Bij de honingbij is het verschil tussen koninginnen, werksters en darren goed te zien. Ter vergelijking hier rechts een plaatje waarop ze alle drie te zien zijn. De darren zijn veel breder, hebben een stomp achterlijf (geen angel) en zijn hariger. De vleugels komen door hun lengte net voorbij de achterlijfpunt. Ze hebben ook veel grotere ogen dan werksters en koninginnen. Dat komt ze mogelijk goed van pas bij het vinden van bronstige koninginnen, na eerst via de antennen op de geur af te gaan. De koningin is gemerkt met lak om ze gemakkelijker te kunnen vinden. Merken kan alleen op de bovenkant van de thorax (het borststuk), omdat daar geen tracheeën (ademkanaaltjes) zijn; die zitten aan de zijkanten.
Op dit plaatje zijn links van de koningin ook enkele cellen te zien met eitjes (witte staafjes) en cellen met larfjes en voedersap.
Kijk voor meer plaatjes van honingbijen op mijn uitgebreide imkersite of op de fotopagina honingbij.
Inzake de morfologie van de honingbij kan een uitvoerige pdf-file worden bekeken.
Tot de orde van de Hymenoptera behoort ook de grote familie van de bij-achtigen (Apidae). Wereldwijd betreft dat zo'n 20.000 soorten. Daartoe behoren zowel de hommels als de bijen. Het is een misverstand dat hommels daartoe niet zouden behoren en daarom staan ze hier op dezelfde web-pagina als bijensoort. Binnen de Apidae zijn er allerlei leefwijzen, zowel sociaal, solitair als tijdelijk sociaal, zelfs nog met enige tussenvormen.
Hommels overwinteren solitair (alleen koninginnen) en leven tijdens de voortplantingstijd sociaal in een door de koningin gestart broednest. Dat doen enkele wespensoorten overigens ook zo, maar die behoren niet tot de Apidae. Honingbijen leven altijd sociaal, dus zij overwinteren als geheel volk net zoals bijv. de mieren dat doen. Veruit de meeste bijensoorten leven anders dan de hommels en honingbijen, namelijk solitair. Soms wordt wel in groepen genesteld, maar dan zonder samenwerking. Soms is er wél enige samenwerking bij enkele soorten of een leefwijze die enigszins sociaal genoemd zou kunnen worden.
Aardhommels (Bombus terrestris) zijn in mijn buurt, maar waarschijnlijk in heel Nederland, de meest algemene soort. Ik houd ze ook dikwijls in nestkasten voor de aardigheid en om ze nader te bestuderen.
Kijk voor meer informatie over hommels op mijn aparte hommelsite, die toelichting geeft op het leven van de hommel, de voortplanting, diverse parasieten en het houden van hommels in speciale nestkasten.
Op de foto rechts is de binnenkant van een hommelnest blootgelegd. Het nestmateriaal is hier even verwijderd voor de foto. Daarop is te zien dat sommige van de urntjes open zijn en andere cellen verzegeld. In de lichtgekleurde gladde bolletjes (cocons) bevinden zich larven, die verpoppen tot het imago (volwassen insect). Dit is het nest van een aardhommel. Hommels bouwen zeer slordig. Er is weinig tot geen structuur te onderkennen in de bouw van de cellen. Honingbijen zijn daarin juist het tegendeel: die maken strak naast elkaar hangende raten, alle op dezelfde middenafstand van 35 mm. Hommels moeten ook het geheel warm houden, net als honingbijen. Het broed heeft ca. 30º C nodig (honingbijen ca. 34º C). Zij kunnen door gebruik van de suikers uit de nectar warmte opwekken door trillingen. Ook de hommelkoningin, die na de winter alleen begint, doet dat dus. Dat is een topprestatie.
Als een hommel tijdelijk niet kan vliegen door bijvoorbeeld te lage temperatuur of gebrek aan energie, gaat ze dikwijls op de rug liggen ter verdediging. Het achterlijf met angel wordt dreigend getoond en de poten maken grijpbewegingen. Deze aardhommel is daar een voorbeeld van. Op deze foto is ook te zien, dat de onderkant van het achterlijf van een koningin vrij kaal is. Dat is nodig om te kunnen broeden en dus de opgewekte warmte zo direct mogelijk te kunnen doorgeven aan het broed.
Als aan het eind van een hommelbroednest nieuwe koninginnen worden aangemaakt, worden ook onbevruchte etjes (meestal van de werksters) tot mannetjes opgekweekt. Ze moeten immers beschikbaar zijn in de eerste weken na de uitkomt van de jonge koninginnen. Mannetjes zijn soms wat afwijkend van kleur, zoals bij de steenhommel, maar ze zijn te herkennen aan het meer pluizige uiterlijk. Vooral bij mannetjes weidehommels valt dat op. De foto die hiernaast staat is die van een mannetje aardhommel (Bombus terrestris). In de loop van de zomer zie je ze regelmatig op bloemen foerageren. Eerder, in de voortplantingstijd, hebben ze het druk met patrouilleren. Ze vliegen meestal vaste routes en proberen zo een bronstige jonge koningin op te sporen.
Mannetjesbijen en -hommels (ook veel mannetjeswespen) zijn ondermeer te herkennen aan het aantal antennesegmenten. Mannetjes hebben 13 segmenten; vrouwtjes 12. Dat is in het veld niet te zien, maar bij een close-up-foto wordt het duidelijk. Het eerste segment van de antenne is het lange begindeel, de schacht (scapus). Dan volgt het korte scharniersegment (pedicellum) en daarna de overige segmenten (flagellomeren).
Hommels paren niet vliegend in de lucht, zoals bij de honingbij, maar op de grond of op planten. De jonge koningin wordt in de eerste weken van haar leven bevrucht en start pas het volgend voorjaar een nieuw volkje. Zij overwintert solitair en niet, zoals bij de mieren en honingbijen, in een kolonie. Alle werksters en darren sterven voor de winter, zoals dat ook bij de wespen gebeurt. Hier doet een tweede mannetje pogingen om ook te paren.
De weidehommel (Bombus pratorum) is een kleinere soort die in Nederland algemeen voorkomt. De koninginnen daarvan vliegen in mijn omgeving redelijk vroeg in het voorjaar, ook volgens de literatuur. Ik zie ze echter meestal iets later dan de aardhommel. De aanwezigheid van jonge koninginnen in de eerste helft van juni moet echter wel duiden op een vroeg gestart broednest. De koninginnen hebben duidelijke kleurbanden. De werksters van de Weidehommel zijn nogal eens afwijkend van kleur door een ontbrekende gele band op het 2e achterlijfsegment, waardoor verwarring met andere soorten goed mogelijk is. Hier is een normaal gekleurd exemplaar te zien op een kruisdistel. De mannetjes zijn herkenbaar aan het vele geel aan de voorkant. Ze zien er wat pluizig uit.
De akkerhommel (Bombus pascuorum) vliegt reeds redelijk vroeg in het voorjaar. Het is een kleinere soort, die lang in het seizoen doorgaat met het onderhouden van een broednest, wel tot in september. Veel andere hommelsoorten stoppen al na juni. Deze hommel behoort tot de soorten met een lange tong, relatief langer dan bijvoorbeeld de aardhommel. Een lange tong maakt dat bepaalde bloemen beter toegankelijk zijn. De soorten met lange tong hebben gemeen dat ook het broednest iets anders wordt georganiseerd. Deze hommelsoorten noemt Von Hagen 'Pocketmaker'; de andere zijn 'Pollenstorer'. De pockets zijn aparte tas-achtige cellen aan de randen van het broednest, die speciaal bedoeld zijn voor voedselopslag. Bij de andere soorten wordt stuifmeel opgeslagen in alle cellen die toevallig leeg staan, dus ook in broedcellen zoals bijvoorbeeld bij de aardhommels. Het nest van de akkerhommels ligt dikwijls gewoon op de grond in een hoopje mos. Bij mij zitten ze soms op de grond onder de klimop tegen een muur. Daar zitten ze droog. Ik heb ze ook al eens in een oude bloempot gehad. In de nazomer kun je ook mannetjes van deze soort tegenkomen.
De akkerhommel heeft bruine of roodbruine beharing op de thorax. Ook de punt van het achterlijf is meestal bruin en de rest zwart, maar de kleur is zeer variabel. De gehele hommel kan lichter of donkerder zijn; soms is de beharing op het achterlijf spaarzaam aanwezig, zodat de chitinehuid zichtbaar is. De akkerhommel lijkt wat op de boomhommel, doch die heeft een duidelijk wit behaarde punt aan het achterlijf.
De steenhommel (Bombus lapidarius) heeft een prachtig steenrood einde van het achterlijf en is verder geheel zwart, althans de vrouwtjes. Mannetjes van deze hommelsoort hebben ook nog geel op het borststuk en de kop. Het is een grote hommel, ongeveer even groot als de aardhommel, en het zou ook een vroege hommel zijn. Dat is bij mij in Zeeland nooit het geval. Ik zie ze meestal pas na half april. Ze zijn goed te houden in nestkasten.
De Tuinhommel (Bombus hortorum) is meestal wat later in het voorjaar pas aanwezig. Ze broeden meestal op de grond in een hoopje mos of iets dergelijks. Ze lijken in de kleurstelling op een aardhommel, maar hebben een extra gele band aan het eind van het borststuk. Ook de kleine tuinhommel (Bombus jonellus), die iets kleiner is, lijkt er op, maar die heeft roodbruine korfharen, terwijl de B. hortorum zwarte heeft. Op de foto is dat niet duidelijk te zien. Hier is een tuinhommel (mannetje) te zien die net de vacht heeft gepoetst na bloembezoek. Hier bezoekt een koningin de gele monnikskap (19 mei 2009).
Het is daarom ook voor iedere liefhebber mogelijk deze insecten dicht bij huis, ja zelfs op een balkon te hebben. Het zijn angeldragende insecten, maar ze steken pas als je ze vastpakt en de steek stelt niet veel voor, dus dat is geen probleem. De steek lijkt op een licht hommelprikje. Dat bleek me toen ik een vrouwtje wilde ontdoen van mijten en het bijtje het oppakken niet waardeerde. De steek van wespen en honingbijen is vele malen venijniger.
De vrouwtjes hebben het heel wat drukker dan de mannetjes. Het is in de natuur dikwijls onevenredig verdeeld wat het werk betreft. Zij doen al het werk alleen. Zo zoeken ze een geschikte nestholte, verdedigen die tegen belagers en soortgenoten, verzamelen stuifmeel en wat nectar, en bouwen de nestgangen dicht met een soort cementspecie.
De Osmia rufa brengt het stuifmeel naar het eind van de nestgang. Als er voldoende ligt gaat zij achterstevoren de nestgang in en legt een eitje, dat vrij spoedig uitkomt en de larve ligt midden in zijn voer. De moederbij maakt met grond en kliersecreties een soort metselspecie voor de fabricage van een schotje en maakt zo de cel dicht. Ze herhaalt die acties tot de nestpijp vol is. Er kunnen dan wel meer dan tien cellen achter elkaar liggen. Per cel wordt ongeveer 1,5 cm van de nestgang gebruikt. De laatste cel grenst aan de buitenlucht en wordt goed dicht gemaakt met dezelfde metselspecie. Pas in april van het volgende jaar komen de nieuwe insecten en herhaalt zich de cyclus.
Kaardenbol heeft stekels, die gemakkelijk te verwijderen zijn door met een mes of snoeischaar er overheen te schrapen. Een goed alternatief voor kaardenbol is bamboe van de juiste binnen-afmeting, maar dat is duurder, want kaardenbol behoeft niets te kosten. U kunt echter ook de oude stengels van gewoon riet en harig wilgenroosje proberen.
Ook is het uiteraard mogelijk om in een dik stuk hout gaten van de juiste doorsnede te boren. Ik heb dat ook wel gedaan met succes, maar de diepte was beperkter door de boorlengte. Dat is voor het insect overigens geen echt probleem, want een kortere gang is ook prima.
Er zijn ook andere zeer slanke, praktisch geheel zwarte, insecten actief, waarvan ik exemplaren met nestmateriaal of prooi tussen de kaken in de smalste pijpjes binnen zag gaan. Ze zijn ongeveer 8 tot 12 mm lang. Ik zag er enkele tientallen tegelijk bij en in de nestpijpen van begin mei tot eind juni. Ze zijn zeer beweeglijk en moeilijk te fotograferen. Het zijn graafwespen van de soort Trypoxylon figulus. Zie verder bij de wespenpagina.
De koekoekshommel die als nestparasiet optreedt bij de veldhommel (Bombus lucorum) is de tweekleurige koekoekshommel (Bombus bohemicus). Die koekoek lijkt wat op de aardhommel, maar dan zonder de gele band op het achterlijf. Het geel op de thorax is ook meer geelbruin dan oranjegeel.
De koekoekshommel zoekt een geschikt nest op van de waardhommel. Ze dringt daar voorzichtig naar binnen en probeert de geuren van het nest zelf ook te krijgen. Als ze wordt aangevallen door de werksters zal ze die pareren met een dodelijke steek. Zelf is ze daarvoor minder aantastbaar, want haar chitinepantser is relatief dikker. Ze zal de veldhommel-koningin doodsteken en het nest overnemen en zal ook niet toestaan dat de werksters zelf gaan leggen om darren te kweken, want ook de darren worden door haar geproduceerd. De veldhommelwerksters staan dus daarna geheel in haar dienst en omstreeks juni verschijnen de jonge koekoekshommelkoninginnnen (werksters zijn er niet van die soort) en de darren, die uit onbevruchte eitjes worden geboren. De paring geschiedt in de eerste weken daarna en de koninginnen zullen solitair overwinteren en in het voorjaar de cyclus opnieuw starten.
De vrij grote sachembijen (Anthophora plumipes) zien er met hun dikke beharing en brede lijf wat hommelachtig uit. Ze zijn vrij vroeg in het seizoen al te zien, zo vanaf de 3e week van maart. Ze vliegen bij mij in de tuin graag op longkruid, zowel de mannetjes als de vrouwtjes. Het mannetje, waarvan de eerste foto een close-up van de kop laat zien, heeft aan de middelpoten opvallend lange haren aan de tarsen. Een sachem is een indianenhoofdman en daar is dus de Nederlandse naam aan ontleend. Je kunt ook aan de antennen zien dat het een mannetje is. Die hebben 13 leedjes, te beginnen met tellen bij de lichtkleurige schacht; vrouwtjes hebben 12 leedjes. De vrouwtjes sachembijen verzamelen stuifmeel aan de achterschenen en nestelen in allerlei holtes. Er is slechts 1 generatie per jaar. De vrouwtjes hebben niet die lange haren aan de middenpoten, maar natuurlijk wel veel haren aan de achterschenen, zoals op deze foto te zien is. Hier is nog een close-up van de kop van een vrouwtje. De kop ziet er wat anders (veel donkerder) uit dan die van het mannetje.
Een zeer vroeg in het jaar reeds actieve bij is de zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella). Ze komen al uit vanaf begin maart. Bij temperaturen van krap 10° C. en hoger kun je ze bezig zien. Ze vliegen voornamelijk op de vroeg bloeiende Boswilg. Bij gebrek daaraan zullen ze ook wel eens andere bloemen bezoeken, zoals Klein hoefblad. Op de broedplek in de Braakman, waar ik ze fotografeerde staan er na een herinrichting van het terrein nu (2008) nauwelijks nog wilgen op goede vliegafstand. Ze moeten er dus vrij ver voor vliegen: meer dan 500 meter. Om de broedplek te behouden zou het nuttig zijn er wat in de buurt bij te planten. Bij de herinrichting van het terrein is de plek zelf (om die reden) gespaard, maar dan moeten de omstandigheden natuurlijk verder niet drastisch achteruitgaan. Deze bijen nestelen in kolonies met een grootte van enkele vierkante meters, graven gangen in de grond voor hun broedcellen en hebben slechts 1 generatie per jaar. Toen ik er een bezoek aan bracht voor deze fotoreeks waren er ongeveer 30 mannetjes en 5 - 10 vrouwtjes achtief.
Deze bijen zijn vrij groot (vr. 15 mm; man 11 mm) en ze hebben mooie kleuren, vooral de vrouwtjes. Naast de kleur van het borststuk is de opvallend rossige beharing van de verzamelharen aan de achterpoten van belang voor een gemakkelijke herkenning. De rest van het dier is zwart en dat verklaart de Nederlandse naam. De haren op de zijkant van het borststuk en op het kopschild zijn donkergrijs. Het zijn rustige bijen, die gemakkelijk op je hand willen lopen, zeker als het nog koud is, want die warmte vinden ze prettig. Een mannetje doet hier (2009) hetzelfde. Hier is nog een andere foto van hetzelfde exemplaar.
Ik zag ze ook parend, maar je moet wat geluk hebben bij het fotograferen, want meestal ziet het er zo uit, erg rommelig dus. Na de paring zal het vrouwtje een nestgang uitgraven. Dit exemplaar is daarmee bezig. De Andrena clarkella's hebben een voorkeur voor beschutte bospaden, die voldoende zonnig zijn. Andrena clarkella wordt geparasiteerd door de vrij zeldzame koekoeksbij Nomada leucophthalma (Ned.: vroege wespbij).
De mannetjes zijn wat eenvoudiger van kleur. Hier zijn nog enkele foto's van mannetjes (de laatste met een kop-close-up): foto 7; foto 8; foto 9; foto 10; foto 11.
Tot slot nog wat foto's van vrouwtjes: foto 12; foto 13; foto 14; foto 15; foto 16.
In de buurt van de kolonie Andrena clarkella ligt op wat meer open terrein ook een grote kolonie van de grijze zandbij (Andrena vaga), een vrij forse solitaire bij. Ze graven hun broedgangen op een pad over een lengte van circa 30 meter. De mannetjes patrouilleren ijverig om vrouwtjes aan de haak te slaan en rusten af en toe even uit. Dit is een bij die vanaf eind maart tot laat in april actief is. De vrouwtjes hebben een mooie donzige grijze beharing op de thorax-bovenkant; de mannetjes zijn goed herkenbaar aan de witte beharing op de voorkant kop. Hier zijn ze parend te zien; op dit plaatje probeert een tweede mannetje ook te paren, maar dat zal niet lukken.
Ik zag in de kolonie ook de koekoeksbijen (Nomada lathburiana) van deze soort. Diverse vrouwtjes speurden naar geschikte broedcellen om hun eitjes te leggen. De Andrena vaga-vrouwtje proberen deze parasitaire bijen wat te slim af te zijn door de nestgangen bij het verlaten steeds dicht te maken. Bij aankomst met stuifmeel moeten die dus eerst weer open worden gemaakt en ik zag dat ze soms moeite hadden om het begin van de gang weer terug te vinden. Als het koud is laten ze zich graag even opwarmen op een hand. Onderstaand nog wat foto's van met stuifmeel beladen vrouwtjes die de nestgang zoeken.
foto 4; foto 5; foto 6; foto 7.
Ook tot de vroege soorten Andrena's behoren de bijen van de zg. Helvola-groep. Het zijn bijen waarvan de mannetjes een duidelijk afstaande kaakdoorn hebben. Ze vliegen op vroeg bloeiende wilgen. Tot deze groep behoren onder andere Andrena helvola, praecox, varians en deze Andrena mitis (Ned.: lichte wilgenzandbij). Het zijn wat lastig te determineren dieren en vanaf foto is dat meestal onmogelijk, want ze zien er praktisch gelijk uit, met de normale kleurverschillen, die ook door leeftijd ontstaan. Daar moet de microscoop dus aan te pas komen. Dat heeft voor mij Jan Smit gedaan, die een expert is op het gebied van bijen en plooivleugelwespen. De mannetjes zien er wat pluizig uit. De vrouwtjes (determinatie van dit exemplaar ook door Jan Smit) zitten wat strakker in de beharing en hebben ook veel meer kleur. Vanaf de voorkant gezien lijkt het vrouwtje een lichte verdikking aan de zijkant van de kaak te hebben, waar dat bij het mannetje een puntige doorn is. Wat de functie van die doorn is, is mij niet bekend. Op de plek van deze soort waren diverse vrouwtjes Nomada ferruginata actief, die er vermoedelijk op parasiteren.
De zandbijen waarvan de mannetjes een zijdoorn aan de kaken hebben, worden meestal genoemd als behorend tot de zg. helvolagroep. Naar deze valse rozenzandbij (Andrena helvola) wordt de groep dus genoemd. De Nederlandse naam lijkt wat vreemd, maar er is ook nog de 'gewone rozenzandbij' (A. fucata), die er erg veel op lijkt. Ze lijken overigens ook sterk op A. mitis en A. varians. Verwarring over de soortnaam vanaf foto is dus goed mogelijk. Ook met A. praecox is verwarring niet onmogelijk, maar die is wat slanker en heeft bovenop de kop donkere beharing. De vrouwtjes van Andrena helvola hebben mooie kleuren; de mannetjes zijn slechts grauw van kleur.
Een bij die zeer vroeg in het jaar al actief kan zijn is de vroege zandbij (Andrena praecox). De vrouwjes zijn ongeveer 10-11 mm lang; de mannetjes 9-10 mm. Van Andrena mitis onderscheiden de vrouwtjes van deze soort zich door onder andere de donkere beharing op de kop net achter de antennen en door de veel ruimere beharing op de eerste 3 tergieten van het achterlijf. Ze behoren ook tot de zg. Helvola-groep en de mannetjes hebben dus een zijtand aan de kaak, net onder het oog. Verder zijn het pluizige beestjes met een lichte beharing op het kopschild.
Deze bijen worden geparasiteerd door de fraaie geelschouderwespbij (Nomada ferruginata), zie verder de aparte pagina over koekoeksbijen.
Af en toe ga ik graag eens kijken in het natuurgebied Braakman-Noord te Terneuzen. Het is in de eerste jaren van de 21e eeuw voor een zeer groot deel opnieuw ingericht en er is ook veel uitgebreid, zodat het imiddels totaal zo'n 500 ha beslaat. Het is een interessant gebied, omdat het tegen de Westerscheldeoever aan ligt en veel soorten de rivier van enkele kilometers breedte niet gemakkelijk oversteken. Je ziet er dan ook dikwijls andere soorten dan in Walcheren waar ik woon.
In het voorjaar en de voorzomer hebben vooral de solitaire bijen mijn belangstelling. Bij bepaalde soorten bijen, zoals de vorige soorten horen ook koekoeksbijen. Dat zijn voor Andrena's de wespbijen (Nomada) en enkele bloedbijen (Sphecodes). Het is leuk om zowel de gastheerbij als de koekoek tegelijkertijd te zien. Al speurend kom je ook wel eens wat anders tegen dat de moeite waard is. Zo vond ik dit mannetje Roodbuikje (Andrena ventralis) op een plek waar ik Nomada's vond die bij een andere zandbij horen. Het Roodbuikje heet zo vanwege de rode buik van het vrouwtje. Het mannetje is herkenbaar aan de witte kleur van de chitine van de clypeus. Op deze foto is dat duidelijk te zien. De vrouwtjes zijn circa 10 mm lang; de mannetjes iets kleiner (8 mm). Deze soort wordt geparasiteerd door Nomada alboguttata en Sphecodes pellucidus. Zie voor parasitaire bijen de aparte pagina over koekoeksbijen.
Hier zijn nog enkele andere foto's van de prachtige vrouwtjes van deze soort: foto 4; foto 5.
Een zandbij, waarbij de mannetjes en vrouwtjes erg verschillend van kleur zijn, is de witbaardzandbij (Andrena barbilabris). Deze bijen hebben aan de wangen mooie lange plukken licht haar, die vooral bij de mannetjes opvallend zijn. Ook aan de dijen van de poten zijn flinke plukken wit haar aanwezig. Het mannetje heeft ook op het kopschild een witte beharing; bij het vrouwtje is dit meer grauwbruin. Het vrouwtje is met haar fel rossig gekleurd borststuk een fraaie verschijning. Ze zijn gemiddeld ongeveer 11 mm lang. Deze bijen nestelen in kolonies van vele tientallen tot een paar honderd. De mannetjes zijn in het begin zeer actief en proberen met ieder vrouwtje dat ze tegenkomen te paren, ook als voor dat vrouwtje een geslaagde paring al achter de rug is. In dat geval is het een soort worsteling, die het karakter heeft van een verkrachting. In deze kolonies is meestal ook als nestparasiet (koekoeksbij) de bleekvlekwespbij (Nomada alboguttata) aanwezig. Dat kunnen er gemakkelijk meerdere tientallen zijn. Niet alleen deze Nomada treedt op als koekoeksbij, maar ook enkele bloedbijen, waaronder de brede dwergbloedbij (Sphecodes crassus). De witbaardzandbijen zijn in de eerste helft van april reeds actief en gaan door tot in mei. Hier gaat de bleekvlekwespbij een nestholte van de witbaardzandbij binnen.
De gewone rozenzandbij (Andrena fucata) vliegt graag op rozen. Ze zijn te zien vanaf half april tot in augustus, maar ze schijnen slechts 1 generatie per jaar te hebben. Het is een slanke bij waarvan de vrouwtjes 12-13 mm lang zijn; de mannetjes meten 8-10 mm. De vrouwtjes hebben een korte zwarte beharing op de laatste tergieten en de eerste tergieten zijn glanzend emailachtig. De bovenzijde kop, de thorax en de eerste tergieten zijn bij een vrouwtje rossig tot okergeel behaard. De kleur heeft ook met de leeftijd te maken, want door de zon worden de haren lichter van kleur.
De mannetjes hebben evenals het mannetje van het vosje (Andrena fulva) op de kaak een zijtand die niet zo ver uitsteekt als bij de mannen van de Helvolagroep, maar toch wel goed zichtbaar is. Het is een uitstulping net onder het oog op de buitenbasis van de kaak, zoals op de eerste foto te zien is. Hier zijn nog wat extra foto's van dit mannetje: foto 2, foto 3, foto 4.
Een andere vrij vroege solitaire bij, die een wat hommelachtig uiterlijk heeft, is het Vosje (Andrena fulva), dat sterk behaard is met felle kleuren. Het is een wat grotere zandbij van zo'n 13 mm lengte. Ze nestelen soms in groepen en zijn overal algemeen in tuinen en parken. Ze vliegen op allerlei bloemen, maar worden dikwijls gezien op ribes, kruisbes en aalbes. Deze zandbijsoort is de gastheer van enkele schitterende koekoeksbijen. Dat zijn o.a. Nomada flava, Nomada panzeri en Nomada signata. Zie voor deze parasitaire bijen de aparte pagina over koekoeksbijen.
Het roodgatje (Andrena haemorrhoa) behoort tot de groep van solitaire zandbijen. Het is een zeer algemene soort, maar ze valt niet erg op. Ze zijn ca. 10 à 12 mm lang. Ze nestelen in de grond, soms in groepjes. Ze zijn actief van maart tot juni. De mannetjes zijn 9 - 10 mm lang, hebben een rossige tot crèmekleurige achterlijfpunt en een crème tot lichtbruin gezicht (det. Jan Smit). Hier is nog een foto van een veel kleuriger mannetje (det. Jan Smit), waarschijnlijk een redelijk vers exemplaar. Door het zonlicht verkleuren oudere dieren. Het gezicht van de vrouwtjes is wit. Ze vliegen op allerlei voorjaarsbloemen, waaronder appelbloesem. Ze worden geparasiteerd door de koekoeksbij Nomada ruficornis (gewone dubbeltand).
Andrena-mannetjes lijken soms erg veel op elkaar. Het mannetje van de viltvlekzandbij (Andrena nitida, det. Jan Smit) heeft bijvoorbeeld iets minder nadrukkelijke viltbandjes op het achterlijf en iets lichtere (minder oranjebruine) poten dan A. haemorrhoa, maar is wel iets groter (ongeveer 12 mm), maar als geheel een beetje saai van kleur. Hier is nog een ander mannetje te zien. Het vrouwtje Andrena nitida is een heel stuk mooier met haar fel gekleurde thorax. Ze is ook wat groter (14 mm). Ze foerageren graag op schermbloemen, zoals de grote engelwortel: foto 1, foto 2.
Veel zandbijsoorten kunnen worden geparasiteerd door het zandbijwaaiertje Stylops melittae, een waaiervleugelige (Strepsiptera). Het zijn endoparasieten met een ingewikkelde levenscyclus. Dit vrouwtje Andrena nitida zit er vrij normaal uit, totdat je het achterlijf krijgt te zien. Dan zie je een uitsteeksel en dat is de parasiet, die in het achterlijf huist en een deel tussen de tergietplaten laat uitsteken. De beschrijving van de parasiet is kort samengevat als volgt:
- Endoparasitaire insecten, mannetjes gevleugeld (alleen ondervleugels), vrouwtjes ongevleugeld.
- Vanaf een bloem hechten de larven zich aan een bij of wesp en gaan mee naar het nest, waar zij zich in het achterlichaam van een geschikte larve boren en daarin vervellen tot een made-achtige larve.
- Voedselopname (bloed) via de wanden van het lichaam.
- Wanneer de gastheerlarve verpopt verhardt een deel van de waaiervleugelige larve en steken ze dit kop-thorax-deel uit tussen 2 tergieten.
- Vrouwtjes hebben bij dat uitsteeksel ook de genitale opening in de vorm van een soort buis.
- De bronst van een vrouwtje duurt slechts 2 uur. In die tijd moet het mannetje haar vinden.
- De paring vindt plaats op de gastheer van het vrouwtje. Het vrouwtje heeft tevoren stoffen afgegeven die de gastheerbij in een trance brengt waarin zij zeer traag is.
- Mannetjes komen in het voorjaar uit door de werking van het zonlicht.
- De larven die in het lichaam van de parasiet worden geboren gaan na verloop van tijd door het buisvormige orgaan naar buiten. Zij zijn dan voorzien van een vorkstaart om zich gemakkelijk te kunnen verplaatsen.
- Ze klimmen tegen een bloemstengel op en zo herhaalt zich de cyclus.
In het zuiden van Nederland komt de wimperflankzandbij (Andrena dorsata) voor. In het noorden zijn ze praktisch afwezig. De Nederlandse naam zal wel afgeleid zijn van de haren die onder de zijkant van het achterlijf opvallend naar buiten uitsteken, hoewel dat bij veel meer soorten zo te zien is, bijv. bij A. angustior. De witte haarbandjes op het achterlijf van de vrouwtjes zijn bij deze soort scherp afgetekend. Het vrouwtje van deze foto is van de eerste generatie, die in april-mei vliegt. Eind juli-begin augustus is er een 2e generatie aanwezig, die voor de overwintering van de soort zorgt. Ze zullen vermoedelijk de winter doorbengen als rustlarve. Dat is het laatste larvestadium. Na de winter verpoppen ze dan en komen vrij snel daarna uit. Ook in mijn tuin komt deze soort voor. Ik zag daar dit mannetje op 7 juli 2011. Het zal wel een 2e generatie-exemplaar zijn. De mannetjes vliegen meestal eerder dan de vrouwtjes bij deze soorten. De mannetjes zijn ongeveer 7-8 mm lang en zijn op de voorkant kop wat pluizig behaard; de vrouwtjes meten gemiddeld 10 mm. Deze zandbij wordt geparasiteerd door de variabele wespbij (Nomada zonata) en ook die heeft zich aangepast aan de generaties van de waardbij. De koekoeksbij heeft dus ook 2 generaties, die overigens verschillend van kleurtekening zijn. Ook die komt in mijn tuin voor, zie verder de aparte pagina over koekoeksbijen.
De geriemde zandbij (Andrena angustior) wordt beschreven als een bij van drogere zandgronden, heidevelden en zeer schaars ook van de duinen. Dit vrouwtje was begin april 2011 in mijn tuin aanwezig en daar is geen zanderige grond, maar klei. De kortste afstand tot de duinen vanaf mijn erf is ruim 3 km en mogelijk zwerven sommige exemplaren wat rond. Misschien zijn ze toch minder aan zand gebonden dan beweerd wordt. Dit exemplaar was 11,9 mm lang. Ze hebben een rossige beharing op de thorax en verwarring met veel andere soorten die dit ook hebben is gemakkelijk mogelijk. Ze heten 'geriemd', omdat de rugplaten (tergieten) dwarse rimpels zouden hebben, maar daarvan is niet veel te zien. De dijen en schenen hebben merendeels lichte beharing, ook de scopa op de achterscheen. De achtertarsen zijn roodbruin en rossig behaard. Op de voorkant kop heeft het vrouwtje een grauw bruine beharing. Deze soort wordt geparasiteerd door de zwartrode dubbeltand (Nomada fabriciana), die ook in mijn tuin regelmatig te zien is, zie verder de aparte pagina over koekoeksbijen.
Eind maart 2004 zag ik bij mij in de tuin een bij zitten op de bloemen van de mahonia. Die was vrij groot (13 mm), bijna zo groot als een honingbij. Opvallend was de roodbruine kleur op het begin van het achterlijf. Het is de heggenrankbij (Andrena florea), die andere bloemen dan die van de heggenrank bezocht, want die favoriete bloem van deze bij bloeit pas in juni. De mannetjes lijken in kleur en tekening veel op de vrouwtjes. Ze zijn daarvan te onderscheiden door het ontbreken van verzamelharen op de schenen en in close-up door de antennesegmenten te tellen (13 man; 12 vrouw).
Ook bij deze soort zag ik Stylops melittae op een mannetje in mijn tuin (mei 2011).
Er zijn zeer veel Andrena's (zandbijen), ook van kleine afmetingen. Bij mij in de tuin is 's zomers de witkopdwergzandbij (Andrena subopaca) actief, die in mijn tuin een voorkeur heeft voor bloeiende peterselie om daarop stuifmeel te verzamelen. Het bijtje meet slechts 6 mm. Het is ook een soort die in de grond nestelt. Het achterlijf is aan het eind iets bruinachtig. Deze kleine bijen zijn vrij algemeen, maar vallen weinig op.
De gewone dwergzandbij (Andrena minutula) is ook een kleine soort. De mannetjes zijn gemiddeld 5,5 mm lang; de vrouwtjes krap 7 mm. De mannetjes zijn al eind maart actief en de vrouwtjes een dag of 10 later. Een groepje van verwante kleine soorten wordt naar deze bij genoemd: minutulagroep. Er zijn van deze dwergzandbij 2 generaties per jaar. Ze zijn dus vrij lang te zien (tot begin september). Kieskeurig zijn ze niet bij het foerageren: ze vliegen op allerlei bloemen waarop stuifmeel en nectar te halen is. Ze nestelen in de grond in zelf gegraven gangetjes. De nestparasiet is de gewone kleine wespbij (Nomada flavoguttata).
Een bijzondere verschijning in mijn tuin was in het jaar 2011 de Roodrandzandbij (Andrena rosae). Deze bij was eerder ernstig bedreigd en stond op de rode lijst. Inmiddels gaat het kennelijk beter met deze soort, want verspreid over Nederland worden er waarnemingen van gedaan. Er is vooral een grote cluster aanwezig in zuid-oost Zuid-Holland en noordelijk West-Brabant (de Biesbosch en ruime omtrek).
Ik meende eerst te doen te hebben met de heggenrankbij (Andrena florea), die ook rode randen op het achterlijf heeft, maar de roodrandzandbij is wat groter en breder van vorm. De achterpootbeharing van deze bij is ook anders: lichte haren op de dijen en wat donkerder op de schenen. De soort wordt geparasiteerd door de donkere wespbij (Nomada marshamella).
De meidoornzandbij (Andrena carantonica) is een vrij grote Andrena, waarvan de Nederlandse naam een beetje raadselachtig is. Ik zag ze nooit op meidoorn, hoewel die in mijn tuin voldoende aanwezig is. Dit vrouwtje foerageert op engelwortel. Ze schijnen niet kieskeurig te zijn en bezoeken veel verschillende planten en bomen. Een bijzonderheid is dat de vrouwtjes er gezamenlijke nestelplaatsen op na houden. Het zijn relatief grote insecten (14 mm), zeker zo groot als een forse honingbij, maar dan met een iets bredere kop. Het borststuk heeft een grauw geelbruine tot rossige beharing, terwijl het achterlijf weinig haar heeft en de zwarte chitine de kleur bepaalt. Ze hebben in de vleugeladers 3 sub-marginale cellen. De achterpoten van de vrouwtjes hebben flinke plukken haar om stuifmeel in te verzamelen.
Hier zijn nog wat extra foto's: foto 2, foto 3.
Het zandbijtje van deze foto zag ik in de 2e week van juli 2004 in mijn tuin. Het is de tweekleurige zandbij (Andrena bicolor). Ze schijnen in Nederland in het Zuiden meer voor te komen dan in het Noorden, maar de grens lijkt wat op te schuiven. De beharing van de thorax is iets variabel van roodbruin tot crèmekleurig. De rest van het lichaam is merendeels zwart. Stuifmeel wordt verzameld aan de achterpoten en onder het lichaam tussen de achterpoten. Andrena's hebben 3 submarginale cellen in de voorvleugel. Dat is op de vergrote foto goed te zien. Vermoedelijk zijn de bijen die ik in juli zag exemplaren van de 2e generatie. De eerste generatie vliegt in het voorjaar, dikwijls al in maart. Ze zijn ongeveer 10 mm lang. In andere jaren zag ik ze in mei massaal op bloeiende engelwortel vliegen: foto 1, foto 2.
De bovenzijde van de kop is bij de mannetjes iets minder behaard. Ze zijn wat rossig gekleurd. Hier is een ander jong mannetje te zien, dat juist is uitgelopen (half maart). De mannetjes-broedcellen liggen aan het begin van de broedgang en komen het eerst uit. Ze zijn dan zeer ongedurig en vliegen laag boven de grond om vrouwtjes te vinden. In mijn moestuin zijn er dan enkele tientallen te vinden. De voorjaarsgeneratie heeft meestal meer mannetjes dan vrouwtjes. Deze soort wordt geparasiteerd door de roodzwarte dubbeltand (Nomada fabriciana), die ook in de zomer bij de tweede generatie actief is.
Deze bij zie ik eind maart - begin april bij mij in de tuin zoeken naar plekjes om te nestelen. Het is een middelgrote soort van 10 à 12 mm lengte. Dat ze flink behaard zijn blijkt uit deze foto van een vers vrouwtje, dat zit te zonnen op een schelpje. Aan de scheen van de achterpoten hebben ze een bosje rossige haren om stuifmeel te verzamelen. Ze hebben viltbandjes op het achterlijf, maar op de eerste segmenten dikwijls wat minder, meestal door slijtage. Het zijn grasbijen (Andrena flavipes). Hier is de kop van een vrouwtje vanaf de voorkant te zien. Op dit plaatje van dit aardige bijtje is het achterlijf wat beter te zien. Ook is te zien dat de linkervleugel al wat beschadigd is. Dat komt vermoedelijk door het in- en uitlopen van de krappe gangen van de nestholtes in de grond.
De koekoeksbij die op deze soort parasiteert is de Nomada fucata. De mannetjes van de Andrena's doen niet veel meer dan zoeken naar vrouwtjes. Meestal zijn er dat dan enkele bij elkaar op de plekken waar de vrouwtjes foerageren. In 2006 had ik wat look-zonder-look ingezaaid voor de oranjetip-vlinder. Op de bloemen foerageerden veel grasbijen. De mannetjes van de Andrena flavipes zijn dikwijls in de buurt te vinden van de plekken waar de vrouwtjes stuifmeel halen. Soms rusten ze even uit, maar meestal zijn ze steeds heen en weer vliegend te zien bij het zoeken naar vrouwtjes.
Het is opvallend dat verse mannetjes en vrouwtjes (beide foto's van 25 maart 2007) een veel rossiger uitelijk hebben. Ze verkleuren in de loop van de tijd door de zon en ook wat door slijtage. Enkele weken later zijn de mannetjes en vrouwtjes al veel bleker.
De vrouwtjes zijn goed te onderscheiden van de mannetjes door het bosje oranje haar op de achterschenen. Als de antennen goed zichtbaar zijn, kunnen ook de antenneleedjes geteld worden: vrouw 12, man 13 leedjes. Op een close-up-foto van een oud mannetje (det. Jan Smit) is te zien, dat ze uiteindelijk door verkleuring bijna witte haren op de bovenkant van de thorax hebben. Op deze foto zijn ook mooi de kaken te zien. Op een dergelijke foto zijn ook de antennesegmenten goed zichtbaar. Bij Andrena flavipes is het 4e segment (2e sprietlid) opvallend kort: korter dan de breedte. De sprietleden heten ook wel flagellomeren en de spriet de flagel.
Veel solitaire bijen worden geparasiteerd door zogenaamde koekoeksbijen. Die leggen hun eitje in het nest van een ander en de larve van de koekoeksbij doodt het eitje of de larve van de andere bij en begint daarna aan de voedselvoorraad die voor het eigen broed was aangelegd door de waardbij (ook wel: gastheer-bij). Dit is een vrouwtje van een wespbij die als koekoeksbij opereert. Het is de kortsprietwespbij (Nomada fucata), die parasiteert op de grasbij (Andrena flavipes).
Ik zag enkele van deze bijen zoeken naar nestingangen op de plek in mijn tuin waar de grasbijen nestelen. Het is een bij die heel veel lijkt op een wesp, maar het niet is. Het dier is ongeveer 10 mm lang. Er zijn in Nederland 45 soorten wespbijen en vele lijken op elkaar. Het is dan ook dikwijls lastig om vast te stellen welke soort het is. De soort waardbij kan daarbij een indicatie geven. Deze wespbij heeft oranjerode poten en antennen en bruinrode ogen. Het eerste achterlijfsegment is ook rood en het tweede heeft rode plekken op de boven- en onderkant. De thorax en kop zijn bruinachtig kort behaard en fijn gepuncteerd.
De waardbij schijnt de parasitaire bij in haar nestholte te verdragen. Er is nooit ruzie te zien, zoals bij andere soorten parasitaire insecten en hun waard-insecten. De grasbij verlaat hier haar nestholte. De wespbij inspecteert deze holten regelmatig en is hier te zien bij het verlaten van hetzelfde nestje van deze grasbij.
Hier is een close-up-foto te zien van deze prachtige bij (vrouwtje) in mijn tuin (voorjaar 2007) en deze foto dateert van april 2010 (Braakman-Noord). Zie voor andere foto's, waaronder een mannetje de pagina Koekoeksbijen.
Zijdebijen (genus Colletes) komen op diverse tijdstippen van het jaar voor. In het voorjaar (1e helft april) is de grote zijdebij actief met hun pachtige koekoeksbij: de grote bloedbij. Deze Colletes-soort vliegt graag op bloeiende kruipwilg in de duinen. Dat zijn dan meestal de vrouwtjes. De mannetjes van de grote zijdebij zie je meestal rusteloos rondvliegen op de plekken waar de nesten van vorig jaar liggen. Ze zijn alleen uit op een vers uitgekomen vrouwtje waarmee gepaard kan worden. Het is een vrij forse bij met roodbruine voetjes. Als de bijen wat ouder zijn, verkleuren ze en is het mooie roodbruin van de thorax verdwenen, zoals bij dit laatste mannetje het geval is.
Op dezelfde plekken vliegen dikwijls ook wolzwevers die ook op het broed van de grote zijdebij parasiteren.
In de zomer zien we de meeste soorten, zoals de wormkruidbij en in de nazomer (eind augustus tot ver in september) vliegen pas de klimopbij en de schorzijdebij.
De wormkruidbij (Colletus daviesanus) is sterk gebonden aan de plantenfamilie der composieten en dan vooral aan boerenwormkruid. Als dat in de buurt van de bijen staat, zijn ze er gegarandeerd op te vinden. De vrouwtjes van deze solitaire bijensoort halen er veel stuifmeel op. Ze verzamelen het aan de haren van de achterpoten en de buik. Toen ik een dood exemplaar van deze kleine bijen (9 mm) vond, was dat goed te zien.
De meeste soorten zijdebijen hebben duidelijke rijen lichte haren (viltbanden) op het achterlijf; de grote zijdebij heeft dat minder nadrukkelijk. Ze heten zijdebij, omdat het vrouwtje de wanden van het nest bekleedt met een soort speeksel, dat er opgedroogd uit ziet als zijde. Zijdebijen hebben 3 submarginale cellen (cubitaalcellen), waarvan de cellen 2 en 3 ongeveer even groot zijn, maar samen iets korter dan cel 1, zoals op deze foto van de vleugel van een klimopbij te zien is.
Andrena's hebben ook 3 submarginale cellen, maar daar is cel 3 meestal langer en iets groter dan cel 2 en cel 1 is gelijk aan, of kleiner dan 2 en 3 samen, zoals hier te zien is.
Als de bij de bloem wel bezoekt, maar er geen stuifmeel op verzamelt, is de kans dat het een mannetje is, groter. Aan de verzamelharen op de achterpoten is dat niet goed te zien, want zijdebijen hebben geen typische korfharen aan de poten, zoals bijvoorbeeld honingbijen en hommels die hebben. Ze hebben daar dus wel haren en meestal zelfs ook veel, maar die zijn anders van vorm en missen de stijfheid van de korfharen. Het stuifmeel zit dan ook niet als een mooi bolletje aan de poten, maar meer dan de helft van de achterpoot is er mee bedekt en ook het tussenliggende gebied op de buik, zoals op de eerdere foto goed zichtbaar is. Vrouwtjes zijn gemakkelijk te onderscheiden als ze stuifmeel verzamelen; mannetjes het beste aan het genitaal.
Hier zijn nog wat extra foto's van stuifmeel verzamelende vrouwtjes op boerenwormkruid in mijn tuin: foto 1, foto 2, foto 3.
De bijen graven korte horizontale gangetjes (5 cm), soms met enige vertakkingen, in zand- en leemwanden voor het broed. Er kunnen er tientallen bij elkaar in de buurt nestelen. Ze zouden aan de kust wat minder algemeen zijn, maar deze heb ik ieder jaar in mijn tuin op Walcheren, waar slechts enkele planten van het boerenwormkruid bloeien. Ik zag ze ook wel op kamille in de buurt. Hier is nog een close-up van deze fraaie zijdebij.
Een iets grotere soort die juis wat meer aanwezig is in de duinen is de duinzijdebij (Colletes fodiens), maar ze zijn veel minder talrijk dan de wormkruidbijen. Ze zijn iets groter (gemiddeld ongeveer 10 mm) dan de wormkruidbijen en ook deze soort vliegt graag op composieten, zoals jacobskruiskruid, bezemkruiskruid en kamille. Opvallend zijn bij deze zijdebij de lichte viltbandjes op de randen van de tergieten. Die bandjes zijn erg breed ten opzichte van andere soorten. De thorax en de voorkant kop zijn dicht rossig behaard.
Door de opwarming van het klimaat zien we steeds meer soorten insecten die vroeger zeer zeldzaam waren. Dat geldt ook voor diverse bijensoorten. Ze schuiven hun woongebied iets op in noordelijke richting. Deze klimopbij (Colletes hederae) is daar een voorbeeld van. Eind september 2008 zag ik deze voor het eerst op Walcheren. Eerder was de bij reeds bekend van Zeeuws-Vlaanderen, maar de Schelde is toch wel een barrière die wat tijd kost om genomen te worden. In Domburg en Westkapelle waren in 2008 enkele kolonies van tientallen bijen actief. Ze zullen er dus waarschijnlijk al iets eerder zijn geweest. Het is een zeer laat vliegende bij, die uitsluitend foerageert op bloeiende klimop (Hedera). De bij is in het veld nauwelijks te onderscheiden van de ook laat vliegende schorzijdebij, maar die vliegt alleen op asteraceeën. De klimopbij is ook al enige jaren bekend van Zuid-Limburg (Sint Pietersberg e.o.). De klimopbij is vrij groot, ongeveer 13 mm. De mannetjes zijn ongeveer even groot. Ze hebben kortere haren aan de achterpoten.
Extra foto's van vrouwtjes klimopbij: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6, foto 7.
Extra foto's van een mannetje klimopbij: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6.
Sommige bijen zijn plaatselijk redelijk talrijk, maar zijn erg gebonden aan een bepaald milieu. De schorzijdebij (Colletes halophilus) is zo'n soort en wordt tegenwoordig beschouwd als zeldzaam. Het is ook een zijdebij, net als de wormkruidbij, maar iets groter (12 mm). Deze bij heeft schorren nodig van enige omvang en hoger gelegen merendeels open zanderige duingrond op vliegafstand van maximaal 500 meter om de nestgangen te kunnen graven. De daarvoor gekozen plekken liggen steeds zeer dicht bij de waterkant, maar moeten uiteraard wel droog blijven bij hoge vloed. Door inpolderingen, Deltawerken, andere kustverdedigings-aanpassingen en vooral industrialisatie zijn veel van deze biotopen verloren gegaan.
In de Waddenzee en Zeeland komt de bij hier en daar voor op de buitendijkse schorren. De schorzijdebij is vrij sterk gebonden aan dit zoute milieu en de plant waarop ze foerageren. Dat is namelijk de zeeaster (Aster tripolium). Deze astersoort bloeit vrij laat, pas eind augustus met een piek omstreeks half september en voor de bijen moeten er dan flink wat planten bij elkaar staan. Dat is dus ook de tijd om naar deze bijen te zoeken, want ze zijn daarop aangepast. Als de aster er niet staat, zal ook deze bij dikwijls afwezig zijn. Soms vliegen ze echter ook op andere composieten. Deze waardplant heeft zelf ook een bijzonderheid, namelijk dat dikwijls een vorm van deze plant bloeit die geen straal heeft (Aster tripolium f. discoideus). De straal is normaal lilakleurig. Als deze ontbreekt lijkt de plant geel te bloeien, zo ook op deze foto's. De mannetjes zijn na enige tijd wat minder rossig op het borststuk. Hier is nog een ander mannetje.
De schorzijdebij heeft ook een opmerkelijk broednestgedrag. Het is een solitaire bij, die echter een voorkeur heeft voor het nestelen in kolonieverband. De nestgangen van de diverse bijen liggen meestal zeer dicht bij elkaar. Dat kunnen er enkele honderden per m² (tot ruim 500) zijn. Het lijkt dan een tussenvorm tussen de solitaire bijen en de sociaal levende bijen zoals de honingbijen en hommels. Hier (Kaloot, sept.'06) gaat een vrouwtje haar nestholte binnen en hier verlaat ze die weer. Rechts liggen een paar konijnenkeutels.
Deze bij broedt dus erg laat. De larven overwinteren in een kleine vorm en na de winter groeien ze verder. Pas in de loop van de zomer verpoppen ze en komen dan uit omstreeks de laatste week van augustus.
Extra foto's van de schorzijdebij: foto 5 (man), foto 6 (man), foto 7 (vrouw), foto 8 (vrouw), foto 9 (vrouw), foto 10 (vrouw), foto 11 (vrouw).
De schorzijdebij is zeldzaam, doch deze bij wordt geparasiteerd door een koekoeksbij, namelijk de schorviltbij (Epeolus tarsalis subsp. rozenburgensis) en die laaste is dus nog veel kwetsbaarder voor zijn voortbestaan dan de eerste. Als de gastheer ontbreekt, kan de parasiet helemaal niet bestaan. Het voorkomen van de parasitair levende schorviltbij is dus een geweldig sterke indicatie dat het met de gastheer ook goed gaat. De schorviltbij wordt echter nog maar sporadisch in Nederland aangetroffen en wordt beschouwd als uiterst zeldzaam. Alleen in de Zeeuwse delta komt de bij nog in zeer kleine aantallen voor. Dit is het enige leefgebied van deze viltbij in Midden-, West- en Noord-Europa.
Dit vrouwtje van bijgaande foto trof ik op 29 augustus 2006 op een buitendijks natuurgebied van de Westerschelde in Zuid-Beveland (de Kaloot). De bij foerageerde op bezemkruiskruid. Ik liep er een paar uur lang, speurend naar de soort, maar zag slechts dit ene exemplaar. Enkele dagen later ben ik onder betere weersomstandigheden nog eens teruggegaan en zag er opnieuw enkele van deze bijzondere bijen. Tot mijn grote verrassing trof ik ook een parend stel aan. Zo kon ik heel mooi ook de verschillen zien tussen mannetjes en vrouwtjes van deze soort, hoewel van belang is te weten, dat dit een paringspoging is, waarbij het achterlijf van het mannetje dan extreem ver uitgerekt is. Normaal zien ze er dus iets anders uit, zoals dit vrij verse mannetje. Hier is er nog een andere foto van.
Het zijn slechts kleine bijen, die niet erg opvallen. De grootte varieert wat, waarschijnlijk afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die voorhanden was voor de larve. Ze zijn ongeveer 8 tot 11 mm lang, waarbij de mannetjes niet veel kleiner zijn dan de vrouwtjes. In de literatuur wordt meestal een kleinere maat aangegeven (tot max. 8 mm), maar dan gaat het waarschijnlijk om de gewone Epeolus tarsalis en die komt slechts voor in de omgeving van de Kaspische Zee, ongeveer ter hoogte van het zuiden van Europa, dus dat is een sub-tropische soort, waarvan de E. tarsalis ssp. rozenburgensis een noordelijke ondersoort is. Die is iets groter. Dit is een (dood) vrouwtje, dat ik vond en heb opgemeten. Het was 10,5 mm lang, maar levend tonen ze iets langer. De vrouwtjes zijn rood gekleurd op het schildje, de vleugelschubben en delen van de poten. Het mannetje is wat minder fel gekleurd, maar heeft veel meer wit op de 1e tergiet; bij het vrouwtje is dat een witte breedtestreep aan de achterrand van de tergiet en dus niet de U-vorm als bij E. variegatus. De ogen van de mannetjes zijn veel lichter van kleur. De zijkant van de thorax en het gezicht zijn grotendeels wit. Dat laatste is nog het gemakkelijkste kenmerk. De tekening en de kleuren kunnen wat variëren en dan vallen in het veld de verschillen nauwelijks op. Een kenmerk van de schorviltbij, dat in het veld niet gemakkelijk te zien is, is een knobbel tussen de antennen, dus op de onderkant van het voorhoofd (frons). Bij deze soort overlappen de zijkanten van de knobbel voor een deel de antenneaanzet. Op de foto's van dit mannetje en dit vrouwtje is dat goed te zien. Andere viltbijen hebben wél enige knobbelvorming tussen de antennen, maar dan zonder die overlappende punten. Hier zijn nog wat foto's van een vrouwtje uit 2011: foto 1, foto 2, foto 3.
Van dezelfde locatie en datum zijn hier nog foto's van een mannetje: foto 1, foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6.
In de broedtijd van de waardbij zijn deze bijen uiteraard het meest actief. Hier staat een vrouwtje op het punt de nestgang van een schorzijdebij binnen te gaan. Hier verlaat ze de broedgang weer. De gang is kennelijk breed genoeg om binnen om te keren, want ze kwam met de kop naar voren weer naar buiten. Dit is een exemplaar dat even rust neemt op de nestelplaats, want er is daar een vrij druk verkeer van zoekende en heen en weer vliegende schorzijdebijen en schorviltbijen door elkaar heen. Ik zag geen agressie tussen de soorten.
De schorviltbij is ook zelf weer niet vrij van predatie, want de Epeolus-soorten staan bijvoorbeeld op de menulijst (voedsel voor het broed) van een - overigens uiterst zeldzame - knoopwesp: Cerceris sabulosa, die ik op de Kaloot nog eens hoop aan te treffen.
Bedreigingen.
De Schorviltbij wordt ernstig bedreigd door vernietiging van biotopen van zijn waardbij. Eerder werd reeds De Beer 'opgeruimd': de Maasvlakte (het voormalig eiland Rozenburg) slokte alles op. Nu is met de WCT-plannen de Kaloot aan de beurt te verdwijnen. Waarschijnlijk ondervindt de soort ook enigszins last van concurrentie van de gewone viltbij, zie hierna. De instandhouding van de zeer schaarse huidige biotopen is daarom extra belangrijk. Ook al wordt een klein gebied gespaard van havenbouw, dan nog is de verstoring door extra activiteiten in de omgeving funest voor dergelijke kwetsbare populaties. Het is daarom de grootste misstap van deze eeuw voor Zeeland als de plannen voor de WCT (Westerschelde Container Terminal: containeroverslaghaven en -kades) doorgang zullen vinden. Europa zit daarop niet te wachten, want de havencapaciteit van Rotterdam, Antwerpen en Hamburg is meer dan voldoende, ook voor de toekomst. Er is met de 2e Maasvlakte erbij zelfs sprake van aanzienlijke overcapaciteit. Zeeland krijgt er dan alleen maar lawaai, milieuvervuiling en verkeersellende bij. Wanneer gaat men eens echt Europees denken?
Nieuw bedachte natuurgebieden in de buurt kunnen nooit een vervanging zijn van de kostbare huidige biotopen. De natuur laat zich niet dwingen om te verhuizen, vooral niet de soorten die gebonden zijn aan zeer specifieke plekken direct grenzend aan het strand, zoals de enige waardbij van de schorviltbijen, de schorzijdebij. Het is een belachelijk naïeve gedachte van sommige politici dat dit een oplossing zou kunnen zijn voor verlies van natuurwaarden. Deze lieden, waarvan een groot deel met de mond de waarden van de Christelijke traditie onderschrijft, zijn huichelachtig bezig, want met de daad willen zij deze scheppingsonderdelen naar de knoppen helpen. Hun achterkleinkinderen zullen zich dan in 2050 vertwijfeld afvragen hoe dat toch mogelijk was, welke mentaliteit hun overgrootouders werkelijk hadden, als er dan geen schorviltbij meer bestaat, omdat na Rozenburg ook de Kaloot bewust werd vernietigd.
Schorzijdebijen waren altijd behoorlijk gebonden aan de zeeaster (zulte), hoewel ze ook andere planten bezoeken. Sinds enige tijd is er een andere composiet, die ook in de zeereep goed gedijt, massaal voorkomt en die iets vroeger bloeit, maar met een stevige overlapping van de bloeitijd van de zulte. Dat is het bezemkruiskruid (Senecio inaequidens), een adventiefplant uit Zuid-Afrika. Sommige onderzoekers veronderstellen een relatie tussen de opkomst van deze plant en de extra druk op de schorviltbij door de gewone viltbij (Epeolus variegatus). Deze viltbij parasiteert normaal op andere zijdebijen waaronder de duinzijdebij (Colletes fodiens), welke gebonden is aan het jacobskruiskruid. Dat is echter eerder uitgebloeid dan het bezemkruiskruid. Zowel de schorzijdebij als de gewone viltbij hebben in het bezemkruiskruid een nieuwe drachtbron gevonden. De eerste soort ter vervroeging van het seizoen en de andere als verlenging. Zo komen die soorten elkaar tegen in de broedtijd van de schorzijdebij die nu ook als waardbij van de gewone viltbij optreedt. Deze viltbij is veel talrijker dan de schaarse en minder aangepaste schorviltbij en die laatste wordt daarmee extra bedreigd door de concurrentie op de waardbij. Als beide soorten viltbijen aanwezig zijn is de verhouding tussen de gewone viltbij en de schorviltbij in de kolonies van de schorzijdebij ongeveer 85-15% . De concurrentiedruk lijkt een plausibel verhaal, waarmee, naast de algemene opwarming van het klimaat en verschuiving van soorten naar het noorden, rekening moet worden gehouden. De zeer zeldzame schorviltbij wordt echter het meest bedreigd door vernietiging van geschikte biotopen.
De E. variegatus lijkt heel veel op de tegelijkertijd in bepaalde biotopen (heide en duin) voorkomende E. cruciger. Het zichtbare verschil tussen de vrouwtjes van die soorten is de kleur van de achterdijen: rood bij de cruciger en zwart bij de variegatus.
Het tegelijkertijd parasiteren van de 2 soorten vilbijen op dezelfde gastheer komt reeds geruime tijd voor. Toen ik in september 2006 foto's maakte van viltbijen op een van de bekende schaarse broedplaatsen van de schorzijdebij (Colletes halophilus), zag ik bij de nestopeningen zowel vrouwtjes van Epeolus tarsalis als Epeolus variegatus. Die laatste was daar toen al veel sterker vertegenwoordigd dan de schorviltbij, waarvan ik slechts 1 foto kon maken.
Enkele uiterlijke kenmerken van de gewone viltbij, die de schorviltbij niet heeft, zijn: het extra wit op de eerste tergiet, waardoor een soort V ontstaat, de rode schoudervlekken en de meestal dikkere rode knobbels aan weerszijden van het schildje. Op deze foto is dat duidelijk te zien. De rode knobbels naast het scutellum zijn niet altijd zo goed te zien. Bij dit fraaie exemplaar zijn ze minder nadrukkelijk gekleurd.
De Pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes) is genoemd naar de zeer lange beharing van het vrouwtje aan de achterschenen. Zij gebruikt die haren bij het verzamelen van stuifmeel en zij schijnt er ook gemak van te hebben bij het graven van de broedgangen in de grond. Het is een vrij grote bij van circa 15 mm. Het vrouwtje is op de kop en thorax geelbruin behaard. Het achterlijf is zwart met witte haarbandjes. De pluimen aan de achterpoten zijn opvallend, zeker als er stuifmeel in is opgeslagen. Dat is meestal afkomstig van haar favoriete planten en dat zijn composieten met wat grotere bloemen, waarin ze gemakkelijk stuifmeel kan verzamelen. Deze planten, zoals Schermhavikskruid en Zeeakkermelkdistel, hebben oranjegeel stuifmeel, dat aan de bij een kleurig uiterlijk geeft. Ook bij het vliegen vallen ze op.
De mannetjes zijn ongeveer even groot, maar meer zwart-wit van kleur, soms ook met wat gele haren op de thorax. Ook de lange poten van de mannetjes zijn opvallend behaard, maar dan met korte haren. Dat is op deze foto goed te zien.
Er zijn in onze streken een paar honderd soorten wilde bijen. Het is zonder uitvoerig determinatie-materiaal niet gemakkelijk deze op naam te brengen. Dit exemplaar vloog op de appelbloesem in mijn buurt, waarop ik ook het roodgatje meerdere keren zag. Dit bijtje is echter wat kleiner, ongeveer even lang als de meeldraden van de appelbloesem, dus zo'n 9 mm. Het is wel zeker dat het een soort groefbij is. Vermoedelijk gaat het om de vrij algemene Lasioglossum calceatum, ook wel 'gewone geurgroefbij' genoemd naar de zoetige geur die de vrouwtjes verspreiden. Het mannetje van de Lasioglossum calceatum heeft rode vlekken op het achterlijf. Soms zijn ze echter ook geheel zwart en dat kan dus verwarrend zijn. Hier is nog een foto vanaf de voorzijde. Dit exemplaar was ongeveer 11 mm lang.
De Lasioglossum calceatum heeft een bijzonder broednestgedrag. Deze bijen hebben in de warmere streken net als hommels eerst werksters, die kleiner zijn dan de bevruchte koningin. Pas na enige tijd van opbouw worden nieuwe vruchtbare vrouwtjes aangemaakt en tegelijkertijd mannetjesbijen. De jonge bevruchte vrouwtjes overwinteren en beginnen ieder voor zich na de winter een eigen broednestje in de grond. Deze soort wordt geparasiteerd door 2 bloedbijsoorten, waaronder de dikkopbloedbij (Sphecodes monilicornis), zie overzicht koekoeksbijen.
Ze heten "groef'-bijen vanwege het lengtegroefje op het midden van de laatste achterlijftergiet van de vrouwtjes van de genera Lasioglossum en Halictus.
Deze kleine bij (6 mm) is de langkopsmaragdgroefbij (Lasioglossum morio). Die soort heeft een lange vliegperiode, wellicht in enkele generaties, namelijk van half maart tot november. Op de onderliggende foto is een exemplaar te zien dat op 25 maart 2007 foerageerde op Longkruid. Ze hebben een glimmend groen-goudkleurig borststuk. Dat deze bijen slechts klein zijn wordt mooi geïllustreerd door een foto, waarop een vrouwtje Lasioglossum morio samen te zien is met een vrouwtje Megachile centuncularis op de bloem van een kruisdistel (Eryngium giganteum Miss Wilmott's ghost). Deze Megachile is ongeveer 11 mm lang, maar in verhouding met de andere lijkt het al een kolossaal grote bij. Om zekerheid te hebben over de naam heb ik dit vrouwtje (20 april 2007) ter determinatie opgestuurd naar de expert Jan Smit, die bevestigede dat het L. morio was. De viltbandjes op de tergieten zitten bij deze soort aan de basis en niet aan de eindranden. Hier en hier zijn nog foto's van een andere vrouwtjes, waarop de lange kop en ook het groefje in de laatste tergiet mooi te zien zijn. Ook de mannetjes zijn maar klein met krap 6 mm lengte. Hier zijn er wat foto's van: foto 1, foto 2, foto 3.
De mannetjes van Lasioglossum morio laten zich pas laat in het seizoen zien. Die late verschijning van de darren is eigenlijk vreemd want je zou ze verwachten tegelijk of zelfs iets eerder dan de vrouwtjes, maar in maart zag ik wel reeds vrouwtjes maar geen mannetjes. Na augustus zie ik eigenlijk nauwelijks nog vrouwtjes, maar nog wel mannetjes. Er lijkt slechts een korte periode te zijn dat beide geslachten tegelijk aanwezig zijn, namelijk in augustus. Op welk tijdstip een vrouwtje dat in maart al vliegt dan bevrucht wordt, is een raadsel. Vermoedelijk overwintert de laatste generatie vrouwtjes als imago en niet als larve of pop. Lasioglossum morio wordt geparasiteerd door de bloedbij Sphecodes miniatus.
Mannetjesbijen (darren) zijn dikwijls te herkennen aan de relatief lange antennes, langer dan die van de vrouwtjes. Een mooi voorbeeld zijn de mannetjes (7,5 mm) van een andere groefbijsoort, die bij mij in de tuin veel te zien zijn omstreeks half augustus - eind september. Het zijn de mannetjes van parkbronsgroefbij (Halictus tumulorum). Hier foerageert zo'n mannetje op boerenwormkruid. Deze mannetjes hebben opvallend gele poten. De vrouwtjes hebben donkere poten. Het onderscheid van deze soort met Halictus confusus kan bij mannetjes alleen worden gemaakt aan de hand van het genitaal, want qua uiterlijk zijn ze praktisch gelijk. Het genitaal van de parkbronsgroefbij heeft uitsteeksels met flappen die een golfvorm hebben; bij H. confusus is dat een geheel convexe (bolle) lijn zonder deuk.
Hier zijn nog wat extra foto's van een mannetje Halictus tumulorum: foto 5, foto 6, foto 7, foto 8, foto 9.
Midden in een grote kolonie van de witbaardzandbij (Andrena barbilabris) zag ik in april 2010 op de Goudplaat (Noord-Beveland) enkele groefbijen nestelen. Het betrof de gewone franjegroefbij (Lasioglossum sexstrigatum). Mogelijk bood de aanwezigheid van die vele andere bijen met hun koekoeksbijen (Nomada alboguttata) enige bescherming. Bij deze groefbij is de zijkant van het borststuk gerimpeld. De soortnaam 'sexstrigatum' betekent dat het dier 6 kleurbanden heeft. De naam is dan wat verwarrend want op het achterlijf zie je eigenlijk slechts 4 duidelijke ivoorwitte haarbanden (1e 4 tergieten) met aan de basis daarvan wat bruinige kleuren. Bij de laatste tergieten is dat nauwelijks op dezelfde wijze zichtbaar.
In de kolonie bijen was het een drukte van belang met koekoeksbijen, de meeste met alleen aandacht voor de witbaardzandbij. Ik zag er veel vrouwtjes Nomada alboguttata en een enkele gewone dwergbloedbij (Sphecodes crassus). Van de grote spitstandbloedbij (Sphecodes puncticeps) zag ik zag ik een vrouwtje zoeken bij de nestopeningen van deze Lasioglossum. Die relatie is bij experts niet bekend. Wel wordt als koekoek genoemd Sphecodes miniatus, maar die zag ik toen niet. Van die laatste zijn overigens de vrouwtjes moeilijk te onderscheiden van S. marginatus. Het gaat om de punctering van de voorrand van de 2e tergiet: bij marginatus is de tussenruimte tussen de punten even groot als de punten zelf; bij miniatus is die tussenruimte veel groter. De regel is wle toepasbaar, maar vergt enige interpretatie. Het is gemakkelijk om beide soorten tegelijk voorhanden te hebben om de verschillen in punctering te bekijken.
Zie voor bloedbijen ook het volgende item en de aparte pagina over koekoeksbijen.
In mijn tuin zie ik in het voorjaar meestal ook enkele soorten van de zogenaamde bloedbijen (ook wel: rode woekerbijen) van het genus Sphecodes. De bij van de foto is circa 6 mm lang en het betreft de brede dwergbloedbij (Sphecodes crassus). In onze omgeving komen 20 soorten van dit geslacht voor en deze zijn moeilijk te determineren door de geringe onderlinge verschillen. De bloedbijen zijn evenals de wespbijen koekoeksbijen, die hun eitje in het nest van een gastheerbij leggen. Beide soorten zijn als zodanig ook te herkennen aan het ontbreken van de lange korfharen aan de achterpoten. Die haren hebben ze immers niet nodig omdat ze zelf geen stuifmeel verzamelen voor het broed. Dat doet de waardbij voor hen zonder het te weten. Deze bloedbij parasiteert op minstens 5 soorten van het geslacht Lasioglossum en 1 soort Andrena.
Een aantal soorten wilde bijen verzamelt plantaardig materiaal om het nest mee te bekleden. Sommige snijden daartoe stukjes blad af. Andere verzamelen wollige pluizen van planten. Dit is een behangersbij die bij mij in de tuin actief is vanaf begin juni. Dit mannetje van de grote bladsnijder (Megachile willughbiella) verdedigde tijdelijk een territoriumpje bij wat klokjesbloemen. Het mannetje verjaagt hier een andere solitaire bij, die de moed had op 'zijn' klokje te foerageren. Aan de voorpoten hebben de mannetjes van deze bijen een verbrede metatarsus en dikkere tarsleedjes met lange lichte haren op de buitenkanten. In het veld lijken het net een soort bokshandschoentjes. Opvallend is tevens dat de chitine van de voorpoottarsen bijna wit is. Het geeft een opvallend effect. Een andere bijzonderheid van deze mannetjes zijn de forse brede kaken, die halverwege aan de buitenkant nog een extra tand hebben waarmee ze tijdens de paring haken achter de antennes van het vrouwtje. Ook de vrouwtjes hebben forse kaken, waarmee ze stukjes blad kunnen uitsnijden ter bekleding van de broedcellen. Het genus Megachile is naar deze enorme kaken genoemd: 'mega'is zeer groot; 'chile' zou kaak of kaken betekenen.
De vrouwtjes hebben een buikschuier van lange donkere haren om stuifmeel in te verzamelen voor het broed. Hier is deze vrij grote bij (ongeveer even groot als een honingbij, maar wat breder) foeragerend te zien op tripmadam (Sedumsoort). Als ze op klokjesbloemen vliegen verzamelen ze het stuifmeel dat op de haren van de stijl ligt. Na het aanvliegen op de bloem gaat de bij omgekeerd aan de stijl hangen en schraapt met de achterpoten het stuifmeel in de buikschuier.
Bij het determineren is een belangrijk kenmerk de vleugelbeadering. Sommige solitaire bijen hebben onder de marginale cubitaal-cel 2 submarginale cellen. Veel insecten hebben er 3 stuks. Dit is de tuinbladsnijder (Megachile centuncularis) die er als Megachile slechts 2 heeft. Een vrouwtje heeft een oranjekleurige buikschuier (scopa) om stuifmeel te verzamelen. De schuier bestaat uit haarborstels tussen de achterlijfsegmenten. Ze vliegen bij mij eind juli graag op bloemen van de gewone klit. De mannetjes zijn na enige tijd in de zon te zijn verkleurd zwart-wit gekleurde insecten. Hier is zo'n mannetje vanaf de bovenkant te zien. Dit mannetje foerageert op de bloem van Telekia. Verse mannetjes hebben een meer geelbruine beharing. Sommige soorten bladsnijders hebben een voorkeur voor een bepaalde plant. De roos moet er nog al eens aan geloven. Bij mij staan in de ruigte enkele struikjes van hondsroos, die ik speciaal voor deze bij heb geplant. Die roos ziet er zo uit na het werk van een bladsnijder. Opvallend is, dat soms een begin is gemaakt dat kennelijk niet beviel en niet is afgemaakt.
De Nederlandse naam van deze bij is uiteraard te danken aan het blad snijden. Het snijden gaat zeer snel. De bij is in ongeveer 10 seconden klaar met de uitsnede en vliegt er dan mee weg naar het nest om er de broedholte mee te bekleden. Op de laatste foto zijn nestplaatsen van diverse insecten te zien. Het zijn kaardenbolstengels van diverse doorsnedes. De met klei afgesloten openingen zijn van Osmia bicornis, Trypoxylon figulus of Auplopus carbonarius. Met de parasitaire wespen meegerekend zijn er minstens een stuk of 20 soorten insecten actief bij de aangeboden nestplaats.
Beide vorige soorten worden ook geparasiteerd door koekoeksbijen. Bij de bladsnijders zijn de zogenaamde kegelbijen actief, die zo heten vanwege het kegelvormig achterlijf dat vooral bij de vrouwtjes goed te zien is. Alle kegelbijen zijn in Nederland zeldzaam en ik was dan ook zeer verheugd er enkele exemplaren van in mijn tuin te zien. Dit is de slanke kegelbij (Coelioxys elongata), die als parasiet bekend is van de Megachile willughbiella en nog enkele andere behangersbijen. De vrouwtjes van deze soort zijn ongeveer 13-14 mm lang, dus vrij groot. Ik zag ze vanaf 8 augustus 2006 gedurende een dag of 10 steeds op heelblaadje foerageren en kon er een redelijk aantal goede foto's van maken. De vrouwtjes van deze soort hebben een opvallend verlengd laatste tergiet en sterniet, waarvan dit laatste (onderkant-segment) het verst uitsteekt. Ook in 2008 zag ik deze koekoeksbij, terwijl ze de nesten van de tuinbladsnijder en de grote bladsnijder inspecteerde. De kegelbij gaat na inspectie en goedkeuring de broedcel in van de waardbij en steekt haar puntige achterlijf door de stuifmeelvoorraad van die cel heen. Ze legt dan haar eitje op de achterwand. Haar larfje zal andere larven opeten en ook de gehele stuifmeelvoorraad. Het laatste larvestadium betreft een zg. rustlarve en zo gaan ze de winter in (een zg. diapauze). Deze larve is geschikt om te overwinteren en kan vorst goed verdragen. Pas in het voorjaar verpoppen ze en daarna komen ze uit.
De broedparasiet van de Megachile centuncularis is de gewone kegelbij (Coelioxys inermis). Deze koekoeksbij is meestal iets kleiner dan de Slanke kegelbij (circa 10-12 mm), maar ik fotgrafeerde ook al eens een exemplaar van 13,8 mm lengte. Deze heeft meestal een wit viltbandje op de achterlijfsegmenten minder (4 ipv. 5), iets andere clypeus-haarkleur (onderkant rossig) en minder dichte punctering op de 2e tergiet en 4e sterniet. De mannetjes van de kegelbijen hebben stekels op het eind van het achterlijf. Ook het mannetje Coelioxys inermis is af en toe in mijn tuin te zien.
Als je bij mij in de buurt de gewone Lathyrus odoratus zaait, krijg je er bijna zeker ook de lathyrusbij (Megachile ericetorum) op te zien. De geslachtsnaam van deze bij is omstreeks 2011 veranderd in Chalicodoma. Mega chile betekent: grote kaken. De kaken van veel soorten Megachile hebben 3 of 4 tanden. Deze soort heeft slechts 2-tandige kaken en ze zijn daarom in een ander genus ondergebracht. Voortaan heten deze bijen dus Chalicodoma ericetorum. De bijen zijn vrij groot met een lengte van ongeveer 17 mm (ruim groter dan een honingbij) en opvallend door de oranjegele beharing. De mannetjes zijn iets kleiner (15 mm) en geheel anders van kleur (zwart-wit). Ze vliegen wat nerveus in de buurt en rusten soms even op de grond, doch ze zijn af en toe ook op de bloemen te vinden. De vrouwtjes hebben een buikschuier waarin het stuifmeel wordt verzameld. Ze landen op de zg. vleugels van de bloem en drukken met de achterpoten deze vleugels omlaag, waardoor de kiel vrij komt te liggen. Op de kiel bevindt zich het stuifmeel en de bij verzamelt dit door er met de achterpoten overheen te schrapen. De bijen laten dan de typische houding zien, waarbij het achterlijf omhoog gericht wordt. Behangersbijen kunnen het achterlijf zo ver naar voren krommen langs de bovenkant, dat ze op de wijze ook kunnen steken. De bij bergt het stuifmeel op in de haren van de buikschuier. De vrouwtjes bouwen in kleine bovengrondse holtes cellen van klei, die aan de binnenkant met hars worden bekleed. Daarin brengen ze het stuifmeel en ook nectar en leggen er een eitje bij. De larve heeft zo een gedekte tafel klaarstaan als ze uit het eitje komt. Ik heb deze cellen nooit in mijn tuin gezien, maar ze moeten er wel zijn, gezien het gemiddelde aantal vrouwtjes van 10 à 20 stuks, dat ik jaarlijks waarneem. De lathyrusbij wordt soms geparasiteerd door de zeldzame gouden kegelbij (Coelioxys aurolimbata).
In de duinen komt een behangersbij voor die genoemd is naar de opvallende zoemtoon, die het insect voortbrengt. Als je het een keer hebt gehoord weet je het direct daarna gemakkelijk te herkennen. Het is een bij die daarnaast zilvergrijs van kleur is, ook de buikschuier, vandaar de naam, want het is het zogenaamde zilveren fluitje (Megachile leachella), dat tegenwoordig als zeldzaam en kwetsbaar wordt beschouwd. Bij de vorige bij is recent de genusnaam gewijzigd; bij deze heeft men de soortnaam gewijzigd in 'dorsalis'. Voorlopig houd ik de oude naam aan, omdat die het meest bekend is. De bij is ongeveer 10-12 mm lang, heeft grijsgroene ogen en nestelt in holle stengels van planten, gaten in bomen of in het zand. Het exemplaar dat hier is gefotografeerd was zelf een gang aan het graven in duinzand op een licht hellinkje. Ze bekleden het nest met plantaardig materiaal. Hier is te zien hoe ze met het nestmateriaal tussen de poten landen in de buurt van de broedgang.Dit exemplaar was nog vrij laat in het seizoen actief, want de eerste foto's zijn gemaakt op 7 september 2006 (de Kaloot).
De mannetjes zijn dikwijls te zien in de buurt van de nestkolonie. Ze vliegen veel heen en weer, bezoeken ook wel bloemen, maar gaan af en toe ook even rusten. Ze zijn te herkennen aan het iets kleinere formaat en het ontbreken van de buikscopa.
De Megachile leachella wordt ook geparasiteerd door kegelbijen, namelijk door de duinkegelbij en de hiervoren getoonde slanke kegelbij (C. elongata). Hier zijn nog enkele andere foto's van het zilveren fluitje bij de nestopening in het zand:
foto 4, foto 5, foto 6.
In enkele kleine kolonies van Megachile leachella waren in augustus 2007 op de Kaloot vrij veel (ongeveer 20 vrouwtjes) duinkegelbijen (Coelioxys mandibularis) actief. Ze vliegen rusteloos alle broednest-openingen van de Megachiles af en gaan er af en toe naar binnen om te controleren of de condities aanwezig zijn om een eitje te leggen. Het is een koekoeksbij van 7 tot 11 mm lengte. De verschillen in grootte van de vrouwtjes zijn in het veld goed te zien. Het zal vermoedelijk te maken hebben met het voedselaanbod dat de larve kreeg voorgeschoteld van de gastheerbij. De slanke kegelbij is veel groter. Die heeft ook een wit bandje op het achterlijf meer, namelijk 5 terwijl deze duinkegelbij er maar 4 heeft. De witte viltbandjes lopen op de bovenzijde van de tergieten niet door, maar zijn onderbroken. Op deze close-up-foto van een vrouwtje duinkegelbij is daarvan iets meer te zien. De soortnaam 'mandibularis' is ontleed aan de typische vorm van de kaken van deze bij: rechthoekig gebogen.
Bij de solitaire bijen zie je dikwijls de gebondenheid van het insect aan een bepaalde plant. Dat maakt de bij kwetsbaar en ook de plant is soms aangewezen op die bijensoort voor de voortplanting (bestuiving). Zo zijn er bijvoorbeeld de lathyrusbij, de wormkruidbij, de heggenrankbij en nog vele andere soorten. Op diverse klokjes (Campanula's) komen enkele soorten klokjesbijen voor. Bij mij in de tuin staan exemplaren van het ruig klokje en daarop is af en toe de grote klokjesbij (Chelostoma rapunculi) te zien. Ze zijn niet zo groot als de naam doet vermoeden. Ze meten slechts maximaal 10 mm lengte. Het gehele lichaam van dit bijtje is enigszins gepuncteerd, wat op de foto van dit mannetje (13 antenneleedjes) iets beter te zien is. Ze zijn verwant aan de Megachiles en de vrouwtjes verzamelen het stuifmeel dus ook in een buikschuier.
Een aan het geslacht van de behangersbijen (Megachile) verwant geslacht is dat van de Osmia's. Daarvan is de Osmia rufa een zeer algemeen voorkomend insect, dat gemakkelijk te verleiden is om broed te maken in kunstmatig materiaal. Het kweken is zelfs zo eenvoudig, dat commerciële exploitatie tegenwoordig ook al geschiedt, zoals dat bij de Bombus terrestris al geruime tijd het geval is voor bestuivingsdoeleinden van tuindersgewassen als tomaat en paprika. Tegenwoordig wordt ook de naam Osmia bicornis voor deze soort gebruikt.
Slechts het aanbieden van geschikt nestmateriaal is voldoende om ze aan te trekken.
De cyclus van deze insecten duurt een jaar, maar het grootste deel daarvan verkeren ze in een (kort) larve- en (lang) popstadium. Het imago (volwassen insect) ontpopt in onze streken in april en dan verloopt alles in een razend tempo. De mannetjes hebben maar één taak en dat is het bevruchten van ieder vrouwtje dat zij waarnemen via hun grotere antennen. De mannetjes zijn iets kleiner dan de vrouwtjes en hebben lichte haren aan de voor- en onderkant van de kop, waar het vrouwtje zwart is. Ook de bouw verschilt iets. De vrouwtjes hebben namelijk op het kopschild naast de binnenkant van de ogen twee kleine hoorntjes die naar voren uitsteken, zie ook deze foto van parende Osmia's, waarop de verschillen tussen de geslachten erg duidelijk zijn. De Osmia rufa werd eerder daarom ook wel 'gehoornde metselbij' genoemd, maar die naam wordt tegenwoordig gebruikt voor de Osmia cornuta, waarvan het vrouwtje ook dergelijke hoorntjes heeft. Meestal wordt Osmia rufa 'rosse' metselbij genoemd, naar de kleur van deze bijen. Osmia rufa heeft op de laatste achterlijfsegmenten een donkere kleur en is daarmee goed te onderscheiden van Osmia curnuta die daar geheel rossig is.
Voor het nest gebruiken ze graag gangen in hout of soortgelijk materiaal, van ongeveer 6 à 7 mm doorsnede. De afmeting komt overigens niet zo nauw. De gang moet een eind hebben, dus slechts aan één zijde open zijn. Het bijtje verzamelt stuifmeel op bloemen en vervoert dat in een zogenaamde buikschuier (scopa). Het zijn haren aan de onderkant van het achterlichaam. Veel andere bijen verzamelen stuifmeel aan de achterpoten in de bossige beharing van de schenen. Honingbijen en hommels hebben korfharen aan de randen van de achterschenen. Met wat nectar worden bij deze insecten de stuifmeelkorrels aan elkaar tot klompjes 'geplakt'.

Op bovenstaande foto is te zien dat de eitjes bovenin de hoop stuifmeel worden gelegd. Deze bij heeft voor de laatste cel nog niet genoeg stuifmeel verzameld en het eitje nog niet gelegd, maar heeft toch al een begin gemaakt met de afsluiting met het kleischotje. De bij heeft gebruik gemaakt van een doorzichtig kunststofpijpje, waarvan er een aantal is aangebracht in een donker kastje.
De mannetjes zijn er eerder. Dat komt omdat de vrouwtjes bij het beleggen van de nestgangen eerst bevruchte eitjes leggen en aan het eind onbevruchte. Uit die laatste eitjes komen de mannetjes die dus eerder uitlopen. Ze wachten dan op de vrouwtjes met als enig doel een geslaagde bevruchting te bewerkstelligen. Later kun je ze ook wel foeragerend aantreffen, zoals hier op paardenbloem. Soms is het een drukte van belang. Op 27 april 2010 maakte ik een filmpje van de overactieve mannetjes. Ze proberen allemaal een vrouwtje te verschalken. In het begin zie je linksboven een parend stel. Hier nog een fotootje van een paartje.
Osmia's hebben net als veel andere bijen en hommels dikwijls last van mijten. De mijten eten bij de hommels mee bij de monddelen van het insect en vermenigvuldigen zich in het broednest ten koste van de voorraden van de hommels en het zijn dus commensalen (kostgangers), die niet op de insecten of larven zelf parasiteren. Ze verspreiden zich op eenvoudige wijze. Enkele blijven namelijk achter op de bloemen en wachten op een ander voorbijkomend insect, waaraan ze zich vlug kunnen hechten. De meeste mijten zijn soortgebonden. Die van de hommels lijken iets groter te zijn en lopen veel sneller.
Hoe de levenscyclus van de mijten bij Osmia rufa is, wist ik niet precies, maar ik kreeg daarover nadere uitleg van Sjef van der Steen (bijenonderzoeker van PRI Wageningen). De mijt op Osmia's heet Chaetodactylus osmiae. De mijten overwinteren op de buitenkant van de cocon, waarin de Osmialarve verpopt. Zodra in het voorjaar de bijtjes uitlopen stappen de mijten over op de imago's. De mijten voeden zich op Osmia-eitjes en -larven, die daar mogelijk enige schade van ondervinden.
De enorme aantallen die ik hier waarnam kunnen niet anders dan zeer hinderlijk zijn voor het insect en zelfs de voortplanting doen mislukken. Ik zag de Osmia's ijverig proberen zich te ontdoen van deze plaaggeesten, doch dat lukte niet of nauwelijks. Op de foto is een vrouwtje te zien, waarmee twee mannetjes tegelijk proberen te paren. Op de insecten zijn de mijten duidelijk zichtbaar. De rosse metselbij wordt ook geparasiteerd door de geelgerande tubebij (Stelis punctulatissima). Ze hebben eigenlijk een voorkeur voor de later in het seizioen aanwezige grote wolbij (Anthydium manicatum). Als de broedcel van de koekoeksbij is besmet met mijten, zal ook het imago dat in het voorjaar uitloopt deze Osmia-mijten bij zich hebben, zie deze foto.
Ik houd deze bijtjes al vele jaren en bijna ieder jaar gaat het goed. Niet alle cellen lopen uit. Dat kan ook te maken hebben met andere parasieten. Zelfs voor de instandhouding van die parasieten op deze soort, zou men de nestgelegenheid al aan kunnen bieden. Die beestjes moeten immers ook bestaan. En het zijn niet de minst fraaie. Integendeel, deze parasieten behoren tot de mooist gekleurde insecten in onze streken. Het gaat dan met name om de tandgoudwesp Chrysis ignita, een zeer mooi dier, klein van formaat, namelijk slechts 5 tot 10 mm van kop tot achterlijfpunt, maar uitzonderlijk gekleurd: kop en borststuk groenachtig blauw met gouden glans en achterlijf oranjeroodachtig. Zij wachten tot de metselbij even weg is en leggen dan razendsnel een eitje bij het eitje of de larve van de bij. De larve van de wesp is sneller en wint de strijd. Zij zouden een voorkeur hebben voor andere insecten, namelijk muurwespen en urntjeswespen doch ik heb ze actief gezien bij mijn metselbijen, wellicht slechts vanwege zoektochten naar andere gastheren en het is dus niet zeker dat ze op mijn Osmia's parasiteren. De literatuur meldt deze tandgoudwesp overigens ook als koekoekswesp van Osmia's.
Zeker is dat deze bijen geparasiteerd worden door een cleptoparasitaire vlieg, namelijk het fruitvliegje Cacoxenus indagator, zie verder bij de 'Overige vliegen'. Mogelijk worden ze ook geparasiteerd door het sluipwespje Monodontomerus aeneus, want die wesp trof ik ook aan bij de Osmia rufa-nestingangen, zie verder bij de wespen.
Hier zijn nog wat andere foto's van de Rosse metselbij (vrouwtjes):
foeragerend op Grote engelwortel, op de nestelplaats (1), op de nestelplaats (2), op de nestelplaats (3).
Het gemakkelijkst is de Osmia rufa te houden in verhoute plantenstengels. De beste die ik ken is de kaardenbol, zie deze afbeelding. De schone stengels zijn door mij als vervangingsmateriaal na de winter toegevoegd. Kaardenbol heeft mooie gladde open stengels, aan de binnenkant. Het moet gaan om overjarige verharde dode plantendelen. Selecteer de stengeldelen die de juiste binnenmaat van 2 tot 9 mm hebben en knip ze door in het midden tussen de 'knopen' in de stengel. Deze knopen bevinden zich op ongeveer 15 tot 25 cm afstand van elkaar. Bind een aantal stengeldelen zodanig samen, dat er aan twee kanten een ingang is. Veranker de bundel stevig op een zonnige plek, niet al te nat, bijv. onder een dakgoot en de bijen vinden het vanzelf. Ze houden er niet van dat het geheel in de wind steeds beweegt. Het is nuttig om in de actieve tijd (april - juni) de nestplaats vrij te houden van spinnenwebben.
De kaardenbolstengels gaan bij mij verbazingwekkend lang mee. Pas na een jaar of vier zijn ze aan vervanging toe. Het is dan leuk om de inhoud nog eens te bekijken van nesten, die niet uitgelopen zijn.
Een heel mooi bijtje is de gehoornde metselbij (Osmia cornuta). Net als bij de Osmia rufa heeft alleen het vrouwtje hoorntjes op de voorkant van de kop (clypeus). Ze zijn iets kleuriger dan de osmia rufa en zijn plaatselijk algemeen. Deze is van elders, want bij mij in de tuin zag ik ze nog niet. De mannetjes hebben een mooie witte beharing aan de voorkant van de kop zoals hier nog iets beter te zien is. Ook deze soort metselbij nestelt in allerlei nauwe holtes op dezelfde wijze als beschreven bij de vorige soort.
Ook de tronkenbij (Heriades truncorum) is verwant aan de Megachiles. Het zijn kleine bijen (7-8 mm) die broeden in nauwe gangen in braamstengels, insectengangen in boomstronken en ook in aangeboden kunstmatig nestmateriaal (zg. bijenhotels met boorgaten, kaardenbolstengels, bamboe e.d.). Ze zijn door de zwarte kleur onopvallend, maar de vrouwtjes verraden zich door de typische manier van stuifmeel verzamelen in de buikscopa. Ze foerageren het liefst op gele composieten. Bij in de tuin is dat heelblaadje. Ze lopen rondjes over de bloemhoofdjes en maken een kloppende beweging met het achterlijf. Zo verzamelt zich het stuifmeel in de borstelharen onder het achterlichaam. Deze bijen hebben ook als kenmerk een sterke punctering van het gehele lijf en een zeer forse kop.
Extra foto's van dit vrouwtje tronkenbij: foto 2, foto 3, foto 4.
Zeer veel solitaire bijen hebben zeer beperkte afmetingen. Maskerbijen behoren tot die kleinere soorten. Ze zijn er al vanaf 4 mm lengte. Om die goed te fotograferen is erg moeilijk. Deze bijen heten maskerbij vanwege de koptekening van de mannetjes. Het bijzondere van deze groep solitaire bijen is, dat ze het stuifmeel voor het broed niet verzamelen aan haren op de poten of de buik, zoals de meeste bijensoorten dat doen, maar in een krop.
In mijn tuin is de gewone maskerbij (Hylaeus communis) actief, veel vliegend op bloeiende Sedum- en Eryngiumsoorten. Dit is een wat grotere soort die bij mij vrij talrijk is. De vrouwtjes zijn ruim 7 mm en de mannetjes iets kleiner. Hier zijn ze bij het begin van de paring te zien en dan is het verschil in grootte duidelijk te zien. De kopschilden zijn bij mannetjes en vrouwtjes verschillend van tekening (maskers) zoals hier is te zien. Het masker van het mannetje is wat meer gevuld. Bij H. communis lopen de gele vlekken om de inplant van de antennen heen. Als dat niet het geval is, zal het dus een andere soort betreffen.
Bij de beschrijving van Osmia rufa gaf ik aan dat die bijen graag nestelen in aangeboden kunstmatige nestblokken. Bij mij zijn dat kaardenbolstengels en boorgaten in hout. Ook de maskerbijen maken er graag gebruik van en zijn er omstreeks half juni tot en met juli erg actief. Deze bijtjes worden geparasiteerd door de hongerwesp (Gasteruption assectator), die overigens meerdere gastheren heeft, zowel bijen als wespen (o.a. Trypoxylon figulus). Deze sluipwespen hebben een vreemd achterlijf, namelijk niet aan de onderkant van de thorax aangehecht, maar aan de bovenkant. Hier zijn wat foto's van deze sluipwesp, waarbij ze de broedcellen in de stengels onderzoekt. Op foto 1 is ze vliegend te zien, op foto 2 en foto 3 onderzoekt ze een nestgang en op foto 4 is ze net terug uit de nestgang na een eitje te hebben gelegd, want de legboor is nog niet terug opgeborgen in de schede.
Ook de vrij zeldzame dambordvlieg Amobia signata (zie: Overige vliegen) zou op de maskerbijtjes in mijn tuin kunnen parasiteren. Die vliegen zie ik bijna ieder jaar bij de nestopeningen. Ze zijn minder kieskeurig en gebruiken diverse bijen en wespen als waard voor hun broed.
De slobkousbij (Macropis europaea) komt alleen voor waar de waardplant van deze bij groeit. Dat is de grote wederik (Lysimachia vulgaris) die bij mij in de buurt groeit in het natuurgebied Oranjezon te Vrouwenpolder. Ze zijn vooral te vinden langs de oevers van waterwinkanalen, die helaas af en toe gemaaid worden, zodat de wederik dan erg laat in het seizoen tot bloei komt. De vrouwtjes van deze soort hebben op de scheen een stuifmeelverzamelhaarbosje dat licht van kleur is; op de daaronder zittende metatarsus zijn ook verzamelharen aanwezig met een contrasterende donkere kleur. Daar hebben ze de Nederlandse naam aan te danken. De vrouwtjes verzamelen op de grote wederik stuifmeel en oliën. Deze plant produceert geen nectar en daarvoor vliegen de slobkousbijen ook op andere planten. Het is bijzonder dat deze bij olie verzamelt om het stuifmeel aan de poten te plakken en als voedsel voor de larven. Het is de enige bij in onze streken die dat doet. Het stuifmeel aan de poten wordt er wat klonterig mee. De vrouwtjes nestelen in de grond. De mannetjes hebben een zeer opvallend gezicht. De voorkant van de kop is merendeels geel en weinig behaard.
Foto's van het mannetje Slobkousbij: foto 2, foto 3, foto 4, foto 5, foto 6, foto 7, foto 8.
Foto's van het vrouwtje Slobkousbij: foto 1, foto 2, foto 3, foto 4.
Veel insecten hebben belang bij een goed foerageergebied. Ook het beschikbaar zijn van nestmateriaal en -plaatsen is belangrijk. De grote wolbij (Anthidium manicatum) is zeer sterk gebonden aan lipbloemen. Ze zijn bij mij het meest te zien op Stachys grandiflora, maar ook op ezelsoor (Stachys byzantina) en de eenjarige Leonurus sibericus, die ik speciaal zaai voor deze bij ter verlenging van het seizoen. Soms zie ik ze ook op muurleeuwenbek.
Wie wat zaad wil hebben van Leonurus sibericus met zaai-aanwijzingen kan hier vinden hoe dat gratis is te ontvangen.
De mannetjes zijn zeer fanatiek en verjagen alle andere insecten, ook grotere hommels. Ze zijn daartoe goed uitgerust met vervaarlijke doorns op het achterlijf waarmee ze andere insecten kunnen verwonden. Die gaan dan ook zonder uitzondering weg van die plek. Meerdere keren zag ik hommels met daardoor beschadigde vleugels, die niet meer konden vliegen. De mannetjes houden zo een territorium in stand voor een aantal vrouwtjes. Ook andere mannetjes wolbijen worden verjaagd. Een mannetje heeft het dus erg druk om zijn harem van 5-6 vrouwtjes bijeen te houden in zijn territorium. Af en toe eet een mannetje ook wat van de nectar om energie op te doen. Ze zijn ook de gehele dag bezig met pogingen tot paren. De vrouwtjes worden op de bloemen overvallen, maar het is niet steeds raak, gemiddeld slechts 1 op 5 pogingen.
Het zijn vrij forse bijen, waarbij de mannetjes tot circa 17 mm lang zijn. De vrouwtjes zijn een stuk kleiner en goed herkenbaar aan hun bruinrode dijen. De mannetjes grote wolbij hebben ook stevige kaken, die mogelijk ook nuttig zijn bij de paring, hoewel ik dat niet kon vaststellen. Het mannetje klemt zich meestal met de poten aan het vrouwtje vast. Hier zijn ze nogmaals parend te zien op Stachys grandiflora. Het zijn zeer goede vliegers, waarbij de wijze van vliegen lijkt op die van zweefvliegen. Ze kunnen zeer scherpe wendingen maken en direct stilhangen in de lucht. Hier is nog een vrouwtje dat aanvliegt op de Stachysbloem. De snelheid van de vleugels is zo groot dat de flitser (1/1000 sec.) die niet kon vastleggen. Sommige vrouwtjes gaan in de buurt ook wel eens wat anders dan lipbloemen proberen. Zo zag ik in de vijverrand de fraaie bloemen van Pontederia cordata bezocht worden. De wolbij heet niet naar het wollige uiterlijk, maar naar de wijze van inrichting van de broedcellen. De vrouwtjes verzamelen plantenharen en gebruiken die voor de bekleding. Hier is een vrouwtje bezig met haren verzamelen aan de onderkant van een blad van ezelsoor. Daarna zal ze stuifmeel verzamelen in haar buikschuier van licht gekleurde haren en in het nest brengen. Daarna wordt er een eitje in gelegd en wordt de broedcel afgesloten. In het begin van het seizoen slapen ze dikwijls in de kaardenbolstengels van mijn 'bijenhotels'. Hier zijn nog enkele extra foto's van een mannetje uit 2011 met wat details van dit fraaie dier: foto 1, foto 2, foto 3.
Als koekoeksbij van de Grote wolbij is de geelgerande tubebij bekend, zie hieronder.
In mijn tuin zijn veel solitaire bijen vertegenwoordigd. De grote wolbij (vorige beschreven bij) is vrij talrijk met een stuk of 15 vrouwtjes en enkele mannetjes. Veel solitaire bijen treden op als gastheer voor broedparasieten. Er zijn er op deze bijenpagina al diverse genoemd en getoond. De geelgerande tubebij (Stelis punctulatissima) wordt beschouwd als zeldzaam in Nederland, maar dat zegt niet zo veel, want voor diverse andere soorten geldt dat ook en die zijn gewoon in mijn eigen tuin aanwezig. Het is waarschijnlijk vooral een kwestie van goed waarnemen. Waar insectenliefhebbers zijn, worden in het algemeen meer soorten gezien. De geelgerande tubebij is weinig behaard en sterk gepuncteerd. Het is een bij van circa 8 - 9 mm lengte. Van deze bij is bekend dat ze bij meerdere soorten solitaire bijen (waaronder enkele Osmia-soorten) optreedt als broedparasiet. Ze hebben echter een sterke voorkeur voor de grote wolbij (Anthidium manicatum) en die is bij mij redelijk sterk aanwezig. Het is mooi dat ook de koekoek van deze bij in mijn tuin actief is. Dat betekent dat de biotoop in orde is. Dan gaat het goed met zowel gastheer als parasiet. Hier is nog een andere foto van deze verrassende verschijning. Dit is overigens het mannetje (13 antenneleedjes; vrouwtje 12 leedjes). Het vrouwtje zag ik later ook diverse keren op bloeiende heelblaadjes in de tuin.
Vele van de door mij gefotografeerde koekoeksbijen heb ik voor de aardigheid en vergelijking bij elkaar op een aparte pagina gezet. Daarbij zijn ook diverse soorten, die niet op deze pagina staan.
Overzicht koekoeksbijen
Terug naar HOME
Kevers
Wantsen
Wespen
Zweefvliegen
Overige vliegen
Dagvlinders
Nachtvlinders
Libellen en juffers
Overige insecten, spinnen, mijten en teken
Terug naar boven.