaar uit.
Veel huisvliegen en andere soorten zijn in de herfst niet veilig voor de parasitaire schimmel Entomophthora muscae. De sporen van die schimmel zijn kleverig en de vlieg moet door poetsen de buitenkant van zijn lijf schoonhouden. Je ziet vliegen dat ook vaak doen: met de poten ontdoen ze het lijf en de vleugels van allerlei stof en andere ongerechtigheid. De sporen van de schimmel zijn echter zeer klein en groeien snel. Een overgebleven spore vormt een schimmeldraad (hyfe) en die weet zich dan een weg te banen langs het chitinepantser. Daarin zitten veel delen die redelijk gemakkelijk toegang tot het lijf van de vlieg bieden, bijvoorbeeld via de scheidingen van achterlijfsegmenten (tergieten en sternieten). Zodra de schimmel zich heeft genesteld in de vlieg vermenigvuldigt deze zich in het vliegenbloed (hemolymfe). Uiteindelijk tast de schimmel ook de hersenen van het insect aan en de vlieg gaat zich dan vreemd gedragen. Ze willen meestal wat omhoog lopen. Ze proberen zich met de zuigsnuit (proboscis) op de ondergrond vast te zuigen, maar dat helpt ze niet en na wat stuiptrekkingen gaan ze daar uiteindelijk dood en blijven daar hangen. De dode vliegen hebben dikwijls een houding met gespreide vleugels, die op het eerste gezicht aan een nog levende vlieg doet denken. Na verloop van enige tijd zijn er dan witachtige banden van sporendragende hyfen op het achterlijf te zien. Die hyfen hebben zich uit het dode lichaam van de vlieg naar buiten gewerkt. De rijpe sporen worden krachtig weggestoten en zullen zo weer nieuwe slachtoffers vinden.
De vlieg van de foto is vermoedelijk een vleesvliegsoort (Calliphoridae) van het genus Pollenia en ik vond deze in mijn tuin.
Ook binnenshuis kan deze schimmel optreden en dan met name bij de kamervlieg (Musca domestica). Die zal dikwijls het licht opzoeken en tegen de binnenkant van een raam omhoog lopen. Daar plakt ze zich vast en kun je de schimmelsporen op het raam vinden rondom de vlieg. Alles uiteraard alleen als de ramen niet te dikwijls worden schoongemaakt.
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven