Deze zwart-wit microvlinder is wel aardig om te zien. Het is het vlindertje Ethmia quadrillella, dat diverse planten als waard voor de rupsen gebruikt. Bij mij de tuin zijn dat vergeet-mij-niet, smeerwortel en longkruid. Ze zijn dus niet zo kieskeurig. Ze zijn te zien tussen april en juli. Het is een nachtvlindertje dat soms ook overdag vliegt.
Een iets grotere microvlinder, waarvan de rupsen leven op brandnetel is de fraaie Brandnetelmot (Eurrhypara hortulata). Je kunt de aanwezigheid van de rupsen zien aan de omgekrulde bladeren, waarin ze zitten. De vlinders laten zich niet zo gemakkelijk zien. Meestal hangen ze aan de onderkant van een blad.
Ook deze Vedermot (Emmelina monodactyla) behoort tot de grote groep microvlinders. Ze zijn meestal pas actief als de avond begint. In de schemering zijn ze in mijn tuin vooral in de nazomer talrijk aanwezig en zie ik ze overal hangen en korte stukjes vliegen. De larven van deze soort leven op windesoorten. Het is een zeer algemene nachtvlinder, die je overal kunt aantreffen. In rusttoestand houden ze de vleugels opgerold en vormt het lichaam met de vleugels een soort letter T. De voor- en achtervleugels van vedermotten zijn zeer diep ingesneden, zodat het aparte vleugeldelen lijken. Dat is echter alleen te zien bij het vliegen of bij een dood exemplaar, zie bijv. deze site.
De geheel witte vedermotten zijn meestal exemplaren van de Pterophorus pentadactyla, maar er zijn in onze streken veel soorten (ongeveer 40) met kleine verschillen en de vergissing in de naam is dan snel aanwezig. De kleur en de tekening (bijv. 2 donkere vlekjes aan de voorkant van de opgerolde vleugel op eenderde vanaf de basis) van de mot zijn van belang en bijvoorbeeld ook de lengte van de sporenparen aan de achterpoten, waarbij de naar binnen gerichte sporen van deze soort twee keer zo lang zijn als de naar buiten gerichte (op de foto niet te zien). Hier is een overzicht te zien van alle Belgische soorten vedermotten.
Stippelmotten komen op diverserse bomen en struiken voor. Bij mij in de tuin is het vooral de kardinaalsmuts die wordt aangetast. Iedere struik heeft zijn eigen stippelmot. Die op de kardinaalsmuts is de Yponomeuta cagnagelia. De kardinaalsmuts kan er goed tegen. De honderden rupsen leven in spinsels bij elkaar in grote groepen. De rupsen zijn geelbruin met rijen zwarte stippen. Deze heeft een dubbele rij. Andere soorten hebben een enkele rij stippen op de rug. Ze struinen de hele struik af naar eetbare bladeren. Deze struik heeft ook bladgroen op de stengels, zodat het koolzuur assimilatie-proces gewoon kan doorgaan. In de zomer zijn weer nieuwe bladeren gevormd en is de last voorbij, want er is slechts één generatie rupsen en vlinders. Het vlindertje is wit met zwarte stippen.
De grootste nachtvlinder van de uilenfamilie op mijn erf, die trouwens ook overdag vliegt, is het rood weeskind (Catocala nupta). Ik zie ze ieder jaar vanaf de tweede helft van augustus. De vlinder heeft een goede schutkleur en verraadt slechts bij verstoring en tijdens het vliegen de prachtige rood/zwarte tekening van de achtervleugel. De achtervleugel wordt in een flits getoond om een aanvaller af te schrikken. Het exemplaar op deze foto was helaas beschadigd. De vlinder zit op de stam van mijn kersenboom en vertrouwt op zijn schutkleur. Hier is een onbeschadigd exemplaar te zien, dat ook een deel van de rode achtervleugels toont. Meestal zitten ze echter zo, dus met de vleugels meer gesloten. Ook op de muur van mijn huis zitten ze dikwijls, net onder de goot. Ook dan is de schutkleur functioneel. De vlinder heeft een vleugelspanwijdte tot 80 mm. De vrij grote rupsen hebben ook een zeer goede schutkleur met een takjes-achtig uiterlijk met enkele wrattige uitsteeksels. De rupsen leven op wilg en populier. Er is slechts één generatie vlinders in de nazomer. Bijzonder is dat de eieren overwinteren en dus niet de poppen.
Klik hier voor meer informatie over het rood weeskind.
Wat schutkleur betreft spant de rups van de fraaie Hagedoornvlinder (Opisthograptis luteolata) de kroon. Het is een spanner die in rust of bij verstoring zeer lang een stand kan aannemen, die heel veel op een takje lijkt. De rups is daartoe ook uitgerust met veel onregelmatige stippen, kleine doorntjes en een fors uitsteeksel midden op de rug. Je moet echt heel goed kijken om het dier te zien. Dat geldt dus ook voor een koolmees die de takken afstroopt voor voedsel. De rups kan ook meer groenachtig zijn.
Ook de de vlinder is bijzonder, maar die moet ik nog eens tegenkomen. De rups zat in een pruimenboom in mijn tuin, dus de vlinder is er er zeker geweest. De vlinders vliegen in 2 generaties waarvan de laatste als pop overwintert.
De rups van de Witvlakvlinder (Orgyia antiqua) ziet er zeer kleurig uit. Ze behoren tot de Lymantriidae. De naam van deze soort is ontleend aan de witte vlekken op de vleugels van het mannetje, dat er verder wat saai uitziet. Het vrouwtje heeft helemaal geen vleugels en dat is bijzonder, hoewel niet zeldzaam, want er zijn meer soorten waar dat het geval is. Bij de Witvlakvlinder kruipt het vrouwtje uit de cocon en daarna wordt ze bevrucht door een mannetje die haar weet te vinden doordat zij geurstoffen (feromonen) uitscheidt. Dan legt zij haar eitjes op de cocon waar ze zelf uitkwam. Als de rupsjes uit de eitjes komen, verspreiden ze zich om voedsel te gaan zoeken. Ze zijn te vinden op bijv. wilg, pruim, meidoorn, framboos, sleedoorn, lijsterbes, esdoorn en nog veel meer. Kieskeurig zijn ze dus bepaald niet. De volwassen vlinders leven slechts kort en zijn alleen bezig met de voortplanting. Ze nemen als imago geen voedsel meer op en teren dus op de als rups opgedane reserves.
Hier zijn nog wat opnamen van een ander exemplaar, waaronder enkele close-ups waarop de bijzondere haarpluimen aan de voor- en achterkant ook te zien zijn:
foto 2, foto 3, foto 4.
Ook deze Plakker (Lymantria dispar) behoort tot de Lymantriidae. Het zijn schadelijke dieren in boomgaarden en bossen, waar de rupsen vrij massaal kunnen optreden en plaatselijk alles kaalvreten. Kieskeurig zijn ze niet, want veel loofbomen staan op het menu. De vrouwtjes camoufleren de eitjes met de haren van het achterlijf. Omdat de vrouwtjes nauwlijks kunnen vliegen liggen er veel eitjes (en rupsen) bij elkaar. De rupsen kunnen zich aan een gesponnen draad met de wind verder verspreiden, maar doen dat pas in het voorjaar. Ze overwinteren dus als eitje. De mannetjes vliegen merendeels overdag, hoewel het nachtvlinders zijn. De grote geveerde antennen zijn reukinstrumenten om de geurferomomen van de vrouwtjes op te vangen, zodat ze ermee kunnen paren. De 'veren' op de antennen zijn zelf ook nog voorzien van kleine haartjes, zodat geuren optimaal kunnen worden waargenomen, zoals op deze close-up te zien is. De vlinder heeft geen monddelen en kan dus als imago geen voedsel meer opnemen.
Er zijn meer soorten waarbij de vrouwtjes vleugelloos zijn. Dat is bijvoorbeeld ook het geval bij de Kleine wintervlinder (Operophtera brumata). Dat is een soort die zeer laat in het jaar verschijnt, soms pas na nachtvorst. Ze zijn zeer algemeen en kunnen schadelijk zijn in boomgaarden. Ze overwinteren als eitje. De mannetjes zijn wat saai gekleurd. De bovenkant laat nog enige tekening zien, maar veel is het niet.
Zowel overdag als 's nachts vliegt de gamma-uil (Autographa gamma). Het is een vlindertje, dat altijd in beweging is. De vleugels trillen praktisch constant en dat is voor een fotograaf lastig. Ze hebben een hele lange tong waarmee ze nectar zuigen. De naam is afgeleid van de letter 'gamma' die op de bovenkant van de voorvleugel te zien is. Ze zijn ook soms in copula te zien. Dan valt op dat het mannetje iets kleiner is en meer bruin dan grijsachtig, zoals het vrouwtje. De paring duurt vrij lang.
Een prachtig vlindertje, dat vrij algemeen schijnt te zijn, maar dat ik in mijn tuin slechts een enkele keer zie, is het Koperuiltje (Diachrysia chrysitis). Ze hebben een goud-geelgroene kleur en hier en daar wat bruin. De kleur is moeilijk te beschrijven. Je moet ze gewoon zien.
Op de kop hebben ze een kuif, zoals veel uilen (Noctuidae) dat hebben. Iets verder naar achteren (op het achterlijf) zijn er nog 2 van dat soort uitsteeksels, maar dan wat kleiner. De vlinder is te zien van mei tot oktober en vliegt in 2 of 3 generaties. De rupsen leven op allerlei kruidige planten, zoals brandnetel, dovenetel, marjolein en ook wel op distels. Ze overwinteren als jonge rups op de grond in de buurt van de waardplanten. In het voorjaar eet de rups verder om pas daarna te verpoppen.
Soms sta je voor verrassingen bij het ontdekken van een onbekend insect op je eigen erf. In mijn bloementuin staan Vlasleeuwenbekjes, een gekweekte soort, maar kennelijk daarom niet minder in trek bij het Vlasbekuiltje (Calophasia lunula). Het is een soort die vrij schaars blijkt te zijn en dan is het leuk om er de rups van aan te treffen op de waardplant. De rups heeft prachtige kleurcontrasten tussen zwart, geel en blauwgroen. Je kunt goed de segmenten van de rups onderscheiden. De kop zit links op de foto. Dan volgen er 3 segmenten met voorpoten; 2 segmenten zonder poten; 4 segmenten met buikpoten; 2 segmenten zonder poten en als laatste de naschuiver.
Sommige vlinders zie je snel over het hoofd. Ze zien er anders uit dan de gewone vlinders. Dit is een kleine soort die tot de wespvlinders wordt gerekend. Het is de Bessenglasvlinder (Synanthedon tipuliformis), die een opvallend kwastje aan het eind van het achterlijf heeft. De vleugels zijn voor een groot deel doorzichtig als glas. Deze vlinder legt haar eitjes op de stammen en takken van rode, witte of zwarte bes. De rupsen leven in het hout en de struiken kunnen er ernstig door worden aangetast. De schade valt bij mij reuze mee, omdat het nooit grote populaties zijn. Hier zijn ze parend te zien (foto: Ruud Ham).
Alle glasvleugelvlinders kunnen geparasiteerd worden door de mooie sluipvlieg Leskia aurea. Deze vliegen weten de rupsen van de vlinders te vinden en leggen er hun eitje op. De larven van de vlieg vreten de rupsen op. De vlinders zijn niet zo talrijk en deze vliegen zijn daarom zeldzaam. Zie verder bij 'Overige vliegen'.
Een prachtige soortgenoot van de vorige vlinder is de Appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis). Het dier heeft een oranjerode band op het achterlijf en de gehele vlinder, inclusief de antennen, geeft bij een bepaalde lichtinval een irriserende schittering te zien. De rupsen van deze soort leven in het hout van oude appel- en perenbomen. Hij is bij mij in de buurt waarschijnlijk niet zo talrijk (ondanks enkele boomgaarden), want ik zag hem in 2006 voor het eerst in mijn tuin in 30 jaar. Het is een vrij kleine vlinder die overdag vliegt op bloemen voor de nectar. Ter vergelijking van de grootte hier nog een foto waarop net een pyjamazweefvlieg op dezelfde bloem gaat landen.
Hier is nog zo'n schitterend dier. Het is de Wilgenwespvlinder (Synanthedon formicaeformis). De rupsen leven in oud en ook wel in nog levend wilgenhout van smalbladige soorten. De vlinders vliegen van begin juni tot half augustus. Ze bezoeken graag de bloemen van akkerdistels, maar bij mij in de tuin staan die niet en andere bloemen versmaden ze ook niet. Bij mij was deze bijvoorbeeld ook te zien op de kleine kruisdistel Eryngium planum. Ze hebben een bijzonder staartje, dat zowel plat als met de zijkanten omhoog kan worden gehouden. Zie daarvoor de volgende foto's: foto 2, foto 3.
Een opvallende verschijning is de Populierebrandvlerkvlinder (Pheosia tremula, Notodontidae). Het is een mooie nachtvlinder met lange smalle voorvleugels met een lengte tot 34 mm. De achtervleugels zijn breder. Het dier dankt zijn naam aan de brandkleurige vlekken op de vleugels. De rupsen leven op populieren en wilgen in 2 generaties per jaar. De rupsen verpoppen in een stevige cocon in de grond en ze overwinteren als pop. Er zijn nog enkele soorten die sterk op deze soort gelijken, waaronder een vlinder die de berk als waardboom gebruikt.
De rups van de Braamvlinder (Thyatira batis) foerageert bij mij in de tuin ook op framboos. Het is een soort die behoort tot de eenstaartjes (Drepanidae). De vlinders heb ik nooit gezien, maar het is een kwestie van in de schemering goed opletten of bij verlichte ramen, want ze komen ook op licht af en schijnen vrij algemeen voor te komen.
De rups heeft een bijzonder uiterlijk: een kop die wat 'opgebold' is met hier en daar uitsteeksels, die vermoedelijk als tasters gebruikt worden. Op de segmenten na de kop zitten nog enkele verdikkingen en ook verder op het achterlijf. Opvallend zijn ook de witte buikpoten. Bij het ouder worden van de rups zal deze er na iedere vervelling iets anders uitzien. Ook de kleuren kunnen veranderen. De foto toont een jonge rups.
De vlinders zijn in 2 generaties te zien van april tot september. Ze overwinteren als pop in een cocon in of op de grond.
Veel dieren leven van elkaar in lange cycli. Een spin vangt insecten, wordt soms zelf door een ander insect ook weer gebruikt en ook dat dier is niet veilig in een lange cyclus van eten en gegeten worden. Veel diersoorten leven ook voor een deel ten koste van andere, zonder ze te vernietigen. Deze parasitaire wijze van leven kan de gastheer/vrouw echter soms wel noodlottig worden. Dat hangt erg van omstandigheden af. De varroamijt kan een heel bijenvolk vernietigen. Dat geldt ook voor wasmotten, maar wel in mindere mate, want alleen zeer zwakke volken zijn niet opgewassen tegen wasmot-aantasting van het nest. Dat geldt nog sterker voor de grote wasmot (Galleria mellonella). Op de foto is de larve te zien van de kleine wasmot (Achroia grisella), die gangen vreet dwars door de celbodems van de raten heen. Dat gebeurt meestal in ramen die buiten gebruik zijn. De larve laat een spinsel achter en door dit te volgen, kan het beestje meestal worden gevonden en verwijderd. Het imago van de kleine wasmot laat een onbeduidend grauwbruin vlindertje zien van circa 10 mm lengte.
Een soortgelijke mot komt voor in hommelvolken. Deze Hommelnestmot (Aphomia sociella) is een gigantische wasvreter. Er is nauwelijks een hommelvolk tegen bestand, maar de schade treedt meestal pas op aan het einde van de broedperiode van de hommels (2e helft juni - juli). Het zijn vrij grote motten van ruim 2 cm lengte. De vrouwtjes hebben een naar voren uitstekende snuit. Door het kruipen door het nestmateriaal (mos, gras en pluis) van de hommels zijn bij deze vlinder de schubben al wat afgesleten op de kop en torax. De mannetjes zijn iets kleiner en hebben een duidelijker kleurpatroon op de vleugels. De larven vreten werkelijk alle wasdelen van het nest op en verpoppen daarna met z'n allen in een heel sterk spinsel. Op deze foto is die sociale structuur van het spinsel met larven te zien. Er zitten dikwijls meer dan 50 larven op een hoop, allemaal netjes naast elkaar in een soort gootje. Dit is het deksel van een hommelnestkast. De larven zitten dus zij aan zij aan de bovenkant. Ook in het hout knagen ze ondiepe sleuven naast elkaar. Ze overwinteren zo als larve en verpoppen pas in het voorjaar.
Uit een hommelnestkast heb ik in 2009 een cluster hommelmotlarven verzameld en in een geventileerde pot in mijn schuur bewaard. In juni 2010 kwamen ze uit. Dat is precies op tijd, want de eerste hommelnesten zijn dan al klaar. Ik heb wat foto's van de dieren gemaakt en het valt op dat de verse exemplaren fraaie kleuren hebben. Sommige vroeg uitgekomen motten zijn door fladderen in de pot al veel schubben verloren. Ze zijn ook in de natuur snel afgevlogen en vlug kaal door in hommelnesten te kruipen door nauwe ingangen en compact nestmateriaal. Hier zijn de foto's uit de kweek: foto 1; foto 2; foto 3; foto 4; foto 5; foto 6;
Veel nachtvlinders hebben mooie schutkleuren en tekeningen op de vleugels waardoor ze minder opvallend zijn overdag. Deze Acronicta psi is daar een voorbeeld van. De vlinder behoort tot de uilenfamilie.
Tot de grote nachtvlinderfamilie van de uilen (Noctuidae) behoort ook de mooie agaatvlinder (Phlogophora meticulosa). De vlekken en banden hebben diverse kleuren, van groenachtig tot geelbruin en oudrose. Het is hier een zeer algemene soort, waarvan de rupsen leven op planten als dovenetel, brandnetel en zuring. Ze kunnen zowel als rups, pop of vlinder overwinteren. Het is bovendien een trekvlinder die vanuit het Zuiden naar onze omgeveving vliegt. In het najaar zijn er dan ook de grootste aantallen. Het zijn daarnaast cultuurvolgers. Je kunt ze daarom zelfs midden in de stad tegenkomen. Hier is de vlinder wat meer van de zijkant te zien en deze foto toont de onderkant van de vleugel.
Het Roesje (Scoliopteryx libatrix) behoort ook tot de grote familie van de uilen. Ze zijn in Nederland en België algemeen. Er zijn meestal 2 generaties, waarvan er één overwintert als vlinder. Ze zitten dan in holle bomen, op zolders en andere plekken waar het redelijk droog is. De rupsen leven merendeels op wilg en populier. Ze zijn grasgroen van kleur. De rups maakt voor de verpopping een cocon van samengesponnen bladeren. De vlinder wordt zowel roesje als roestje (ook wel roestvlekvlinder) genoemd naar de roestkleurige tekening. Kenmerkend zijn ook de witte stippen. Let ook eens op de mooi geveerde antennen. Hier is nog een close-up van de kop.
De Gewone grasuil (Luperina testacea) is niet zo'n opvallende vlinder. Ik trof ze parend aan op de vensterbank van mijn huis. Toen ik ze wilde verplaatsen naar een betere plek voor een foto vloog er een op. Dat had ik dus beter kunnen nalaten, hoewel dat dikwijls zonder problemen gaat. De larven van dit insect leven in grashalmen en overwinteren als rups tussen de graswortels, waar ze in het voorjaar een langgerekt spinsel maken voor de verpopping. Er is slechts 1 generatie per jaar, die te zien is van juli tot en met september.
Bij veel nachtvlinders is het antenne-oppervlak sterk vergroot door veervormige constructies. De mannetjes hebben meestal de grootste antennen. Die hebben ze nodig om de vrouwtjes op te sporen. Een paringsbereid vrouwtje van dezelfde soort scheidt bepaalde hormoonstoffen (feromonen) af die het mannetje op grote afstand kan waarnemen. Ze ruiken dus als het ware door middel van de antennen. Bij bepaalde soorten, bijvoorbeeld nachtpauwogen, kan het mannetje een vrouwtje op die wijze nog opsporen als het 15 km verwijderd is. Die antennen zijn dus heel gevoelige instrumenten.
Deze kleine nachtvlinder zat op de buitenkant van het venster van mijn woonkamer. De foto is dus wat stoffig door vervuiling op het glas, want de foto is gemaakt van binnenuit. De bovenkant van de vlinder is iets donderder met enkele breedtestrepen. Het gaat om de Gepluimde spanner (Colotois pennaria). In 2006 kon ik een aardige foto van de voorkant van deze soort maken. Deze vlinders zijn pas in het najaar actief. Ze zijn niet kieskeurig en hebben zeer veel geschikte waardplanten, zoals boswilg, haagbeuk, zomereik, sleedoorn en vele andere. Daarop leggen ze dus de eitjes en in dat eistadium overwinteren ze. Pas in het voorjaar komen de rupsjes uit als de bomen weer blad gaan maken.
Op verlichte vensters komen 's avonds dikwijls vlinders af en soms blijven ze er op zitten tot de volgende dag. Deze Xanthorhoe fluctuata behoort tot de spanners. De rupsen hebben pootjes aan de voor- en achterzijde en verzetten bij het lopen steeds het achterlijf tot aan de voorpoten, om daarna de voorkant te verplaatsen. Dat kunnen ze heel snel. De rupsen van deze soort leven op kruisbloemigen, zoals koolsoorten.
Als de vlinders op een raam zitten heb je ook de mogelijkheid om de onderkant van de vlinder goed te zien (als het raam niet te vuil of te bekrast is).
Hier is nog andere soort die ook op het raam kwam zitten. Het is de Peribatodes rhomboidaria, ook een spanner, die op allerlei loofbomen en houtige gewassen voorkomt. De rupsen leven ook op bijvoorbeeld klimop en clematis. De insecten overwinteren als rups. Dit is de onderkant van de vlinder.
Ook deze spanner zat op een raam van mijn huis. Het is de Epirrhoe alternata, die vrij algemeen is. Het is een mooi getekend dier met witte en bruinachtige banden. De rupsen leven op walstro.
In de buurt van mijn woning zitten zo veel soorten spanners, dat ik die niet alle zal beschrijven. Hier zijn nog wel enkele plaatjes:
Groenbandspanner (Hydriomena impluviata)
Gestreepte goudspanner (Camptogramma bilineata)
Klaverspanner (Chiasmia clathrata)
Kleine zomervlinder (Hemithea aestivaria)
Spannerrupsen hebben slechts poten aan de uiteinden van het lichaam en dus geen buikpoten zoals bij een normale rups. Een voorbeeld daarvan is de eerder getoonde rups van de Hagedoornvlinder. Ook de Egale dwergspanner (Eupithecia absinthiata) behoort tot die groep van nachtvlinders. Van deze soort waren eind augustus 2006 diverse exemplaren aanwezig in mijn bloementuin op Aster frikartii. Om zich te verplaatsen moet de rups zich dus op een bijzondere manier bewegen.
De Amphipyra pyramidea (uilenfamilie) is bij mij in begin augustus redelijk talrijk aanwezig. Ze zitten overdag graag wat in het donker. Aan mijn huis zitten raamluiken. Daarachter zitten meestal een aantal exemplaren van deze wat grotere nachtvlinders. De rupsen van deze soort leven op diverse loofbomen en struiken. Als de vlinder wordt verstoord en opvliegt, zijn de oranje ondervleugels te zien. Het zijn mooie vlinders met een opvallend donker gesterd licht oog midden op de voorvleugelbuitenkant. Daaronder zit een donkere vlek, die als een traan uit het oog loopt. Mogelijk is de naam niet geheel correct en betreft het A. berbera. Hier is nog een ander exemplaar dat meer de kenmerken van A. pyramidea heeft, waarbij de kleuren wat meer grijsbruin zijn en de tekening wat nadrukkelijker.
Hier is nog een zomerse nachtvlinder van een redelijk groot formaat, die ook een mooi oog op de voorvleugels heeft, juist andersom dan bij de vorige soort: donker omrande grote witte stip. Het is het vrouwtje van de Hageheld (Lasiocampa quersus). De mannetjes zijn veel donkerder. De rupsen van deze vlinder leven vooral op braam, meidoorn en heide. Heide is bij mij in de buurt geheel afwezig. De andere waardstruiken zijn er volop. De rupsen zijn kennelijk niet zo kieskeurig, want ik vond deze rups van de Hageheld in mijn tuin op els (10 juni 2006). Het was een grote rups van 6,5 cm lengte. Deze soort overwintert als rups. Het bijzondere van deze nachtvlinder is, dat de mannetjes overdag vliegen.
Ze behoren tot de zg. spinners. De vlinders van de spinners zijn niet zo uitbundig gekleurd, maar de rupsen zien er soms prachtig uit, bijvoorbeeld de rups van de Ringelrupsvlinder (Malacosoma neustria).
Een andere grote spinner is de Rietvink. Ik zag dit exemplaar in de buurt van de kerncentrale Borssele. Het was een vrouwtje dat al wat afgevlogen en beschadigd was.
Veel vlinders zijn gebonden aan bepaalde waardplanten. De brandnetel is een heel belangrijke voor diverse soorten. Andere zijn gespecialiseerd op geheel andere planten. De Astermonnik (Cucullia asteris) heeft bloeiende asters nodig om de eitjes op af te zetten. De rupsen eten de bloemblaadjes. Meestal parasiteren ze op zeeaster, doch ook andere vroegbloeiende asters zijn geschikt. In mijn tuin staat de mooie Aster frikartii en daarop zitten ieder jaar een aantal rupsen van deze monnik, die tot de uilenfamilie behoort. De cucullia's zijn merendeels saai grijs gekleurde nachtvlinders, die wat op een monnik lijken als ze stil zitten. Zie ook de volgende vlinder op deze site. De rupsen zouden aan het eind van de eetperiode enigszins de kleur van de bloemblaadjes aannemen als waren ze er in doordrengd. Het zijn schitterend gekleurde rupen tot maximaal ongeveer 5 cm lengte met 3 paar voorpoten, 4 paar buikpoten en een naschuiver. Let ook eens op de fraai gevlekte kop. Hier is nog een foto van een ander exemplaar te zien en een foto van de voorkant kop. Op die laatste foto zijn enkele onderdelen van de kop hier van een nummer voorzien.
Het jaar 2004 was voor de natuur een zeer vroeg jaar. Waarschijnlijk was de relatief zachte winter de oorzaak. Deze monnik (Cucullia chamomillae) wordt ook wel kamillevlinder genoemd, omdat de rups op die planten leeft. Deze vond ik in mijn tuin op 8 mei. Het is overdag een zeer traag dier, dat zelfs gemakkelijk verplaatst kan worden. Het vertrouwt op zijn schutkleur en pas bij ernstig verstoren vliegt het op. Hier is de vlinder vanaf de zijkant te zien. Om het diertje wat actiever te krijgen om er wat meer van te zien, heb ik het wat geplaagd. Het vloog op en landde op mijn broekspijp. Daar liet het de lange voelsprieten zien, die eerder onder de vleugels werden gehouden. De vlinders zijn erg wollig en lijken goed tegen de kou te kunnen. De poppen overwinteren in de grond.
Een zeer algemene nachtvlinder (van de uilenfamilie) die je overdag in rust kunt tegenkomen is het Huismoedertje (Noctua pronuba). Pas op het moment dat deze vlinder verstoord wordt, komt de oranje-gele ondervleugel met zwarte band in beeld. Ze zijn wat variabel in kleurintensiteit, doch de mannetjes zijn meestal het donkerst. Het zwarte vlekje bij de voorvleugeltop is altijd aanwezig en ook hier op de foto te zien. Ze gebruiken de felle kleurcontrasten om belagers af te schrikken. Ze laten die kleuren in een flits zien en laten zich ook wel plotseling op de grond vallen. De rupsen leven van zeer veel verschillende kruidachtige planten. Ze verpoppen in de grond. Een pop heb ik in een geventileerde pot onder wat matig vochtige aarde bewaard en 2 weken daarna (juni) kwam de vlinder uit. De poppen zijn roodbruin van kleur, met een scherp puntje. Dit was de vlinder die er uit kwam. De rupsen van deze vlinder worden soms geparasiteerd door de sluipwesp Amblyteles armatorius.
Sommige nachtvlinders vliegen overdag. Een bijzondere soort, die in Nederland slechts zeer spaarzaam wordt waargenomen, bezocht in juni 2006 mijn tuin. Het is de Vlekdaguil (Heliothis peltigera), een trekvlinder met een grootte van 30 mm, die bij warm weer naar het Noorden trekt. De vlinder bezoekt overdag bloemen om te foerageren.
Sommige rupsen maken mooie poppen. Deze is van een vlindertje uit de uilenfamilie, namelijk de Orthosia gothica. Als de rups volgroeid is maakt deze een pop in de grond en na verloop van enige tijd komt de vlinder tevoorschijn. Let eens op het omgebogen puntje van de pop. Hier is de pop nog eens van een andere kant te zien. Dit is de rups van deze vlindersoort.
Dit Donker halmuiltje (Oligia latruncula) plant zich voort in diverse soorten grashalmen, waarin de larven voedsel vinden. Er is slechts 1 generatie per jaar. Gras is er bij mij in de buurt in overvloed, maar toch zag ik ze niet eerder. Het is een onopvallend motje met een goede schutkleur. Bij nader bekijken geven de roestkleurige vlekken samen met de andere kleuren een bijzonder kleurenpalet. Het beestje viel op, omdat het een aardbei in mijn moestuin had gevonden om op te rusten of mogelijk wat suikers op te nemen. Ze komen op licht af en ook op smeer van rotte bananen en worden op die wijze 's nachts geïnventariseerd.
Een zeer bijzondere vlindersoort betreft de zogenaamde Zakdragers (Psychidae). Het zijn vreemde wezentjes en ze doen op het eerste gezicht bepaald niet denken aan een vlindersoort. Deze aparte vlinderfamilie is genoemd naar de wijze waarop de rupsen (en vrouwelijke imago's) zakjes van gesponnen draden met allerlei rommeltjes en vezeltjes maken, waarin zij het achterlijf bedekt houden. Ze zijn erg klein (3 mm) en vallen niet erg op. Dit is de Luffia lapidella. De vrouwtjes hebben geen vleugels. De mannetjes vliegen ook wel overdag, maar schijnen in onze streken zeer schaars te zijn. Deze vlindersoort plant zich bij ons meestal ongeslachtelijk voort: de zogenaamde parthenogenese. De vrouwtjes geven via onbevruchte eitjes alleen vrouwtjes, die weer hetzelfde doen. Deze wijze van voortplanten komt bij diverse diersoorten voor, bijvoorbeeld ook bij sommige kevers.
Een vergelijkbare situatie is die van het aquariumvisje 'Guppy'. Dat zijn eierlevendbarende visjes, die bij gebrek aan mannetjes uiteindelijk toch nakomelingen voortbrengen, namelijk alleen vrouwtjes. Onder andere bij zoogdieren en vogels is het zo dat een onbevrucht ei niet tot leven kan komen. Bij insecten als deze zakdragers levert het dus nieuwe vrouwtjes op. Bij hommels en bijen geven de bevruchte eitjes vrouwtjes en de onbevruchte mannetjes. De natuur is dus erg divers.
Als imago eten beide seksen niet meer. De rupsjes eten algjes en mosjes op muren en stammen. Bij mij zitten ze graag op de Zuid-muur van mijn huis, wel een paar honderd tegelijkertijd. Hier loopt een zakdragerrups op een muur en laat iets zien van de pootjes en de kop. Soms zitten ze ook op het vensterglas. Dan is het dus mogelijk om van binnenuit foto's te maken, zodat de onderkant zichtbaar wordt: foto 1, foto 2.
Er zijn in onze omgeving enkele tientallen soorten zakdragers. Op bladeren van allerlei planten en heesters kun je ook een soort aantreffen die kleine stokjes en halmpjes aan elkaar spint als bescherming. Dat is meestal de zakdrager Psyche casta, die vrij algemeen voorkomt. Alleen de mannetjes zijn gevleugeld. Hier is er nog een ander exemplaar van te zien.
De familie van de Kokermotten (Coleophoridae) lijkt op de zakdragers, maar het is een aparte groep. In Nederland zijn er ongeveer 100 soorten. De larven maken met behulp van spinsel een kokertje van een stukje blad. Daarin verplaatsen ze zich over het blad om te eten. Het exemplaar van deze foto zat op elzenblad in mijn tuin. Hier is een stukje van de larve te zien vanaf de bovenkant en vanaf de zijkant.
De Sint-Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) is het meest te zien in gebieden waar het Jacobskruiskruid groeit. Dat is immers de waardplant van deze vlinder. De soms talrijke rupsen kunnen de planten geheel kaal vreten. De vlinders vliegen zowel 's nachts als overdag. Ze zijn schichtig en lastig op de foto te zetten. De donkere bovenvleugel heeft langs de voorrand een rode streep en aan het eind 2 rode vlekken; de ondervleugels zijn merendeels rood. Ze lijken op het eerste gezicht wel wat op de Sint-Jansvlinders, die deze kleurtekening ook hebben, maar niet die rode band, maar in totaal 6 rode stippen. De Sint-Jacobsvlinders vliegen omstreeks mei en de Sint-Jansvlinders in de maand juli.
De Sint-Jansvlinders (Zygaena filipendulae) vliegen overdag en zijn veel minder schichtig. Ze laten veel toe. De Sint-Jansvlinders vormen een aparte familie (Zygaenidae) onder de orde van de Lepidoptera (vlinderachtigen). Je zou ze als dagvlinders kunnen beschouwen. Ik heb ze hier gezet vanwege de gelijkenis met de Sint-Jacobsvlinders.
Hier zijn nog wat extra foto's van deze fraaie vlinders: foto 2; foto 3; foto 4.
Dit is de rups van de Donsvlinder (Euproctis similis). Het is een mooi gekleurde rups met lange haren. Ze leven op allerlei loofhout. De vlinder is merendeels crème-wit gekleurd. Dit exemplaar zat op eglantier en at de rozenbloemblaadjes.
De groep pijlstaartvlinders is redelijk groot met zeer fraaie soorten, waarvan sommige met bijzonder gedrag. Op deze foto de lindepijlstaart (Mimas tiliae), die als volwassen insect geen voedsel opneemt. Ze hebben daarom ook geen tong. De vlinder is dus alleen bezig met de voortplanting en leeft op de als rups opgebouwde reserves. Ze kunnen zeer verschillend van kleur zijn. Dit exemplaar is meer groenachtig, wat de meest voorkomende kleur is van deze soort. Pijlstaartvlinders behoren tot de nachtvlinders, maar sommige daarvan zijn ook overdag te zien.
De rups van de lindepijlstaart is wat variabel van kleur. Meestal overheersen groenachtige tinten en verkleurt de rups naar bruin of vleesklerig als hij volgroeid is en klaar is om een plek te zoeken voor het verpoppen in de grond. Dit exemplaar is kennelijk al zo ver gevorderd. De meeste pijlstaartrupsen zijn te herkennen aan de doorn op het achterlijf. Deze heeft een fraaie blauwgekleurde doorn die er vervaarlijk uitziet, maar het is slechts schijn. Het zijn vrij grote naakte rupsen. Dit exemplaar was ongeveer 8 cm lang en klaar om te verpoppen. Dit is de ruim 3 cm lange pop van de lindepijlstaart.
Een grote pijlstaartvlinder - geen trekvlinder - is de Ligusterpijlstaart (Sphinx ligustri). Deze wordt overdag in Nederland regelmatig gezien, zelfs midden in de stad. Door de rode kleuren op het achterlijf kan deze soort gemakkelijk verward worden met de Windepijlstaart, die een trekvlinder is. De Ligusterpijlstaart is minstens even groot met een vleugelspanwijdte tot ruim 12 cm en heeft een donkere, bijna zwarte beharing op de bovenkant van het borststuk. Ook de brede donkere baan met lichte rand bij de achterzijde van de voorvleugel is kenmerkend voor deze soort. Deze heeft een lange roltong die gebruikt wordt bij het bloembezoek. De rupsen van deze vlinder leven onder andere op liguster, sering, es, sneeuwbes en vlier. Ze zijn er vanaf begin juli tot in het najaar en overwinteren dan als pop in de grond, tot wel 30 cm diep. Hier is nog een close-up van de kop te zien.
Tot de pijlstaartvlinders behoort ook de kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum). De vlinder wordt ook wel meekrapvlinder genoemd, omdat deze soort daarop vroeger dikwijls te zien was. Meekrap wordt echter bijna niet meer verbouwd. De vlinder is in Nederland dikwijls een trekvlinder. Overwinteren kunnen ze hier niet. In tegenstelling tot de meeste andere pijlstaarten, vliegen ze overdag. Ze hebben een zeer lange roltong om - al vliegend - nectar te zuigen. Bij mij in de tuin bezoeken ze vooral Phuopsis stylosa en Verbena bonariensis. De rupsen van deze soort leven op walstro, waartoe ook de Crucianella behoort. In september 2006 vond ik 5 rupsen van de kolibrievlinder op deze plant: foto 1, foto 2.
Als de vlinder een rustplaats kiest op verdord blad blijkt deze een redelijke schutkleur te hebben.
Voor een andere, veel grotere pijlstaartvlinder, die ook als een kolibrie vliegt, maar dan 's nachts, namelijk de Windepijlstaart heb ik een aparte fotopagina gemaakt:
Naar de Windepijlstaart-pagina (Agrius convolvuli)
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Bijen en hommels
Wespen
Zweefvliegen
Overige vliegen
Dagvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven